ECLI:NL:RBMNE:2026:1104

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/16/603188 / KG ZA 25-589
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.8 Aanbestedingswet 2012Art. 1.9 Aanbestedingswet 2012Art. 2.130 Aanbestedingswet 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering heraanbesteding wegens ontbreken ongelijk speelveld bij evaluatiesoftware aanbesteding

De HU organiseerde een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor evaluatiesoftware, waarbij eiseres als tweede eindigde achter de zittende leverancier. Eiseres stelde dat er sprake was van een ongelijk speelveld door kennisvoorsprong van de zittende leverancier, wat in strijd zou zijn met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel. Zij vorderde heraanbesteding en intrekking van de gunningsbeslissing.

De voorzieningenrechter beoordeelde de procedure en het toetsingskader van de Aanbestedingswet 2012, met name de artikelen 1.8 en 1.9, die gelijke behandeling en transparantie voorschrijven. De rechter concludeerde dat een kennisvoorsprong niet zonder meer onrechtmatig is, tenzij deze de mededinging vervalst of uitschakelt. De aanbestedingsstukken, waaronder de Aanvraag tot inschrijving en het Programma van Eisen, waren voor alle inschrijvers gelijk en boden ruimte voor onderscheidende aanbiedingen.

De rechter onderzocht per processtap (inregelen en voorbereiden, afname van de evaluatie, rapportage, beheren en archiveren) de stellingen van eiseres over een ongelijk speelveld. Geen van de punten toonde een zodanige kennisvoorsprong of voorkennis van de zittende leverancier die de mededinging vervalste. Ook de beoordeling van het bieden van meerwaarde was transparant en gelijk voor alle inschrijvers. De vorderingen van eiseres werden daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens ontbreken van een ongelijk speelveld en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/603188 / KG ZA 25-589
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. I.J.M.I. Souren,
tegen
HOGESCHOOL UTRECHT,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
advocaat: mr. W.J.W. Engelhart en mr. K.F. Carbaat.
Partijen zullen hierna [eiseres] en de HU worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord, met bijlagen;
- de akte van [eiseres] van 18 februari 2026, met bijlagen;
- de pleitnota van [eiseres] ; en
- de pleitnota van de HU.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 24 februari 2026. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eiseres] de heer [A] , directeur van [eiseres] , en de heer [B] , technical director bij [eiseres] , bijgestaan door mr. Souren aanwezig. Namens de HU was mevrouw [C] , [functie] bij de HU, samen met
mr. Engelhart en mr. Carbaat aanwezig. Door en namens partijen zijn de standpunten, mede aan de hand van spreekaantekeningen, verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna volgt dit vonnis.

2.De kern

De HU heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de levering van evaluatiesoftware (hierna: de Opdracht). [eiseres] is daarbij als tweede geëindigd. Volgens [eiseres] is er sprake van een ongelijk speelveld door een kennisvoorsprong van de zittende leverancier en tevens winnaar van de onderhavige aanbesteding. Ondanks de door haar in de Nota van Inlichtingen gestelde vragen is die kennisvoorsprong volgens [eiseres] in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel door de HU onvoldoende opgeheven. [eiseres] vordert een heraanbesteding indien de HU de Opdracht nog wenst te verstrekken. Omdat van een ongelijk speelveld niet is gebleken worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.

3.De achtergrond

3.1.
De HU heeft de onder 2 genoemde aanbestedingsprocedure uitgewerkt in de Aanvraag tot inschrijving (hierna: Ati). Het Programma van Eisen (hierna: PvE) bevat daarnaast de minimale eisen waaraan het te leveren systeem moet voldoen. In paragraaf 2.1.3 van de Ati is de Opdracht als volgt nader omschreven:
“De Opdracht is het leveren van software voor kort cyclisch evalueren binnen het onderwijs volgens de PDCA cyclus. Het betreft een HU-breed evaluatiesysteem, dat voldoet aan de randvoorwaarde dat het aansluit bij het HU-Kwaliteitszorgsysteem en het mogelijk moet zijn om te koppelen aan de HU-onderwijsvolgsystemen (momenteel Osiris). Het algemeen beheer (opzetorganisatiestructuur, gebruikersbeheer, algemene mailteksten, algemene vragenlijsten, et cetera) ligt bij de HU-dienst OO&S. De software wordt decentraal (lokale mailteksten, lokale vragenlijsten, opzetten / uitzetten evaluaties, etc.) ingericht door de opleidingen.”
