ECLI:NL:RBMNE:2026:1103

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 259 RvArt. 143 lid 2 RvArt. 66 RvArt. 119 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schorsing executie verstekvonnis in kort geding inzake woningontruiming

In deze verzetprocedure in kort geding is de executie van een verstekvonnis in een bodemprocedure geschorst. De verhuurder, [partij 1], vorderde vernietiging van het verstekvonnis in kort geding om de woning sneller te kunnen ontruimen. De kantonrechter stelde vast dat het verzet van [partij 1] tijdig en ontvankelijk was.

De dagvaarding van de huurders, [partij 2-I] en [partij 2-II], werd niet nietig verklaard. De kantonrechter voerde een belangenafweging uit waarbij het belang van de huurders om in de woning te blijven zwaarder woog dan het financiële belang van de verhuurder bij ontruiming. De verhuurder had het risico genomen de woning opnieuw te verhuren terwijl de huurders verzet hadden aangekondigd.

De kantonrechter bekrachtigde het verstekvonnis in kort geding en schorste de executie van het bodemvonnis totdat op het verzet in de bodemprocedure is beslist. De huurders moeten de lopende huur blijven betalen. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.

Uitkomst: De executie van het bodemvonnis tot ontruiming wordt geschorst en het verzet van de verhuurder wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12122734 \ UV EXPL 26-47 WMB/61313
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[partij 1] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. J. Bouter,
tegen

1.[partij 2-I] ,

2.
[partij 2-II],
beide wonend in [plaats 2] ,
verwerende partijen in het verzet,
oorspronkelijk eisende partijen,
hierna gezamenlijk en apart te noemen: [partij 2-I] en [partij 2-II] ,
gemachtigde: mr. G. Gabrelian.

1.De procedure

1.1.
Op 25 februari 2026 is tussen partijen een verstekvonnis gewezen in het kort geding met zaaknummer 12112583 UV 26-40. Op 3 maart 2026 heeft [partij 1] een verzetdagvaarding met producties in kort geding aan [partij 2-I] en [partij 2-II] betekend, die aan te merken is als conclusie van antwoord. Op 4 maart 2026 hebben [partij 2-I] en [partij 2-II] producties ingediend. De mondelinge behandeling vond plaats op 5 maart 2026. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Namens [partij 1] is mr. Bouter verschenen. Ook [partij 2-I] is verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. [A] , waarnemer voor mr. Gabrelian, die mede namens [partij 2-II] het woord heeft gevoerd. [partij 2-II] is zelf niet verschenen. Daarnaast waren mevrouw I. Toufexes, een tolk in de Griekse taal, en mevrouw [B] , buurvrouw van [partij 2-I] en [partij 2-II] , aanwezig. Beide gemachtigden hebben tijdens de zitting een pleitnota gebruikt. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[partij 2-I] en [partij 2-II] zijn bij verstekvonnis van 21 januari 2026 (in de bodemprocedure met zaaknummer 12001451 UC EXPL 25-9835) veroordeeld om de woning die zij van [partij 1] huren aan de [adres] in [plaats 2] , te ontruimen. In het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026 is de executie van het vonnis in de bodemprocedure geschorst, totdat in het verzet in de bodemprocedure is beslist. [partij 1] wil dat het verstekvonnis in kort geding wordt vernietigd en de vorderingen van [partij 2-I] en [partij 2-II] alsnog worden afgewezen, zodat zij de woning op korte termijn kan (laten) ontruimen. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026.

