ECLI:NL:RBMNE:2026:109

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
16.012157.25 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzetaanranding, bedreiging met een vuurwapen en wapenbezit in Woerden

Op 10 en 11 januari 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten in Woerden. De verdachte heeft [slachtoffer 1] bedreigd met een vuurwapen, dat hij uit zijn jas haalde en tegen de kin van het slachtoffer hield, terwijl hij dreigende woorden uitsprak. Daarnaast heeft hij [slachtoffer 2] aangerand door haar tussen de billen te grijpen, terwijl hij wist dat zij daar niet mee instemde. Ook heeft hij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bedreigd door met zijn handen een vuurwapen uit te beelden en te zeggen dat hij hen en de hele kroeg zou neerschieten. De rechtbank heeft de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar geacht, mede door zijn middelengebruik op het moment van de feiten. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 134 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 100 uren. De vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], is toegewezen voor een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.012157.25 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] te [woonplaats] ,
(hierna: verdachte).

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van de officier van justitie mr. M. de Nooij en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
Feit 1:
op 10-11 januari 2025 te Woerden [slachtoffer 1] heeft bedreigd door een vuurwapen te tonen en tegen de kin van die [slachtoffer 1] te houden en te zeggen dat hij [slachtoffer 1] kapot ging maken;
Feit 2:
op 10-11 januari 2025 te Woerden een gaspistool voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
op 10-11 januari 2025 te Woerden [slachtoffer 2] heeft aangerand, door onverhoeds haar billen aan te raken, terwijl hij wist/vermoedde dat bij [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;
Feit 4:
op 10-11 januari 2025 te Woerden [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd door een vuurwapen uit te beelden en te zeggen 'ik ga mensen bellen en die gaan jullie en de hele toko neerschieten'.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde bedreiging. Verdachte ontkent aangever te hebben bedreigd en het dossier bevat geen bewijsmiddelen die de aangifte van aangever ondersteunen.
Voor wat betreft de onder 3 ten laste gelegde aanranding, heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de billen van aangeefster heeft aangeraakt op de plek en op de wijze zoals door aangeefster is verklaard, dan wel dat deze aanraking niet het seksuele karakter had die voor een bewezenverklaring noodzakelijk is, wat maakt dat verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de overige feiten refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte is in de nacht van 10 op 11 januari 2025 in [café] in Woerden geweest. De verdachte bekent dat hij die avond/nacht een gaspistool bij zich droeg. De rechtbank zal de bewijsmiddelen ten aanzien van dat feit (feit 2) opsommen. De rechtbank acht ook de andere feiten bewezen. De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop zij de bewezenverklaring baseert, hieronder uitwerken. Dat zal de rechtbank in chronologische volgorde doen.
Bewijsmiddelen [1]
Feit 2:
Nu de verdediging voor dit feit geen vrijspraak heeft bepleit en verdachte het feit bekent, kan dit feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
De rechtbank volstaat onder voornoemde omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen.
De gebruikte bewijsstukken:
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 6 januari 2026;
  • proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 11 januari 2025;
  • proces-verbaal van voor-categorisering van 13 januari 2025.
Feit 3:
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 11 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [2]
Ik was op 11 januari 2025 in [café] . Er kwam een man naar mij toe. Hij greep ineens tussen mijn billen en haalde hij zijn hand tussen mijn billen.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting:
Ik was de avond/nacht van 10 op 11 januari 2025 in [café] in Woerden. Het is mogelijk dat ik, zoals ik bij de politie heb verklaard, de blonde dame heb aangetikt, toen ik wilde vertrekken.
Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 15 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [3]
Beelden van [café] te Woerden van 11 januari 2025.
Camera binnen 1:00:30 uur
- Ik zag dat hij (
de rechtbank begrijpt: de verdachte) richting het blonde meisje liep, dat bij een tafel stond. Ik zag dat de verdachte met zijn linkerhand de kont van het blonde meisje aanraakte. Ik zag dat hij zijn hand over de kont van het blonde meisje haalde. Ik zag dat het meisje hier direct op reageerde en in de richting van de verdachte keek. Ik zag dat ze naar een persoon keek waarmee zij in de kroeg was en tegelijk naar de verdachte wees met haar rechterhand.
