ECLI:NL:RBMNE:2026:1074

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/16/605847 / KG ZA 26-27
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:247a BWArt. 256 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorg- en informatieregeling omgang kinderen na beëindiging relatie

Partijen hebben een relatie gehad en drie jonge kinderen met gezamenlijk gezag. Na beëindiging van de relatie vertrok de moeder met de kinderen naar een geheime locatie en werd het contact met de vader stopgezet. De vader vordert een voorlopige zorgregeling en informatieregeling, terwijl de moeder de omgang ontzegt vanwege vermoedens van huiselijk geweld en drugs- en alcoholgebruik door de vader.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de moeder onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om de omgang te ontzeggen. De stellingen over huiselijk geweld en verslaving zijn onvoldoende onderbouwd en deels betwist. Het belang van de kinderen bij omgang met beide ouders weegt zwaar.

De rechter stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de kinderen elke zaterdag van 10:00 tot 18:00 uur bij de vader verblijven met overdracht door een derde op een neutrale locatie. Tevens wordt een maandelijkse informatieregeling vastgesteld. De vordering tot ontzegging omgang wordt afgewezen. De regeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en een dwangsom van €150 per overtreding wordt opgelegd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter stelt een voorlopige zorg- en informatieregeling vast waarbij de kinderen elke zaterdag bij de vader verblijven met overdracht door een derde en wijst de omgangsontzegging af.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/605847 / KG ZA 26-27
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. V.A.P.B. Lingg,
tegen
[gedaagde],
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • de dagvaarding met bijlagen van 16 februari 2026;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met bijlagen van 21 februari 2026;
  • het bericht van [eiser] van 23 februari 2026.
1.2.
De zitting vond plaats op 24 februari 2026. Daarbij waren beide partijen met hun advocaten aanwezig. Mr. Lingg werd vergezeld van haar kantoorgenote mr. [A] .
Mr. Lingg wenste op zitting nog diverse producties in het geding te brengen. Deze heeft de voorzieningenrechter vanwege het late tijdstip geweigerd met uitzondering van productie 12 en 13. [eiser] heeft tijdens de zitting een brief gedeeltelijk voorgelezen, die deel uitmaakt van de processtukken.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.Korte voorgeschiedenis

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben drie kinderen van respectievelijk zes, vijf en twee jaar over wie zij gezamenlijk het gezag hebben: [B] , [C] en [D] [achternaam van eiser] .
2.2.
De relatie van partijen is beëindigd. Op 16 november 2025 verliet [gedaagde] samen met de kinderen de woning waarin partijen leefden. Zij verblijven nu op een geheim adres. Sinds die datum heeft [eiser] op geen enkele manier contact gehad met zijn kinderen.
2.3.
De kinderen gaan sinds 23 februari 2026 naar een andere school. Daarvoor hebben zij ‘thuisonderwijs’ gehad.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. een voorlopige zorgregeling tussen hem en de kinderen vaststelt, die het volgende inhoudt:
primair
- in de eerste maand na dit vonnis:
o iedere woensdag verblijven de kinderen na school of kinderopvang tot
donderdag vóór school of de kinderopvang bij hem;
o in de even weken verblijven de kinderen van zaterdag 10:00 uur tot
zondag 17:00 uur bij hem;
- in de tweede maand na dit vonnis:
o in de oneven weken verblijven de kinderen woensdag na school of
kinderopvang tot vrijdag vóór school of de kinderopvang bij hem;
o in de even weken verblijven de kinderen woensdag na school of
kinderopvang tot zaterdag 17:00 uur bij hem;
- vanaf de derde maand na dit vonnis:
o in de oneven weken verblijven de kinderen van woensdagmiddag na school of de kinderopvang tot vrijdagochtend voor school of kinderopvang bij hem;
o in de even weken verblijven de kinderen op woensdag na school of
kinderopvang tot en met zondag 17:00 uur bij hem;
