Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1094

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3417
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek urenbeperking in WIA-uitkeringszaak

Eiser is arbeidsongeschikt verklaard met een percentage van 37,03% en heeft een WIA-uitkering ontvangen. Hij betwist het besluit van het UWV en voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, met name over de urenbeperking die in het contra-expertiserapport wordt aangenomen.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV heeft de beperkingen ten aanzien van staan, lopen en sociaal functioneren gemotiveerd betwist. De rechtbank volgt deze motivering en wijst de bezwaren op deze punten af. Echter, ten aanzien van de urenbeperking is de motivering van het UWV onvoldoende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet concreet toegelicht waarom de urenbeperking uit het contra-expertiserapport wordt betwist, wat leidt tot een motiveringsgebrek.

De rechtbank geeft het UWV de gelegenheid om binnen zes weken het gebrek te herstellen door een aanvullende motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. Het UWV moet binnen twee weken aangeven of het van deze mogelijkheid gebruik maakt. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak is geen hoger beroep mogelijk, maar wel gelijktijdig met de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank constateert een motiveringsgebrek in het UWV-besluit over de urenbeperking en geeft het UWV zes weken de gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3417

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Hoogeveen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Roy van Zuydewijn)

Inleiding

1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van
30 april 2025 waarin het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser heeft vastgesteld op 37,03% en waarin eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegewezen heeft gekregen.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2.1
Eiser is op 9 juni 2022 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als [functie] bij [bedrijf] B.V. vanwege klachten aan beide knieën.
2.2
Na de wachttijd van 104 weken heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft met het besluit van 5 juni 2024 (het primaire besluit) de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft daarbij een rapport van een contra-expert overgelegd.
2.3
Na heroverweging heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functieselectie gedaan en is tot een arbeidsongeschiktheidspercentage gekomen van 37,03%. Met het besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv daarom het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 37,03% en heeft eiser een WIA-uitkering toegewezen gekregen.
2.4
Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Hoe toetst de rechtbank?