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] van 13 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [4]
Op 10 januari 2025 (
de rechtbank begrijpt: de avond/nacht van 10 op 11 januari 2025) was ik bij [café] in Woerden. Ik hoorde [slachtoffer 2] (
de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]) direct zeggen: "Hey joh, hij haalt zijn hand door mijn naad heen!".
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
Naar het oordeel van de rechtbank is het aanraken van en met de hand grijpen tussen de billen van een onbekende vrouw een handeling van seksuele aard. Billen kunnen vanuit seksueel oogpunt niet als neutraal worden beschouwd. Het gedrag van verdachte is dan ook in strijd met een sociaal-ethische norm en kwalificeert derhalve als ontuchtig. Door het onverhoedse karakter van de handeling heeft verdachte aangeefster gedwongen die ontuchtige handeling te dulden. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4:
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting:
Ik heb die avond/nacht van 10-11 januari 2025 met mijn handen schietbewegingen gemaakt in [café] in Woerden.
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4] van 17 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [5]
Op 11 januari 2025 was ik in [café] te Woerden. Ik hoorde dat die gozer zei: "Ik ga mensen bellen en ik schiet jullie en die hele tent allemaal door." Dit bleef die gozer een aantal malen herhalen. Ik zag dat op het moment dat die gozer dit zei, dat hij met zijn rechter hand een vuurwapen uitbeeldde. Ik zag dat hij twee vingers op elkaar deed en zijn duim omhoog en de rest van de vingers gebogen. Ik zag dat hij het gebaar op zijn eigen hoofd maakte in de richting van ons. Ik heb niks gezien van de daadwerkelijke bedreiging met het vuurwapen. Ik hoorde later van de jongen die bij de bar stond dat hij daadwerkelijk een vuurwapen op zijn nek heeft gehad. Op het moment dat ik dit hoorde, schrok ik hier van.
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] van 13 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [6]
Op 10 januari 2025 (
de rechtbank begrijpt: de avond/nacht van 10 op 11 januari 2025), was ik bij [café] in Woerden. Ik hoorde hem zeggen: "Moet ik mijn familie en vrienden gaan bellen? Dan schieten wij jullie en deze toko overhoop!" Ik stond op ongeveer één meter van hem af. Ik zag dat hij gebaarde met zijn rechterhand. Ik zag dat hij zijn wijsvinger en middelvinger naar voren richtte en zijn duim omhoog. Ik herkende dit als een pistoolgebaar, zoals je een pistoolgebaar maakt met je hand. Ik zag dat hij dit pistoolgebaar richtte op zijn rechterslaap. Ik heb van horen zeggen dat hij buiten een pistool heeft getrokken. Dit heb ikzelf niet gezien. Ik wilde daar snel weg en zijn we bij de bar gaan staan, zodat hij ons niet kon raken als hij ging schieten. Ik was echt geschrokken en bang. Ik voelde angst dat hij [slachtoffer 2] of een maatje van mij iets aan zou doen.
Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 15 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [7]
Beelden van [café] te Woerden van 11 januari 2025.
Camera binnen 2 - 00:32 uur - Ik zag dat verdachte zijn rechterhand in de vorm van een pistool deed. Ik zag dat hij dit keer zijn rechterhand in de vorm van een pistool richtte op een jongen.