subsidiair
  • in de eerste week dit vonnis ontmoeten [eiser] en de kinderen elkaar op zaterdag, eventueel onder begeleiding van een derde, van 10:00 uur tot 13:00 uur bij [locatie 1] in [plaats 2] ;
  • in de tweede week na dat vonnis ontmoeten zij elkaar op zaterdag en zondag, eventueel onder begeleiding van een derde, van 10:00 uur tot 13:00 uur bij [locatie 2] in [plaats 3] ;
  • in de derde week na het vonnis ontmoeten [eiser] en de kinderen elkaar op zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur en op zondag van 10:00 tot 13:00 uur bij [locatie 1] in [plaats 2] ;
  • in de vierde week na het vonnis verblijven de kinderen op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur bij [eiser] thuis en ontmoeten zij hem op zondag van 10:00 tot 13:00 uur bij [locatie 2] in [plaats 3] ;
  • in de vijfde week na dit vonnis verblijven de kinderen op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur en op zondag van 10:00 tot 18:00 uur bij [eiser] thuis; en
  • vanaf de zesde week na onderhavig vonnis verblijven de kinderen ieder
weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij [eiser] ;
meer subsidiair
  • in de eerste week na dit vonnis videobelt [eiser] met de kinderen op dinsdag- en zaterdagavond na het avondeten (rond 18:00 uur);
  • in de tweede week na doet hij dat op dinsdag- , donderdag- en zaterdagavond na het avondeten (rond 18:00 uur);
  • in de derde week na het vonnis videobelt hij met de kinderen op dinsdag- en donderdag na het avondeten (rond 18:00 uur) en ontmoeten zij elkaar op zaterdag, eventueel onder begeleiding van een derde, van 10:00 uur tot 13:00 uur bij [locatie 1] in [plaats 2] ;
  • in de vierde week na het vonnis videobelt hij met de kinderen op dinsdag- en donderdag na het avondeten (rond 18:00 uur) en ontmoeten ze elkaar op zaterdag en zondag, eventueel onder begeleiding van een derde, van 10:00 uur tot 13:00 uur bij [locatie 2] in [plaats 3] ;
  • in de vierde week na dit vonnis videobellen ze op dinsdag- en donderdag na het avondeten (rond 18:00 uur) en ontmoeten zij elkaar op zaterdag en zondag, eventueel onder begeleiding van een derde, van 10:00 uur tot 13:00 uur bij [locatie 1] in [plaats 2] ;
  • in de vijfde week na het vonnis videobelt [eiser] met de kinderen op dinsdag- en donderdag na het avondeten (rond 18:00 uur) en ontmoeten zij elkaar op zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur en op zondag van 10:00 tot 13:00 uur bij [locatie 2] in [plaats 3] ;
  • in de zesde week na het vonnis videobelt hij met de kinderen op dinsdag- en donderdag na het avondeten (rond 18:00 uur) en verblijven de kinderen op zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur bij hem thuis en ontmoeten zij hem op zondag van 10:00 tot 13:00 uur bij [locatie 1] in [plaats 2] ;
  • in de zevende week na dit vonnis verblijven de kinderen op zaterdag
van 10:00 uur tot 18:00 uur en op zondag van 10:00 tot 16:00 uur bij [eiser] thuis; en
- vanaf de achtste week na dit vonnis verblijven de kinderen ieder
weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij [eiser] ;
II. een voorlopige informatieregeling vaststelt op grond waarvan [gedaagde] hem iedere zondagavond om 20.00 uur per e-mail een verslag moet sturen over de kinderen, met daarin een omschrijving van de
dagelijkse bezigheden van de kinderen, de voortgang op school (inclusief
rapporten en schoolcijfers), de gezondheid van de kinderen en andere dagelijkse updates over hun leven, inclusief foto’s van alle kinderen waarop hun gezichten zichtbaar zijn;
III. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de voorlopige zorgregeling en informatieregeling, op straffe van een dwangsom van € 150 per keer dat zij de zorg- of informatieregeling niet nakomt.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen.
Zij vordert – zo begrijpt de voorzieningenrechter – in reconventie dat hij [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de omgang met de kinderen ontzegt, totdat hierover (de voorzieningenrechter begrijpt: de omgang) in een bodemprocedure door de rechter is beslist.

4.De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter deze samen behandelen.
Conclusie
4.2.