3.2.
Uit paragraaf 8.1 van de Ati volgt dat de HU ter bepaling van de economische meest voordelige inschrijving de inschrijvingen heeft beoordeeld op basis van het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitsverhouding. Voor het sub-gunningscriterium prijs kon een inschrijver 25 punten behalen. Voor het sub-gunningscriterium kwaliteit waren 75
punten te behalen. Het sub-gunningscriterium kwaliteit is vervolgens beoordeeld aan de hand van vier processtappen, te weten:
inregelen en voorbereiden;
afname van de evaluatie;
rapportage; en
beheren en archiveren.
3.3.
In paragraaf 8.1.2. van de Ati is per processtap met bulletpoints aangegeven welke onderwerpen inschrijvers daarbij moesten behandelen. Bij elke processtap is als laatste bullet uitgevraagd welke “meerwaarde” inschrijvers konden bieden met betrekking tot de betreffende processtap.
3.4.
De beoordeling van de inschrijvingen is gedaan door middel van een demonstratie aan de beoordelingscommissie van het door een inschrijver aangeboden systeem. De demonstratie moest per processtap worden ingericht, waarbij alle uitgevraagde onderdelen (bullets) per processtap moesten worden behandeld en waarbij de demonstratie tevens aan de volgende in paragraaf 2.1.4 van de Ati beschreven criteria diende te voldoen:
volledigheid;
gebruiksgemak;
aansluiten bij verwachtingen van de beoordelaar en ondersteuning in diens
werkpraktijk; en
4. bijdragen aan het realiseren van de beoogde doelstelling van de HU.
3.5.
De beoordelingscommissie bestond uit minimaal 8 beoordelaars vanuit verschillende organisatieonderdelen van de HU, zoals kwaliteitsadviseurs, docenten, functioneel beheerders, ICT specialisten, beleidsadviseurs en administratieve gebruikers, waarbij iedere beoordelaar beoordeelde vanuit zijn eigen werkpraktijk, expertise en ervaring.
3.6.
Uit paragraaf 8.1.1 van de Ati volgt dat de beoordeling van het sub-gunningscriterium prijs aan de hand van een prijzenblad heeft plaatsgevonden. De prijs is aan de hand van een vaste formule beoordeeld en betreft daarmee een absolute en dus geen relatieve beoordeling.
3.7.
In de Nota van Inlichtingen (hierna: NvI) heeft de HU aangegeven dat zij het
in te kopen systeem niet wenste te vergelijken met de huidige situatie, maar elk
systeem apart op zijn merites wenste te beoordelen. De HU heeft daarin ook aangegeven de beoordelingscommissie zodanig te hebben samengesteld dat deze tevens bestaat uit beoordelaars die geen of beperkte ervaring hebben met het systeem dat de HU op dit moment gebruikt. Zij heeft toegelicht dit op deze wijze te hebben vormgegeven om de objectiviteit van de beoordeling te waarborgen. Het voorgaande volgt onder andere uit de antwoorden op de vragen 17, 18, 21 ,29 en 30 en luidt als volgt:
“Het uitgangspunt is om de processtap per aanbieder te beoordelen op basis van de eigen merites, zonder deze te willen vergelijken met de huidige situatie. Een schets van de bestaande werkwijze zou te veel richting geven aan de onderdelen die een aanbieder in deze stap zou moeten tonen. Voor elk van de onderdelen die in deze stap worden genoemd - en die logischerwijs ook deel uitmaken van het huidige proces - beoordelen we hoe eenvoudig en intuïtief deze te realiseren zijn.
Het beoordelingsteam is breed samengesteld en bestaat deels uit gebruikers van de huidige applicatie en deels uit functionarissen die geen directe gebruikers zijn. Hoewel niet alle beoordelaars ervaring hebben met de huidige applicatie, beschikken zij wel over de benodigde kennis om te kunnen beoordelen waaraan evaluatiesoftware voor de HU moet voldoen. Deze samenstelling is een bewuste keuze, mede om de objectiviteit van de beoordeling te waarborgen.