Camera binnen 1 - 00:32 uur - Ik zag dat de verdachte richting de tafel liep waar het blonde meisje stond samen met haar gezelschap. Ik zag dat de verdachte zich vooroverboog richting de jongen aan de tafel. Ik zag dat de verdachte met zijn linkerhand, twee vingers naar zijn slaap wees. Ik herkende dit weer als het eerdergenoemde pistoolgebaar.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
​Voor een veroordeling voor bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht​ ​met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
In de onderhavige zaak verklaren meerdere getuigen, onder wie aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , dat de verdachte in de nacht van 10 op 11 januari 2025 in [café] in Woerden tegen hen heeft gezegd dat hij mensen zou gaan bellen en dat hij de hele toko zou gaan neerschieten. Daarbij heeft de verdachte met zijn hand schietbewegingen uitgebeeld. Kort daarna vernamen de aangevers van een andere cafébezoeker dat de verdachte daadwerkelijk een wapen op zak had. Door deze gedragingen van de verdachte is bij de aangevers en kon bij aangevers in redelijkheid de vrees ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren de gedragingen van de verdachte zodanig gericht op het doen ontstaan van de bedoelde vrees, dat het opzet van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank daarop gericht was. Dat maakt dat de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen acht.
Feit 1:
Verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 6 januari 2026:
Op 10-11 januari 2025 was ik in [café] . Ik had een gaspistool bij me. Ik heb het gaspistool in het café laten zien.
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] van 11 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [8]
Op vrijdag 10 januari 2025 was ik in het [café] in Woerden. Ik zag dat de jongen naast mij stond. Ik zag dat de jongen uit zijn rechterjaszak een wapen haalde. Ik kan het vuurwapen als volgt omschrijven:
- handpistool;
- zwart van kleur;
- gelijkend op een PPK, maar iets groter.
Ik liep via de gang naar buiten toe. Ik zag enkele momenten later dat de jongen achter mij aan liep. Ik zag dat de jongen met zijn rechterhand het vuurwapen pakte en ik zag dat hij het vuurwapen met de loop richting mij bewoog. Ik zag en voelde dat hij de loop van het vuurwapen onder mijn kin plaatste. Ik zag dat hij tegen mij sprak en mij aandringend aankeek. Ik hoorde en zag dat hij boos was. Ik hoorde hem zeggen dat hij mij kapot ging maken. Ik voelde mij bedreigd.
Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 15 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [9]
Beelden van [café] te Woerden van 11 januari 2025.
Camera binnen 1 - 00:33 uur
- Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand bewoog. Ik zag dat hij een zwart voorwerp in zijn handen had. Ik zag dat het voorwerp sterke gelijkenissen had met een vuurwapen. Ik herkende het door de volgende kenmerken:
- Ik zag dat de verdachte een handgreep vast had;
- Ik vond het deel wat naar beneden wees en de manier waarop de verdachte het voorwerp vast hield sterk gelijkend op een slede. Het is mij ambtshalve bekend dat een vuurwapen op deze wijze gedragen wordt;
- Ik zag dat het voorwerp een donkere kleur had. Door de weerspiegeling van het licht op het voorwerp leek het voorwerp van ijzer/metaal.
Eigen waarneming van de rechtbank:
De rechtbank ziet op de screenshot van de camerabeelden van
camera binnen 1 - 00:33 uur
dat verdachte tussen aangever [slachtoffer 1] (links) en een andere man (rechts) in staat. Aangever [slachtoffer 1] kijkt naar het voorwerp dat de verdachte in zijn rechterhand vast heeft.