De voorzieningenrechter zal de vordering in conventie in zoverre toewijzen, dat hij de volgende voorlopige zorgregeling tussen [eiser] en de kinderen vaststelt: de kinderen verblijven elke zaterdag bij [eiser] van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de overdracht wordt uitgevoerd door een derde en wel op een locatie niet zijnde de locatie waar [gedaagde] thans verblijft.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] tevens veroordelen tot nakoming van deze regeling en daaraan een dwangsom verbinden.
4.3.
Daarnaast stelt de voorzieningenrechter de bij 4.19. genoemde voorlopige informatieregeling vast en zal hij [gedaagde] veroordelen tot nakoming ervan.
De vorderingen zullen voor het overige worden afgewezen.
Spoedeisend belang
4.4.
In een kortgedingprocedure is onder meer vereist dat partijen een voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. Concreet wil dat zeggen dat [eiser] en [gedaagde] nu een beslissing van de voorzieningenrechter nodig hebben en de uitkomst van een bodemprocedure niet kunnen afwachten.
4.5.
Partijen hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen. [eiser] heeft al enkele maanden van het ene op het andere moment geen contact met zijn kinderen. Het spoedeisend belang van [gedaagde] volgt uit de aard van haar vordering.
Ten geleide
4.6.
In haar conclusie van antwoord betrekt [gedaagde] het standpunt dat de voorzieningenrechter niet over deze kwestie kan oordelen, omdat de zaak te complex is. Hiermee miskent zij dat op zichzelf geen enkele zaak juridisch te complex is voor behandeling in kort geding (vgl. HR 2 april 1993,
NJ1994, 650). Indien en voor zover [gedaagde] een beroep doet op het bepaalde in artikel 256 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), heeft zij dit niet nader onderbouwd.
4.7.
Ook meent [gedaagde] dat de voorzieningenrechter niet mag afwijken van het voorlopige advies van Veilig Thuis en de vrouwenopvang, inhoudend dat er geen omgang mag zijn zolang onderzoek loopt. Het behoeft geen betoog dat de voorzieningenrechter van ieder advies – voorlopig of niet – mag afwijken.
Uitgangspunten
4.8.
Uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met zijn beide ouders (artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, BW). Hier geldt geen zorgregeling waarvan [eiser] nakoming kan vorderen. Op grond van artikel 1:247a BW zijn partijen na beëindiging van hun samenleving verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Als zij niet tot overeenstemming komen over een zorgregeling, kan de rechter in een bodemprocedure een regeling vaststellen die in het belang van het kind wordt geacht of de omgang op wettelijke gronden al dan niet voor enige tijd ontzeggen. In afwachting van een beslissing in een zodanige bodemprocedure, kan de voorzieningenrechter een voorlopige regeling vaststellen.
Voorlopige zorgregeling
4.9.
Het is – gelet op het hierboven genoemde recht op omgang – aan de ouder (hier: [gedaagde] ) die het contact met de andere ouder stopzet, feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat omgang niet in het belang van de kinderen is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] daarin niet is geslaagd en overweegt daartoe als volgt.
4.10.
[gedaagde] stelt dat tijdens de relatie, mede door [eiser] ’ drank- en drugsgebruik, sprake was van huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle. Daaraan zijn zij en de kinderen volgens haar veelvuldig blootgesteld. Ze verblijft daarom sinds november 2025 samen met de kinderen op een geheime locatie. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin en voert een onderzoek uit naar de vraag of de stellingen van [gedaagde] kloppen en of de situatie voldoende veilig is. In eerste instantie zou het onderzoek tien weken duren, maar recent is het verlengd omdat ook een zogeheten MASIC-onderzoek wordt uitgevoerd. [gedaagde] stelt dat er gedurende het onderzoek van Veilig Thuis geen omgang kan plaatsvinden tussen [eiser] en de kinderen.
4.11.
