Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
e-mail naar de griffie van de rechtbank gestuurd. Daarin schrijft [verzoekster] dat haar partner het verzoekschrift die dag rond 15:30 uur fysiek heeft afgegeven bij de balie, maar dat er een verkeerde stempel op het verzoekschrift is gezet, namelijk van 18 december 2025. [verzoekster] heeft gevraagd om te bevestigen dat het stuk op 17 december 2025 is ingeleverd. Zij gaf ook aan appjes te kunnen overleggen tussen haar en haar partner van die dag die gaan over het afgeven van het verzoekschrift op die dag. De griffie heeft pas later, op 26 januari 2026, geantwoord dat zij onderzoek heeft gedaan naar deze kwestie. Daaruit is gebleken dat de dienstdoende bodes van zowel 17 als 18 december 2025 zich niet meer konden herinneren dat een datumstempel verkeerd was ingesteld. De griffie heeft [verzoekster] laten weten dat zij niet kan bevestigen dat er een onjuiste stempel op het verzoekschrift is gezet. Daarmee heeft de griffie echter ook niet bevestigd dat er een juiste stempel op het stuk is gezet. Bovendien is het onderzoek van de griffie beperkt van waarde, omdat het door de griffie (te) laat is opgepakt, namelijk pas ruim een maand later, na meermaals mailen van [verzoekster] over de kwestie. Dat maakt ook dat [verzoekster] beperkt is in de mogelijkheden om de tijdigheid van het indienen nader te onderbouwen. Tot slot overweegt de kantonrechter dat het belang van de vervaltermijn, namelijk voortvarend procederen van partijen, niet is geschonden. [3] [verweerster] heeft niet gesteld dat zij het verzoek niet meer had hoeven verwachten en dit is ook niet gebleken. Bij brief van 21 november 2025 heeft [verzoekster] bij [verweerster] bezwaar gemaakt tegen het ontslag, de redenen daarvan meegedeeld en laten weten juridische bijstand gezocht te hebben om tijdig, binnen de geldende vervaltermijn, de juiste vervolgstappen te kunnen ondernemen tegen het ontslag.