Proces-verbaal van verklaring getuige [getuige] van 11 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [10]
Ik was de hele avond (
de rechtbank begrijpt: op 10-11 januari 2025) in [café] . Ik zag een man binnenkomen die ik niet kende. Ik zag dat hij allemaal schietbewegingen maakte met zijn vingers. Hij zette zijn vingers in de vorm van een pistool en deed dit naar andere mensen wijzen en naar zijn eigen hoofd wijzen. Hij liep daarop weer naar buiten. Ik zag dat hij een echt vuurwapen uit zijn broek bij zijn kruis pakte. Ik zag dat hij het vuurwapen doorlaadde. Het was een zwart vuurwapen en het lijkt op het vuurwapen wat de politie ook bij zich heeft.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1:
Vast staat, mede gelet op de in zoverre bekennende verklaring van de verdachte, dat de verdachte die avond een wapen bij zich had en dat hij dit wapen aan iemand in het café heeft getoond. Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] volgt dat tussen de verdachte en de aangever kort na elkaar twee confrontaties hebben plaatsgevonden. De eerste confrontatie vindt plaats in het café en is te zien op camerabeelden: verdachte haalt een vuurwapen uit zijn jaszak en laat dat aan aangever [slachtoffer 1] zien. De tweede confrontatie vindt plaats nadat aangever naar buiten is gelopen om de politie te bellen en staat niet op camerabeelden: de verdachte volgt aangever [slachtoffer 1] naar buiten, plaatst het wapen tegen de kin van aangever en zegt dat hij aangever kapot gaat maken. De verdachte ontkent dat hij de verbale bedreiging heeft geuit en dat hij het wapen op de kin van de aangever heeft gezet. De rechtbank acht evenwel ook deze gedragingen, die zich buiten het bereik van een camera hebben voorgedaan, wettig en overtuigend bewezen. De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen bieden steun voor de verklaring van aangever [slachtoffer 1] dat de verdachte hem ook op deze wijze heeft bedreigd. Uit diverse verklaringen (zie ook onder feit 4) blijkt dat de verdachte die avond diverse keren met zijn handen schietbewegingen heeft gemaakt en ook andere gasten in het café met vergelijkbare woorden heeft bedreigd. Getuige [getuige] verklaart daarnaast te hebben gezien dat de verdachte het wapen uit zijn kruis pakte en doorlaadde, toen hij achter aangever [slachtoffer 1] naar buiten liep. De rechtbank ziet, gelet op wat de getuigen over de gedragingen van de verdachte die avond verklaren, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever en acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Het behoeft geen toelichting dat door de gedragingen van de verdachte bij de aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zijn leven zou kunnen verliezen, terwijl de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm dermate waren gericht op het doen ontstaan van deze vrees, dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank ook feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

5.BEWEZENVERKLARING

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht
door
- meermalen, een vuurwapen te tonen, en
- de loop van het vuurwapen tegen de kin van die [slachtoffer 1] te houden, en
- mede te delen dat hij die [slachtoffer 1] kapot ging maken;
2
omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type M906-P, kaliber 9mm P.A.K.
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
voorhanden heeft gehad;
3
omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden,
met een persoon, te weten [slachtoffer 2]
een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het onverhoeds aanraken van en tussen de billen van die [slachtoffer 2]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;
4
omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden,
[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door met zijn handen een vuurwapen uit te beelden en tegen zijn slaap te houden
en te zeggen "ik ga mensen bellen en die gaan jullie en de hele toko
neerschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Feit 3:
Opzetaanranding;
Feit 4:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit een beroep gedaan op noodweer. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake was van een dreigend gevaar van aanranding waar verdachte zich niet aan kon onttrekken en zich tegen moest verdedigen.
7.2
Standpunt van de officier
Naar het oordeel van de officier van justitie komt verdachte geen beroep op noodweer toe. Er was geen sprake van dreigend gevaar voor de verdachte. De enkele vrees is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onvoldoende.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen is niet aannemelijk geworden.