De stellingen van [gedaagde] zijn door [eiser] gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet, althans onvoldoende gedaan. De stukken van hulpverlenende instanties (Veilig Thuis en vrouwenopvang) waar zij zich op beroept, zijn (hoofdzakelijk) gebaseerd op haar eigen belevingen en de door haar gegeven informatie. In dit licht is het opmerkelijk dat een niet met name genoemde medewerker van de vrouwenopvang in een brief van 20 februari 2026 (productie 2 van [gedaagde] ) – nog lopende het onderzoek – van mening is dat [gedaagde] het eenhoofdig gezag zou moeten hebben om voor een veilige toekomst van “haar kinderen” te kunnen zorgen.
Hoe dan ook, een feitelijke en controleerbare onderbouwing van [gedaagde(-s)] stellingen ontbreekt. Weliswaar hebben onderzoekers ook met (een of meer van) de kinderen gesproken, maar de door hen gegeven informatie geeft niet de onderbouwing die [gedaagde] kennelijk daarin leest. De voorzieningenrechter wijst bijvoorbeeld op [gedaagde(-s)] eerder genoemde productie 2, waarin staat:
“Volgens [C] is er bijna niets gebeurd thuis, behalve dat papa boos doet. Dit is niet zo vaak gebeurd. [C] snapt eigenlijk niet dat ze hier wonen.”
De voorbeelden die [gedaagde] heeft gegeven van voorvallen, waarbij [eiser] hardhandig een stoel heeft aangeschoven of met een kind in de bus is omgevallen (volgens [gedaagde] doordat hij teveel gedronken had), zijn niet alleen onvoldoende om te kunnen spreken van kindermishandeling, maar worden ook nog eens door [eiser] betwist.
[gedaagde(-s)] algemene stelling dat uit onderzoek blijkt dat in 57% van de gevallen waarin partnergeweld plaatsvindt, ook sprake is van kindermishandeling, betekent – wat daar verder van zij – niet dat [eiser] zijn kinderen feitelijk mishandeld heeft.
4.12.
Volgens [gedaagde] is [eiser] ook vanwege zijn alcohol- en drugsmisbruik ongeschikt om contact met de kinderen te hebben. Ter onderbouwing hiervan wijst zij op een foto van iemand die op een zonnige dag in korte broek een gevuld glas in de hand heeft (haar productie 17). Tijdens de zitting werd duidelijk dat deze persoon [eiser] is met een glas “bubbels”. Zonder context en zonder toelichting, die ontbreken, kan de voorzieningenrechter niet inzien dat hieruit blijkt dat [eiser] een “daily drinker” is die niet goed voor zijn kinderen kan zorgen. Het enkele feit dat [eiser] overdag (al dan niet in het bijzijn van de kinderen) een glas alcohol drinkt, maakt hem niet ongeschikt voor omgang. Daar komt bij dat ook [gedaagde] alcohol drinkt in het bijzijn van de kinderen, zoals [eiser] heeft aangevoerd en niet door haar betwist is.
4.13.
[eiser] erkent dat hij wel drugs eens heeft gebruikt, maar ontkent dat hij dat in het bijzijn van de kinderen heeft gedaan. De foto’s waarop [gedaagde] zich beroept om veelvuldig drugsgebruik (welke drugs [eiser] volgens haar gebruikt en hoe vaak, is niet duidelijk geworden) te onderbouwen, zijn volgens hem uit hun context gehaald. Het betreft foto’s van een weekendje weg bij oud en nieuw, tijdens welk weekend [eiser] en [gedaagde] allebei drugs gebruikt hebben. Dat was de laatste keer dat hij drugs heeft gebruikt, aldus [eiser] .
Wat daar verder ook van zij, [gedaagde] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] ’ drugsgebruik zodanig is dat hij een gevaar voor de kinderen oplevert, althans niet goed voor hen kan zorgen.
4.14.
Het voorgaande leidt ertoe dat het er weer contact moet komen tussen [eiser] en de kinderen. Dat contact moet zo snel als mogelijk worden hersteld. Aangezien de kinderen op dit moment op een geheime locatie verblijven en naar een school gaan die niet bekend mag worden bij [eiser] , kan onder deze omstandigheden alleen contact zijn in het weekend.
4.15.
In verband met het bekend worden van haar verblijfslocatie heeft [gedaagde] ook nog aangevoerd dat de kinderen wel eens aan hun vader zouden kunnen verklappen waar de vrouwenopvang gevestigd is. De voorzieningenrechter neemt aan dat zij daarmee het oog heeft op de oudste twee kinderen.