3.1
Bij de beoordeling van deze zaak moet de rechtbank bekijken of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Daarbij is het zo dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten voldoende begrijpelijk zijn.
3.2
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiser aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de hiervoor genoemde drie voorwaarden voldoen, of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. Dat betekent dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, niet voldoende is om aan te nemen dat een medische beoordeling onjuist is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De medische beoordeling
4.1
Eiser voert aan dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een onjuiste vertaalslag gemaakt van de klachten van eiser naar zijn belastbaarheid en daardoor is ook de functionele mogelijkhedenlijst niet juist opgesteld. Eiser verwijst hierbij naar het door hem in de bezwaarfase overgelegde rapport (het contra-expertiserapport) van een verzekeringsarts die in opdracht van eiser een contra-expertise heeft uitgevoerd. De resultaten in dat rapport zijn sterk conflicterend met de resultaten en de belastbaarheid zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De conflicterende resultaten in het contra-expertiserapport zijn volgens eiser bovendien reden om een medisch-deskundige in te schakelen en verzoekt de rechtbank dan ook dat te doen.
Beperkingen ten aanzien van staan en lopen en sociaal functioneren
4.2
In het contra-expertiserapport komt de verzekeringsarts tot een andere belastbaarheid van eiser en worden verschillende aanvullende beperkingen aangenomen. Zo is eiser volgens de contra-expert meer beperkt ten aanzien van staan en lopen, hij moet namelijk lopen met behulp van krukken. Voor wat betreft sociaal functioneren is eiser beperkt op het gebied van lezen wegens dyslexie, beperkt in het uiten van zijn gevoelens en beperkt in het omgaan met conflicten wegens een stemmingsstoornis met onder andere stressgerelateerde klachten. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met deze beperkingen.
4.3
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de medische rapportage van
31 maart 2025 op de conflicterende resultaten gereageerd. Ten aanzien van de beperking ten aanzien van lezen wegens dyslexie wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat eiser 7 jaar een eigen onderneming heeft gehad en na het speciaal onderwijs meerdere vakdiploma’s en certificaten heeft behaald, ondanks de dyslexie. Een beperking ten aanzien van lezen is derhalve volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan de orde. Daarnaast zijn de beperkingen ten aanzien van het uiten van gevoelens, het omgaan met conflicten en de noodzaak tot een prikkelarme omgeving volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet medisch objectiveerbaar. Zowel tijdens het telefonisch spreekuur, als het medisch onderzoek op 19 november 2024 en het medisch spreekuur op
11 maart 2025 zijn er namelijk geen aanwijzingen gevonden voor een psychische stoornis. De stemmingsklachten imponeren als acceptatieproblematiek behandeld na de datum in geding. Ook is er geen sprake geweest van behandeling in de Specialistische Geestelijke Gezondheidszorg. Ook nadere beperkingen ten aanzien van staan en lopen neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan omdat er geen sprake is van functiebeperkingen van de knieën, geen roodheid, zwelling, geen drukpijn over de gewrichtsspleet en geen retropatellaire crepitaties. Het gebruik van krukken is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook niet nodig.
4.4
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpelijk en concreet heeft gemotiveerd waarom hij de aanvullende beperkingen ten aanzien van staan en lopen en sociaal functioneren uit het contra-expertiserapport betwist. Zo licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk toe op basis van waarvan hij tot een andere conclusie komt dan de contra-expert. Het rapport bevat geen tegenstrijdigheden en de rechtbank kan het medisch oordeel volgen. Eiser heeft geen nadere medische stukken ingebracht om hiermee het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weerleggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Urenbeperking
5.1
Verder voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. In het contra-expertiserapport wordt namelijk wel een urenbeperking aangenomen van 4 uur per dag, incidenteel 5 uur, op grond van een te groot energieverbruik en onvoldoende recuperatie als gevolg van een slaapprobleem, welke zijn oorzaak vindt in chronische pijn door ziekte waarvoor onder andere oxycodon wordt gebruikt. Eiser heeft hierover ter zitting verder toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich ten onrechte heeft gebaseerd op het dagverhaal zoals dat is gerapporteerd door de primaire verzekeringsarts, terwijl juist dat onderzoek volgens eiser onzorgvuldig is geweest omdat eiser slechts kort (5-10 minuten) telefonisch is onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet gemotiveerd hoe het punt van de urenbeperking en de energiehuishouding van eiser in het contra-expertiserapport wordt betwist.
5.2
In de medische rapportage van 31 maart 2025 licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe dat er op basis van het dagverhaal geen indicaties zijn om een urenbeperking aan te nemen. Er is namelijk geen sprake van een beperkte energiehuishouding als gevolg van een ernstige fysieke of psychische aandoening in de zin van hart- of longfalen of een ernstige depressie. Ook is er geen sprake van beperkte beschikbaarheid vanwege behandelingen die meerdere dagdelen in beslag nemen.
5.3
Ter zitting heeft het Uwv desgevraagd toegelicht dat niet alleen het dagverhaal uit de primaire fase onderliggend is geweest aan de beoordeling of een urenbeperking aan de orde moet zijn, maar dat het gehele dossier daarin is betrokken. Inclusief de resultaten van het eigen onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de beschikbare medische informatie van eiser zoals van de bedrijfsarts. Op basis daarvan is volgens het Uwv een urenbeperking niet medisch objectiveerbaar.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd op basis waarvan de urenbeperking zoals aangenomen in het contra-expertiserapport wordt betwist. Daartoe overweegt de rechtbank dat het Uwv, noch in de medische rapportage van 31 maart 2025, noch op de zitting, concreet is ingegaan op de beperkte energiehuishouding en dagelijkse rustbehoefte van eiser in verband met de chronische pijnklachten. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich (ook) heeft gebaseerd op het in de primaire fase telefonisch verkregen dagverhaal van eiser en dat dit dagverhaal, zoals gerapporteerd in het medisch onderzoeksverslag van 31 mei 2024, behoorlijk afwijkt van het dagverhaal zoals gerapporteerd in het contra-expertiserapport. Zo rapporteert de verzekeringsarts in het contra-expertiserapport dat eiser last heeft van vermoeidheid door chronische pijnklachten en slecht slapen en dat eiser 2 tot 3 uur rust/slaap nodig heeft per dag, terwijl de primaire verzekeringsarts van het Uwv geen punten ten aanzien van vermoeidheid of rustbehoefte heeft opgenomen. Daar komt bij dat het Uwv niet heeft toegelicht waarom in de primaire fase van een fysiek spreekuur is afgezien, terwijl dat wel op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep had gelegen. [1] Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich zonder nadere duiding heeft gebaseerd op dat dagverhaal en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de stelling dat een urenbeperking niet medisch objectiveerbaar is, verder niet concreet heeft onderbouwd, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een motiveringsgebrek.

Hoe nu verder?

6.1
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. [2] De rechtbank doet dan een tussenuitspraak. [3] De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
6.2
Om het gebrek te herstellen moet het Uwv motiveren op basis waarvan de urenbeperking zoals aangenomen in het contra-expertiserapport wordt betwist. Als de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich daarbij baseert op het dagverhaal van eiser, en dat dagverhaal wijkt af van het dagverhaal zoals gerapporteerd in het contra-expertiserapport, dient te worden gemotiveerd hoe die verschillen moeten worden geïnterpreteerd of waarom die verschillen geen invloed hebben op de beoordeling van de urenbeperking. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.3
Het Uwv moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. [4] Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. [5] In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. [6]
6.4
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:485.
2.Artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:80a van de Awb.
4.Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 8:51b, derde lid, van de Awb.
6.Artikel 8:57, tweede lid, van de Awb.