Verdachte verklaart dat hij zich in het nauw gedreven voelde door drie mannen, dat hij uit zelfverdediging het wapen heeft getoond. Uit het dossier volgt evenwel dat na de aanranding van aangeefster [slachtoffer 2] twee mannen achter verdachte zijn aangelopen, te weten aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] . De verdachte heeft in de richting van deze aangevers schietbewegingen met zijn hand gemaakt en ook een verbale bedreiging geuit. Het wapen, dat de verdachte bij zich had, heeft hij niet aan deze aangevers laten zien, maar aan aangever [slachtoffer 1] , die met de eerdere confrontatie niets te maken had. Noch uit het dossier, noch uit hetgeen de verdachte naar voren brengt, volgt dat er van aangever [slachtoffer 1] op enig moment een reële dreiging uitging. De enkele vrees voor zo’n aanranding, die mogelijk bij verdachte is ontstaan onder invloed van de middelen die hij die avond had gebruikt, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op noodweer. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Alle bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.OPLEGGING VAN STRAF

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 134 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd;
- een taakstraf van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank overgaat tot oplegging van een gevangenisstraf, het onvoorwaardelijke deel daarvan niet de duur van het voorarrest te laten overschrijden, met een deels voorwaardelijk straf zoals de reclassering adviseert. Daarnaast heeft de verdediging de rechtbank gevraagd rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het reeds ingezette traject bij E25. Om overvraging van verdachte te voorkomen wordt verzocht om een taakstraf achterwege te laten, dan wel in beperkte mate op te leggen. De verdediging vraagt voor wat betreft de bijzondere voorwaarde die ziet op middelengebruik aansluiting te zoeken bij het reclasseringsadvies en geen verbod op te leggen zoals de psycholoog heeft geadviseerd, maar enkel controle daarop. Tot slot vraagt de verdediging in de strafmaat mee te wegen dat er geen sprake was van een vuurwapen, maar een gaspistool.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
8.3.1
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd
De verdachte heeft zich op 10-11 januari 2025 allereerst schuldig gemaakt aan opzetaanranding. Hij heeft hiermee een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijk integriteit van aangeefster. Verdachte is voorbij gegaan aan de gevolgen van zijn handelen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. De rechtbank rekent hem dit aan.
Toen de verdachte hierop werd aangesproken, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht. Bij een van deze bedreigingen heeft hij zelfs een wapen op de kin van het slachtoffer gezet. Dit zijn ernstige feiten die flinke impact op het leven van de slachtoffers hebben. De verdachte heeft met zijn handelen niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, maar hen ook vrees aangejaagd en hun gevoel van veiligheid aangetast. Dit blijkt ook uit de toelichting van de benadeelde partij op zitting, inhoudende dat hij nog maanden last heeft gehad van nachtmerries en herbelevingen. De bedreiging vond plaats in een kroeg. Ook andere gasten zijn hier deels getuige van geweest. Doodsbedreigingen zorgen voor gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder, maar ook bij de getuigen daarvan en in de samenleving in het algemeen. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk.
Verdachte heeft zich met het voorgaande ook schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. Het aanwezig hebben van een vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de maatschappij. Dat het om een gaspistool ging doet daar niet aan af. Een dergelijk vuurwapen is niet van echt te onderscheiden en zoals door de deskundige is vastgesteld kan het gebruik daarvan ook tot zeer ernstige gevolgen leiden.
8.3.2
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.
Rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro-Justitia rapport van klinisch psycholoog drs. R.A. Delput, gedateerd 2 mei 2025, en de reclasseringsrapporten, gedateerd 13 januari 2025, 11 februari 2025 en 18 december 2025.
Het rapport van de psycholoog houdt onder meer het volgende in:
Bij verdachte zijn diverse stoornissen vastgesteld. Allereerst is sprake van een stoornis in cannabisgebruik, daarnaast heeft verdachte een gokstoornis en ook een stoornis in het gebruik van lachgas. Daarnaast speelt er persoonlijkheidsproblematiek, maar geen persoonlijkheidsstoornis. Ook kampt verdachte met terugkerende psychotische episodes die waarschijnlijk het gevolg zijn van middelengebruik.