3.De beoordeling

[partij 1] is op tijd in verzet gekomen
3.1.
De kantonrechter stelt vast dat [partij 1] op tijd en op de juiste wijze verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis in kort geding van 24 februari 2026. [1] [partij 1] kan daarom in zoverre in haar verzet worden ontvangen.
De door [partij 2-I] en [partij 2-II] in kort geding uitgebrachte dagvaarding is niet nietig
3.2.
Voordat inhoudelijk op de beoordeling van de zaak wordt ingegaan, stelt de kantonrechter vast dat de door [partij 2-I] en [partij 2-II] in kort geding uitgebrachte dagvaarding niet nietig is. Anders dan [partij 1] heeft betoogd, is niet gebleken dat die dagvaarding onjuist is betekend. [2] Aan [partij 2-I] en [partij 2-II] is verlof verleend om [partij 1] op verkorte termijn te dagvaarden en zij heeft dat binnen de verleende termijn gedaan. [3] Uit de stellingen van [partij 1] volgt dat de dagvaarding op het juiste adres is betekend en dat haar gemachtigde bovendien per e-mail op de hoogte is gesteld van de kortgedingaanvraag en de inhoud van de (concept)dagvaarding. Van een gebrek in de dagvaarding dat nietigheid met zich meebrengt, was dus geen sprake. [4] Voor zover daarvan overigens wel sprake zou zijn geweest, heeft [partij 1] in deze verzetprocedure haar standpunt alsnog naar voren kunnen brengen en is zij door de verstekverlening niet onredelijk in haar belangen geschaad. [5] De kantonrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis
3.3.
Het gaat hier om een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv Pro. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van [partij 1] , van wie de vordering door de kantonrechter is toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Afwijking van dit uitgangspunt kan aan de orde zijn als er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [partij 2-I] en [partij 2-II] bij behoud van de bestaande toestand (dus: achterwege laten van de ontruiming) zolang niet op het door hen ingestelde verzet is beslist, , zwaarder weegt dan het belang van [partij 1] bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – ontruiming. Bij deze belangenafweging moet, behalve als sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de beslissing van de kantonrechter en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het ingestelde verzet in beginsel buiten beschouwing.
3.4.
Anders dan [partij 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, heeft de kantonrechter in de bodemprocedure geen gemotiveerd oordeel gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Om die reden moet ervan uit worden gegaan dat voormelde belangenafweging nog niet heeft plaatsgevonden en voor een andere beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad plaats is, als in dit kort geding door [partij 2-I] en [partij 2-II] feiten en omstandigheden aan de vordering ten grondslag zijn gelegd die bij de door de kantonrechter gegeven beslissing niet in aanmerking zijn genomen, omdat [partij 2-I] en [partij 2-II] van de gevoerde bodemprocedure niet op de hoogte waren. [6]
3.5.
Bij de beoordeling in het verstekvonnis in kort geding is de kantonrechter uitgegaan van de stelling van [partij 2-I] en [partij 2-II] dat [partij 1] uitsluitend een financieel belang heeft bij de ontruiming. Uit de stellingen van [partij 1] blijkt dat dat inderdaad het geval is. [partij 1] heeft namelijk uitgelegd dat zij de woning wil ontruimen, omdat zij (nogmaals) met een nieuwe huurder heeft gecontracteerd. Anders dan [partij 1] heeft betoogd, is het niet zo dat het woonbelang van haar nieuwe huurder als haar eigen belang geldt. Het enige belang dat [partij 1] zelf heeft bij de ontruiming op korte termijn, is dat zij haar nieuwe huurder mogelijk een schadevergoeding moet betalen als zij de woning niet op tijd ter beschikking kan stellen. [partij 1] heeft zelf het risico genomen om het gehuurde opnieuw te verhuren, terwijl zij weet dat [partij 2-I] en [partij 2-II] in het gehuurde wensen te blijven wonen en hebben aangekondigd in verzet te gaan tegen het verstekvonnis. [partij 1] heeft geen zwaarwegende redenen genoemd die maken dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de verzetprocedure afwacht. In het licht van alle feiten en omstandigheden weegt het belang van [partij 2-I] en [partij 2-II] om in de woning te kunnen blijven totdat in de verzetprocedure is beslist, zwaarder dan het belang van [partij 1] . Zij beschikken niet over een alternatieve woonplek en zullen op straat komen te staan. De gevolgen van een ontruiming zijn onomkeerbaar en berokkenen [partij 2-I] en [partij 2-II] veel schade.
3.6.
Nu de balans doorslaat naar [partij 2-I] en [partij 2-II] , zal kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigen. De executie van het vonnis van 21 januari 2026 blijft dus geschorst, totdat op het verzet in de bodemprocedure is beslist. Het spreekt voor zich dat [partij 2-I] en [partij 2-II] de lopende huur moeten blijven betalen.
[partij 1] moet de proceskosten van [partij 2-I] en [partij 2-II] in de verzetprocedure betalen
3.7.
[partij 1] is in dit kort geding in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, voor zover die zien op de verzetprocedure. De proceskosten van [partij 2-I] en [partij 2-II] voor wat betreft de verzetprocedure worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). De kosten voor de verstekprocedure in kort geding zijn in het verstekvonnis van 24 februari 2026 tussen partijen gecompenseerd. Die beslissing zal de kantonrechter bekrachtigen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart het verzet ongegrond en bekrachtigt het verstekvonnis van 24 februari 2026 (met zaaknummer 12112583 UV 26-40) voor wat betreft de volgende belissingen:
2.1
schorst de executie van het vonnis van de kantonrechter Utrecht van 21 januari 2026 met kenmerk 12001451 UC EXPL 25-9835, totdat in de procedure in verzet tussen partijen in deze kwestie is beslist, onder de voorwaarde dat de lopende huur vanaf de maand maart 2026 tijdig en volledig wordt betaald door eisers aan [partij 1] ;
2.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.3
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
4.2.
veroordeelt [partij 1] in de kosten van de verzetprocedure in kort geding aan de zijde van [partij 2-I] en [partij 2-II] begroot op € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 259 jo Pro. 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV).
2.Zoals bedoeld in artikel 66 Rv Pro.
3.Op grond van artikel 119 Rv Pro.
4.In de zin van artikel 121 Rv Pro.
5.Zoals bedoel in artikel 66 en Pro 122 Rv.
6.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.