Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het telen van hennepplanten, diefstal van stroom en vernieling van eigendommen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 december 2025, waarna de rechtbank op 7 januari 2026 uitspraak deed. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van drie feiten: het telen van 535 hennepplanten, het stelen van stroom van Liander N.V., en het vernielen van eigendommen van een benadeelde partij. De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens overschrijding van de redelijke termijn van vervolging, wat door de rechtbank werd erkend. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn met meer dan zeven jaar was overschreden, maar dat dit niet automatisch leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Wel werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het derde feit, omdat dit feit was verjaard. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de feiten 1 en 2, omdat deze niet bewezen konden worden. De benadeelde partij, die schadevergoeding vorderde, werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat de verdachte was vrijgesproken van de feiten waarvoor schadevergoeding werd gevorderd. De rechtbank bepaalde dat de benadeelde partij de proceskosten moest vergoeden, maar deze werden op nihil vastgesteld.