De minimale vereisten voor deze processtap zijn vastgelegd. De aanvullende, voor HU relevante, mogelijkheden die een app biedt - zoals bruikbare extra mogelijkheden of het gebruiksgemak bij het uitvoeren van zowel de verplichte als optionele onderdelen - kunnen worden getoond. Het is aan de aanbieder om aan te geven waar hun app in deze stap een duidelijke meerwaarde kan leveren.”
3.8.
Bij brief van 31 oktober 2025 bericht de HU aan [eiseres] dat de Opdracht niet aan haar wordt gegund en dat zij als tweede is geëindigd achter de winnaar en huidig opdrachtnemer [onderneming] . Naar aanleiding van deze brief heeft [eiseres] een klacht ingediend bij het klachtenmeldpunt van de HU inhoudende dat er sprake is van een ongelijk speelveld door een kennisvoorsprong van de zittende leverancier. Na verweer van de HU is de klacht bij advies van 14 november 2025 vervolgens afgewezen.
Standpunt en vordering van [eiseres]
3.9.
Na kennisneming van het advies van 14 november 2025 stelt [eiseres] zich in deze procedure op het standpunt dat de HU in strijd met de artikelen 1.8 en 1.9 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw) heeft gehandeld door (potentiële) inschrijvers niet de informatie te verstrekken waarover de zittende opdrachtnemer uit hoofde van de lopende opdracht reeds beschikt. Daardoor zou er sprake zijn van een ongelijk speelveld.
3.10.
Volgens [eiseres] heeft de HU – kort gezegd – met name nagelaten voldoende inzicht te bieden in het huidige evaluatieproces, de gebruikersrollen in het systeem, de werklastverdeling en de gewenste toekomstige werkwijze. [eiseres] stelt dat zij zonder de benodigde voornoemde achtergrondinformatie de demonstratie van haar systeem niet heeft kunnen afstemmen op de (feitelijke) verwachtingen van de HU. [eiseres] stelt verder dat diezelfde informatiegebreken het voor haar onmogelijk hebben gemaakt om een marktconforme inschatting van de implementatie- en licentiekosten te maken. Zij heeft daarom een risicomijdende begroting opgesteld. Met adequate informatie had zij een scherpere prijs kunnen aanbieden, aldus [eiseres] .
3.11.
Doordat de HU volgens [eiseres] heeft nagelaten duidelijk te maken wat wel, niet of minder belangrijk is voor het nieuwe systeem gekoppeld aan het ontbreken van een duidelijke en gedetailleerde beoordelingsmatrix heeft [eiseres] niet het beste product kunnen aanbieden. Met duidelijke antwoorden van de HU op de door [eiseres] in de NvI gestelde vragen had de kennisvoorsprong van de zittende leverancier op voornoemde punten weggenomen kunnen worden. Dat is volgens [eiseres] niet gebeurd.
3.12.
Gezien het voorgaande vordert [eiseres] – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de HU veroordeelt:
  • te gebieden haar gunningsbeslissing van 31 oktober 2025 in te trekken en te verbieden op basis van voornoemde gunningsbeslissing tot gunning van de Opdracht over te gaan;
  • te gebieden, indien zij de Opdracht nog wenst te vergeven, over te gaan tot heraanbesteding van de Opdracht;
  • tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding van elk gebod en verbod met een maximum van € 100.000,-;
  • tot betaling van de proces- en nakosten.
Standpunt en verweer van de HU
3.13.
De HU stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat zij de Opdracht zodanig in de markt heeft gezet dat die tenminste aan een aantal minimale vereisten en randvoorwaarden, diende te voldoen, maar daarbij tegelijkertijd niet zo veel heeft voorgeschreven dat zij de markt een bepaalde richting op duwde. De markt heeft bij de onderhavige aanbesteding volgens de HU juist de ruimte gekregen om te demonstreren wat mogelijk was binnen de kaders die de HU heeft gesteld. Volgens de HU is de opzet van de aanbesteding zodanig vormgegeven dat deze niet de zittende leverancier in de kaart speelde, maar de markt in zijn geheel kansen bood.