Ten tijde van het ten laste gelegde feit was de verdachte onder invloed van drugs en een grote hoeveelheid alcohol. Er is onvoldoende aanleiding om van een psychotische episode te kunnen spreken. De aanzet tot de ten laste gelegde feiten werd waarschijnlijk ingegeven door de gevolgen van een alcoholintoxicatie. De psycholoog acht het aannemelijk dat dit tot een sterk verminderd oordeelsvermogen heeft geleid en een verminderd vermogen zijn impulsen te remmen. Omdat de alcoholintoxicatie onderdeel uitmaakt van c.q. een functie heeft in de bredere psychische problematiek en middelenproblematiek van verdachte, adviseert de deskundige om de tenlastegelegde feiten 1, 3 en 4 verminderd aan verdachte toe te rekenen. De deskundige vermoedt dat feit 2 terug te voeren is op de problematische persoonlijkheidskenmerken van de verdachte. Omdat de informatie voortkomend uit het persoonlijkheidsonderzoek wat onduidelijk en deels incongruent is, onthoudt de deskundige zich wat betreft feit 2 van een advies tot toerekening. De deskundige adviseert een (deels) voorwaardelijk straf, met ambulante forensische zorg, gericht op middelengebruik, en een middelenverbod als bijzondere voorwaarden.
De rapporten van de reclassering houden onder meer het volgende in:
De reclassering ziet bij verdachte instabiliteit op verschillende leefgebieden. Verdachte heeft geen dagbesteding, er is sprake van schuldenproblematiek en instabiliteit gericht op zijn psychosociaal functioneren. De verdachte wordt omschreven als een kwetsbare jongeman met een belast verleden. De reclassering merkt op dat er bij verdachte vooral sprake lijkt te zijn van externe motivatie vanwege het strafrechtelijk kader. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat op gemiddeld. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering benadrukt het belang van stabiliteit en structuur om de kans op herhaling te beperken. In het kader daarvan wordt een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht noodzakelijk geacht, waarbij het toezicht moet zien op het aanbrengen van structuur, het terugdringen van het middelengebruik en het verbeteren van het psychosociaal functioneren van verdachte. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding, meewerken aan middelencontrole, ambulante begeleiding door E25 en een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname).
Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte het reeds ingezette traject bij E25 toegelicht. Verdachte kan op korte termijn aan het werk bij een vestiging in Utrecht en is gemotiveerd om daar aan de slag te gaan. Dit zal bijdragen aan de structuur, het vinden van dagbesteding en het krijgen van een baan.
8.3.3
Conclusie
Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door haar bevindingen en door hetgeen overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies in zoverre over dat de verdachte voor wat betreft de feiten 1, 3 en 4 in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.
Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen en acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Gelet op de ernst van het feiten is een gevangenisstraf voor de duur van meerdere maanden op zijn plaats. Alleen al voor bedreiging met een vuurwapen pleegt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden onvoorwaardelijk te worden opgelegd. Echter, op basis van het advies van de reclassering en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met een fors voorwaardelijk deel als stok achter de deur. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte zo snel mogelijk wordt geholpen bij zijn middelenproblematiek en wordt begeleid bij het aanbrengen van structuur en stabiliteit in zijn leven. Verdachte is het goede pad ingeslagen en het begeleidingstraject van E25 is een mogelijkheid die niet onbenut kan blijven. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject frustreren. Verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis. Het voorwaardelijk deel dient enerzijds als waarschuwing, maar biedt verdachte anderzijds ook de kans om in de toekomst andere keuzes te maken.
De verdediging heeft verzocht een taakstraf achterwege te laten, dan wel in beperkte mate op te leggen. Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank daar geen ruimte voor. De rechtbank zal, zoals door de officier van justitie geëist, naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf opleggen.
De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie en zal de verdachte opleggen:
een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest (van 46 dagen), waarvan 134 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf van 100 uren.

9.IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het wapen en de munitie die in beslag zijn genomen, worden onttrokken aan het verkeer.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd.
9.3
Beoordeling
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer, te weten:
  • 1 STK Munitie (PL0900-2025010760-3465442);
  • 1 STK Wapen (PL0900-2025010760-3465607);
  • 1 STK Wapen (PL0900-2025010760-3465608);
  • 1STK Verdovende middelen (PL0900-2025010760-3465438).
De in beslag genomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Met deze voorwerpen is het strafbare feit begaan en de voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10.VOORLOPIGE HECHTENIS

De rechtbank zal het tegen verdachte verleende (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen.

11.BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 bewezen verklaarde feit.
