Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1067

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/4744
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475c RvArt. 475d RvArt. 475e RvArt. 475da RvArt. 3 lid 6 Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling beslagvrije voet en toepassing hardheidsclausule afgewezen

Eiseres had een betalingsregeling met het UWV vanwege een terugvordering van te veel betaalde WAO-uitkering. Na het niet kunnen nakomen van de regeling vroeg het UWV om inkomensgegevens, waarop zij twee besluiten nam over de beslagvrije voet en het termijnbedrag. Eiseres maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot het geschil over de juiste vaststelling van de beslagvrije voet. Eerder vastgestelde schuld en verzoeken tot kwijtschelding vielen buiten de beoordeling. Eiseres stelde dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar hoge woonlasten en dat de beslagvrije voet daardoor te laag was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het UWV de beslagvrije voet juist had vastgesteld volgens de geldende regelgeving, waarbij een verhoging vanwege hoge woonlasten slechts voor maximaal 18 maanden is toegestaan en deze termijn was verstreken. Daarnaast wees de rechtbank het beroep op de hardheidsclausule af, omdat geen sprake was van een schrijnende situatie zoals een dreigende ontruiming of onbetaalbare zorgkosten.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Willemse op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de beslagvrije voet en het beroep op de hardheidsclausule zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4744

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.D. van Alphen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: R. van den Brink).

Inleiding

1. Eiseres heeft een betalingsregeling met het Uwv afgesproken, in verband met een terugvordering vanwege te veel betaalde WAO-uitkering. Op 14 april 2025 heeft eiseres het Uwv telefonisch laten weten de geldende betalingsregeling niet te kunnen nakomen. Op 21 april 2025 heeft het Uwv eiseres verzocht om meer informatie over haar inkomsten. Op 30 april 2025 heeft eiseres deze informatie middels het formulier voor inkomens- en vermogensonderzoek toegestuurd.
1.1.
In het eerste primaire besluit van 8 mei 2025 heeft het Uwv de beslagvrije voet van eiseres vastgesteld op € 1.709,00 en het nieuwe termijnbedrag op € 304.00, op basis van de gegevens die eiseres per 30 april 2025 heeft toegestuurd.
1.2.
Op 27 mei 2025 heeft eiseres een aanvullingenformulier toegestuurd naar het Uwv. Op grond daarvan heeft het Uwv een nieuw besluit genomen. In het tweede primaire besluit van 2 juni 2025 heeft het Uwv de beslagvrije voet van eiseres ongewijzigd gelaten.
1.3.
Eiseres heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 14 juli 2025 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv. Ook heeft deelgenomen [A] , de begeleidster van eiseres.

Beoordelingskader

2. De rechtbank beoordeelt aan de hand van wat partijen hebben aangevoerd of het Uwv de beslagvrije voet van eiseres juist heeft vastgesteld. Hierbij is het volgende van belang. Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (de Regeling) wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan worden aangewend voor de betaling of verrekening van de vordering. Artikel 475da Rv bepaalt hoe de beslagvrije voet wordt bepaald.

Beoordeling door de rechtbank

De omvang van het geding
3. De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het geding zich in deze uitspraak beperkt tot het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit, waarin het Uwv de beslagvrije voet van eiseres heeft vastgesteld. Deze uitspraak gaat dus niet over de eerdere besluiten (20 augustus 2019 en 22 augustus 2019) waarin het Uwv de schuld van eiseres heeft vastgesteld op € 24.299,57. Tegen die besluiten is eiseres niet in bezwaar gegaan en de besluiten staan daarmee in rechte vast.
3.1.
De uitspraak gaat ook niet over het verzoek en de afwijzing van de kwijtschelding van de schuld van eiseres. Eiseres heeft sinds 27 november 2022 meerdere keren een verzoek tot kwijtschelding ingediend, zo ook tijdens de bezwaarfase van het bestreden besluit. Dit verzoek heeft de afdeling Verwerken Financiële Verplichtingen (VFV) van het Uwv beoordeeld en is met het besluit van 16 juli 2025 afgewezen. Het verzoek en de afwijzing daarvan is geen onderdeel van dit beroep.
Vaststelling beslagvrije voet
4. Eiseres stelt dat het Uwv de beslagvrije voet niet juist heeft vastgesteld, omdat het Uwv volgens eiseres onvoldoende rekening heeft gehouden met haar hoge woonlasten. Eiseres begrijpt niet dat het Uwv eerder wel rekening hield met haar hoge huur, maar nu niet meer.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de woonkosten gaat het Uwv uit van het in 2025 geldende normbedrag van € 990,08 per maand voor de woonlasten. [1] De huidige woonlasten van eiseres zijn hoger dan het geldende normbedrag. Op grond van de hiervoor geldende regelgeving kan gedurende maximaal 18 maanden de beslagvrije voet worden verhoogd in verband met hogere woonlasten dan het daarvoor geldende normbedrag. [2] Het Uwv heeft al 18 maanden toepassing gegeven aan deze bepaling en mag dit niet verlengen. Er is voorts geen andere wettelijke grondslag voor een verdere verhoging. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
5. Eiseres stelt dat de vaststelling van de beslagvrije voet leidt tot een kennelijke onredelijke hardheid. Eiseres heeft hoge huurlasten, als zij haar huur niet meer kan betalen dreigt zij dakloos te worden. Eiseres onderbouwt dit door te verwijzen naar een e-mail van haar verhuurder van 8 juni 2023. Eiseres stelt ook dat het Uwv rekening had moeten houden met de hoge zorgkosten die zij heeft gemaakt. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar een overzicht van gemaakte medische kosten.
5.1.
De rechtbank interpreteert het beroep van eiseres op een kennelijke onredelijke hardheid als een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Regeling. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat het Uwv slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid om af te wijken van wat is bepaald in artikel 3 van Pro de Regeling. Er moet dan sprake zijn van een schrijnende situatie. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat gedacht kan worden aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen. Eiseres stelt dat zij dakloos dreigt te worden als er geen rekening wordt gehouden met haar hoge huurlasten. Uit de e-mail van 8 juni 2023 blijkt niet dat er sprake is van een dreigende ontruiming. In die e-mail wordt enkel gesproken over een huurachterstand en niet over ontruiming. Daarnaast is de e-mail van meer dan twee jaar geleden en blijkt daaruit dus niet van een actuele dreigende situatie. Ook de zorgkosten van eiseres geven geen aanleiding om te spreken van een kennelijk onredelijk resultaat. Eiseres heeft een overzicht van aantal medische kosten overgelegd en heeft gesteld dat deze noodzakelijk zijn. Deze overgelegde gegevens geven geen duidelijk inzicht in de gemaakte kosten van eiseres. Ook op zitting heeft eiseres niet kunnen onderbouwen hoe hoog en structureel de kosten zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Simorangkir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 475da, vijfde lid, Rv jo artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag.
2.Op grond van artikel 475da, vijfde lid, Rv jo. artikel 1a. Regeling beslagvrije voet.