3.14.
De door [eiseres] ingenomen stelling dat er aan de zijde van [onderneming] sprake was van een zodanige kennisvoorsprong, dat zij geen inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding kon doen, rijmt volgens de HU niet met het feit dat [eiseres] op kwaliteit een relatief hoog scorende inschrijving heeft gedaan. Volgens de HU heeft [eiseres] in dat kader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten opzichte van [onderneming] een zodanige kennisachterstand had dat zij daardoor de aanbesteding niet kon winnen. De HU concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Omdat de HU voornemens is de opdracht aan [onderneming] te gunnen en er tevens sprake is van een vervaltermijn voor het entameren van een juridische procedure, zoals is opgenomen in de gunningsbeslissing van 31 oktober 2025, heeft [eiseres] een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorzieningen.
De te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis
4.2.
[eiseres] neemt in deze procedure het standpunt in dat zij een kennisachterstand had en dat die kennisachterstand ertoe heeft geleid dat zij de aanbesteding heeft verloren,
meer specifiek doordat zij op de onderdelen prijs, kwaliteit en meerwaarde over onvoldoende informatie beschikte ten opzichte van [onderneming] .
4.3.
Voornoemde onderwerpen zullen hierna puntsgewijs worden besproken, waarbij eerst het toepasselijke toetsingskader aan de orde komt.
Het toetsingskader
4.4.
Vooropgesteld wordt dat in hoofdstuk 1.2 Aw - dat de beginselen en uitgangspunten bij aanbesteden bevat - in artikel 1.8 Aw is opgenomen dat een aanbestedende dienst ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze dient te behandelen. In artikel 1.9 lid 1 Aw 2012 is vervolgens bepaald dat een aanbestedende dienst transparant dient te handelen. Deze bepalingen zorgen ervoor dat elk risico van favoritisme en willekeur wordt uitgebannen en er een gelijk speelveld (ook wel “level playing field” genoemd) voor alle (potentiële) inschrijvers wordt gecreëerd.
4.5.
Dit gelijk speelveld vraagt van een aanbestedende dienst dat de opdracht zo goed mogelijk wordt omschreven en dat inschrijvers van dezelfde (hoeveelheid) informatie worden voorzien. Het creëren van een gelijk speelveld gaat echter niet zo ver dat een aanbestedende dienst alle voordelen van de zittende ondernemer(s) moet wegnemen. Onderkend moet worden dat er altijd een relatief voordeel zal zijn voor de zittende ondernemer(s), omdat deze kennis heeft/hebben van de cultuur, de organisatie en de markt waarop de nieuwe opdracht wordt uitgevraagd. Deze voorsprong is echter niet zonder meer onrechtmatig. Daarvan is pas sprake als die kennisvoorsprong de mededinging kan vervalsen of uitschakelen en er ongelijke kansen zijn. Wanneer het gelijk speelveld wordt verstoord is het aan de partij die daar een beroep op doet om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit die verstoring, in dit geval door een gestelde kennisvoorsprong van de zittend leverancier, blijkt.
4.6.
Uitgangspunt bij de beoordeling is wat door de aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken is uitgevraagd, in dit geval in de onder 3.2 genoemde 4 processtappen en het bijbehorende PvE. Daarin wordt immers informatie verstrekt over de in de markt te zetten opdracht en de toepasselijke eisen en randvoorwaarden waaraan potentiële inschrijvers in dat kader moeten voldoen. Om een gelijk speelveld te waarborgen dient die informatie dan wel eisen en randvoorwaarden voor iedere potentiële inschrijver gelijk te zijn.
Is er sprake van een verstoring van het gelijk speelveld ten aanzien van het subgunningscriterium prijs?
Processtap 1 - inregelen en voorbereiden
4.7.