Misschien verklappen die kinderen dat, misschien niet. In elk geval is dat een consequentie van [gedaagde(-s)] besluit de woning zonder overleg en met medeneming van de kinderen te verlaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij dat gevolg onder de huidige omstandigheden niet aan [eiser] kan tegenwerpen.
Overdracht
4.16.
Om te voorkomen dat partijen met elkaar geconfronteerd worden en dat de verblijfslocatie van [gedaagde] te gemakkelijk aan [eiser] bekend wordt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overdracht van de kinderen plaatsvindt met inschakeling van een derde. [gedaagde] dient voor inschakeling van deze derde te zorgen. Het komt de voorzieningenrechter wel raadzaam voor als partijen overleggen wie deze persoon is.
Het is niet aan de voorzieningenrechter te bepalen waar die overdracht precies plaatsvindt. Het ligt in de rede dat dit bij [eiser] thuis of op een openbare plek is, maar in elk geval niet daar waar [gedaagde] thans verblijft (zie ook bij 4.2. hierboven). Redelijkerwijs zouden partijen daar uiteraard ook over moeten kunnen overleggen.
Voor begeleide omgang ziet de voorzieningenrechter tot slot geen aanleiding.
Dwangsom
4.17.
Aan de veroordeling tot nakoming van de zorgregeling zal de voorzieningenrechter de in het dictum genoemde dwangsom verbinden. [gedaagde] houdt de kinderen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte bij hun vader weg en speelt daarmee voor eigen rechter. Vanwege [gedaagde(-s)] houding (ook op zitting) heeft de voorzieningenrechter er geen vertrouwen in dat zij de veroordeling zonder financiële prikkel correct zal nakomen.
Geen ontzegging omgang
4.18.
Het voorgaande brengt met zich dat de reconventionele vordering zal worden afgewezen.
Informatieregeling
4.19.
De voorzieningenrechter stelt de volgende voorlopige informatieregeling vast:
  • [gedaagde] informeert [eiser] iedere eerste dag van de maand schriftelijk over hoe het met de kinderen gaat met daarbij een omschrijving van de dagelijkse bezigheden van de kinderen, de voortgang op school, de gezondheid en andere dagelijkse updates;
  • zij hoeft geen foto’s mee te sturen.
4.20.
Bovenstaande informatieregeling acht de voorzieningenrechter in het belang van de kinderen en ook praktisch redelijkerwijs uitvoerbaar. De door [eiser] gevorderde frequentie is te hoog, mede gelet op het feit dat hij de kinderen elke zaterdag zal zien. Omdat hij zijn kinderen kan zien, is het niet nodig dat [gedaagde] ook nog eens foto’s stuurt.
Volgens [gedaagde] is zij in verband met haar veiligheid niet in staat [eiser] te informeren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dit verweer niet te volgen.
4.21.
De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen reden aan het nakomen van de informatieregeling een dwangsom te verbinden. [gedaagde] heeft namelijk toegezegd dat zij [eiser] zal informeren.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.22.
De voorzieningenrechter zal zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Hij is namelijk van oordeel dat het – gelet op alle betrokken belangen en in het bijzonder dat [gedaagde] ieder contact tussen de kinderen en hun vader onmogelijk maakt – belangrijk is dat de omgang zo spoedig mogelijk wordt hervat en dat [eiser] informatie krijgt over hoe het met de kinderen gaat. Het instellen van hoger beroep mag een en ander niet doorkruisen.
Proceskosten
4.23.
In afwijking van de hoofdregel van artikel 237 Rv Pro bestaat in familierechtelijke procedures het gebruik de proceskosten te compenseren. De voorzieningenrechter ziet – althans nu – geen reden van dit gebruik af te wijken.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de bij 4.2. genoemde voorlopige zorgregeling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 150 voor iedere keer dat zij niet aan de bij 5.1. genoemde veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de bij 4.19. genoemde voorlopige informatieregeling,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst de vorderingen van partijen voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. M.E. Heinemann, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.