11.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
11.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt niet-ontvankelijkheid van de vordering omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Alleen in zeer ernstige gevallen kan gelet op de aard en de ernst van de normschending worden aangenomen dat schade is ontstaan. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van, temeer nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit voor het onderdeel dat ziet op het wapen in het gezicht drukken. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank het bedrag sterk te matigen.
11.3
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat als gevolg van het strafbare feit psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. In bepaalde gevallen ligt het zo voor de hand dat de benadeelde in de persoon is aangetast, gezien de aard en de ernst van de normschending, dat het onderbouwen van die gevolgen niet nodig is voor het aanvaarden van een aanspraak op immateriële schade.
Naar het oordeel van de rechtbank is van dat laatste sprake. De verdachte heeft de benadeelde partij onder meer bedreigd door hem een wapen op de kin te zetten. Gelet op de aard en de ernst van deze normschending, en de onderbouwing van de vordering, liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand dat een nadere onderbouwing niet nodig is.
Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare zaken. De rechtbank zal de schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.000,00. De vordering zal geheel worden toegewezen.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 januari 2025 tot de dag dat de verdacht de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.000,00 aan de Staat moet betalen. De bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig)betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

12.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen:
  • 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f, 57, 241 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13.BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 134 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
Als voorwaarden gelden dat verdachte:
  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:
  • zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij reclassering Inforsa op het adres Wittevrouwenkade 6 te Utrecht zal melden. Verdachte blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • zich inspant gedurende de proeftijd voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
  • gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te monitoren. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
  • zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door E25 zorg en welzijn of een soortgelijke organisatie, te bepalen door de reclassering. De begeleiding richt zich voornamelijk op praktische ondersteuning en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich gedurende het traject aan de aanwijzingen die E25 geeft gericht op begeleiding en ondersteuning;
  • zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duur de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
  • 1 STK Munitie (PL0900-2025010760-3465442);
  • 1 STK Wapen (PL0900-2025010760-3465607);
  • 1 STK Wapen (PL0900-2025010760-3465608);
  • 1STK Verdovende middelen (PL0900-2025010760-3465438);
Benadeelde partij – feit 1
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] geheel toe tot een bedrag van € 1.000,00;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 20 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R. Kroonbergs, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden, in elk
geval in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen te tonen, en/of
- de loop van het vuurwapen tegen de kin van die [slachtoffer 1] te houden, en/of
- mede te delen dat hij die [slachtoffer 1] kapot ging maken, althans woorden van
gelijke dreigende aard en/of strekking;
2
hij op of omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden, in elk
geval in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type M906-P, kaliber 9mm P.A.K.
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad
3
hij op of omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden, in elk
geval in Nederland
met een persoon, te weten [slachtoffer 2]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds aanraken van en/of tussen de billen en/of te grijpen naar en/of
tussen de billen van die [slachtoffer 2]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak
4
hij in of omstreeks 10 januari 2025 tot en met 11 januari 2025 te Woerden, in elk
geval in Nederland
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met zijn handen een vuurwapen uit te beelden en tegen zijn slaap te houden
en/of te zeggen "ik ga mensen bellen en die gaan jullie en de hele toko
neerschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van (i) 13 januari 2025, genummerd PL0900-2025010848, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 152 (hierna PV VGL) en (ii) 20 januari 2025, genummerd PL0900-2025010760, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 43 (hierna PV RDK). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren
2.Pagina 14 t/m 16 van PV VGL
3.Pagina 12 t/m 38 van PV RDK (pagina 24-26)
4.Pagina 19 t/m 22 van PV VGL
5.Pagina 7 t/m 10 van PV RDK
6.Pagina 19 t/m 22 van PV VGL
7.Pagina 12 t/m 38 van PV RDK (pagina 27-28)
8.Pagina 11 t/m 13 van PV VGL
9.Pagina 12 t/m 38 van PV RDK (pagina 30-31)
10.Pagina 23 t/m 24 van PV VGL