Ten aanzien van het subgunningscriterium prijs stelt [eiseres] dat zij met een prijs heeft ingeschreven op basis van een brede en complexe rolstructuur in haar aangeboden systeem. Een dergelijke rolstructuur ziet op de functies van personen die het betreffende systeem gebruiken en de daaraan gekoppelde rechten. [eiseres] verwijt de HU dat de HU niet de informatie heeft gegeven op basis waarvan [eiseres] had kunnen besluiten om een minder brede en minder complexe rolstructuur aan te bieden en daarmee met een lagere prijs in te schrijven. Volgens [eiseres] volgde pas uit de motivering in de gunningsbeslissing dat zij ook een vaste set rollen zou kunnen aanbieden nu daarin onder processtap 1 onder andere is opgenomen:
“Daarnaast werkt Hogeschool Utrecht werkt met een beperkt aantal rollen, waardoor een vaste set rollen en rechten waarschijnlijk ook zou volstaan.”
4.8.
De zittend leverancier – [onderneming] – beschikte volgens [eiseres] vanuit haar positie wel over informatie met betrekking tot de beperkte rolstructuur in de inrichting van het huidige systeem. Zij had daarmee een prijsvoordeel wat tot een ongelijk speelveld en daarmee vervalsing van de mededinging heeft geleid, aldus [eiseres] .
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze stelling niet slaagt. Daarvoor is redengevend dat, zoals onder 4.6 is opgenomen, het uitgangspunt is hetgeen door de aanbestedende dienst is uitgevraagd. Relevant in dit kader is de in het PvE opgenomen eis 7.6. Daarin staat:
“Autorisatiematrix is overeenkomstig de te ondersteunen procesrollen in te richten. De
verschillende rollen in het proces zijn in staat om gegevens te lezen, creëren, muteren en
verwijderen (CRUD) in de aangeboden applicatie afhankelijk van ingestelde permissies per
gebruikersrol.
Rollen en permissies zijn aan wijzigingen onderhevig. Het gaat Opdrachtgever erom dat in de applicatie verschillende rollen en rechten in te stellen zijn, zoals inzagerechten op
rapportages. Opdrachtgever wil met het kunnen instellen van rollen en rechten dus ook naar
de toekomst flexibel zijn om nieuwe rollen toe te kunnen kennen en rechten te kunnen
geven/beperken.”
4.10.
Uit eis 7.6 volgt dat het gaat om een flexibel en schaalbaar rollenmodel. De HU heeft toegelicht deze eis te hebben gesteld vanwege de lange looptijd van de Opdracht
(8 jaar). Zij wenste de mogelijkheid te hebben om gedurende deze (lange) looptijd eventueel nieuwe rollen toe te voegen of verdwijnende rollen weg te nemen. Daaruit volgt niet dat zij een brede of complexe rolstructuur als eis heeft gesteld. Dat geen complexe rolstructuur is uitgevraagd volgt bovendien ook uit het antwoord op de door [eiseres] in de NvI gestelde vraag 10 met betrekking tot voornoemde schaalbaarheid van de rolstructuur:
“Op hogeschoolniveau worden default instellingen, eventuele vragenlijsten, etc. ingesteld door functioneel beheerders. Op Instituutsniveau zal een beheerder bepaalde (maar niet alle) standaard instellingen moeten kunnen aanpassen, zelf vragenlijsten kunnen opstellen (die alleen voor onderliggende opleidingen te gebruiken zijn). Op opleidingsniveau zal een beheerder ook vragenlijsten aan moeten kunnen maken, maar ook opleidingsspecifieke instellingen moeten kunnen aanpassen. Aan deze beheerdersrollen behoren rechten als deze automatisch gekoppeld te zijn. Let wel: Functioneel beheer moet de mogelijkheid krijgen om extra rechten toe te voegen, die niet standaard gekoppeld zijn aan de rol van specifieke "lokale" beheerders. Oftewel standaard afnemende beheerdersrechten vanaf HU, via Instituten, naar opleidingen, en eventueel daaronderliggende opsplitsingen.”
4.11.
De HU heeft met bovengenoemd antwoord op vraag 10 aangegeven welke rollen en daarbij behorende rechten zij minimaal in het systeem terug wilt zien. Dat [eiseres] heeft ingeschreven met een substantieel bredere en complexe rolstructuur en daardoor hogere prijs is gezien het voorgaande haar eigen keuze geweest. Overigens is deze aangeboden uitgebreidere rolstructuur door de HU ten aanzien van het subgunningscriterium kwaliteit ook als positief beoordeeld nu in de gunningsbeslissing onder processtap 1 in dat kader onder meer is opgenomen dat de flexibele inrichting goed aansluit bij de visie van de HU. En verder dat de door [eiseres] aangeboden fijnmazige inrichting van rollen en rechten op verschillende niveaus het ook mogelijk maakt om het systeem goed af te stemmen op de werkpraktijk.
4.12.
Gezien het voorgaande is niet komen vast te staan dat er op dit punt sprake zou zijn van een kennisvoorsprong van de zittende leverancier. Sterker nog, de door [eiseres] aangeboden rolstructuur is ook (deels) door de HU als positief gewaardeerd. Vervalsing van de mededinging door een ongelijk speelveld op dit punt is niet aan de orde.
Is er sprake van een verstoring van het gelijk speelveld ten aanzien van het subgunningscriterium kwaliteit?
Processtap 2 - afname van de evaluatie
4.13.
Uit de gunningsbeslissing van 31 oktober 2025 volgt uit de motivering bij processtap 2 dat de HU de demonstratie van [eiseres] van het door haar aangeboden systeem onder andere als volgt heeft beoordeeld:
“Er is geen mogelijkheid om per klas feedback te vragen en te verwerken”
En verder:
“Het relatieve voordeel van de winnende inschrijving is dat de gedemonstreerde software zeer goed toepasbaar is bij Hogeschool Utrecht, met punten van meerwaarde. Zoals de functionaliteit om direct feedback te delen bij een live afname van de evaluatie. Dit biedt de gelegenheid om een PDCA-cyclus direct op te starten.”
4.14.
Volgens [eiseres] is in de Ati onder processtap 2 slechts uitgevraagd om te tonen hoe feedback geregistreerd wordt en hoe een evaluatie live in de klas kan worden uitgezet. Volgens haar is dus niet uitgevraagd om per klas feedback te vragen en te verwerken en om directe feedbackdeling en in dat verband een directe PDCA-start. [eiseres] stelt deze functionaliteiten wel te kunnen bieden, maar wegens het ontbreken van informatie is deze niet gedemonstreerd. Haar lagere score op processtap 2 is volgens [eiseres] dus niet het gevolg van een ontbrekende functionaliteit van haar systeem, maar van ontbrekende informatie vanuit de HU. Informatie waarover [onderneming] als zittende leverancier volgens [eiseres] wel beschikt.
4.15.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er op dit punt sprake is van een ongelijk speelveld en daarmee vervalsing van de mededinging. Na vragen van de voorzieningenrechter daarover heeft de HU tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat [eiseres] niet is gekort op het aantal te behalen punten bij processtap 2 omdat zij de onder 4.13 genoemde onderdelen niet heeft aangeboden. De HU heeft toegelicht voornoemde onderdelen als meerwaarde te hebben aangemerkt bij het door [onderneming] aangeboden systeem. Vanwege de eisen die de Aanbestedingswet daaraan stelt heeft de HU het in die hoedanigheid in de motivering van de gunningsbeslissing opgenomen nu zij tevens de relatieve voordelen van de winnende inschrijving diende te vermelden.
4.16.
Zoals onder 3.3 is beschreven is bij elke processtap als laatste bullet uitgevraagd welke “meerwaarde” inschrijvers konden bieden met betrekking tot die processtap, hetgeen verderop in dit vonnis uitgebreider zal worden behandeld. De in dat verband door [eiseres] ingenomen stelling dat [onderneming] met de kennis die zij had van de huidige werkwijze bij afname van de evaluatie precies wist op welke punten zij meerwaarde kon en moest bieden, kan niet slagen. De HU heeft in dat kader onweersproken aangevoerd dat de in paragraaf 2.1.4 van de Ati beschreven criteria waaraan de demonstratie diende te voldoen bij het onderdeel “aansluiting bij de werkpraktijk” niet de werkpraktijk van het huidige systeem is bedoeld. Het gaat er om gaat dat de inschrijver tijdens de demonstratie van haar systeem de beoordelaar voldoende mee diende te nemen en te overtuigen dat het nieuwe systeem aansloot bij de verwachtingen van de beoordelaar en ondersteuning in diens werkpraktijk (zie ook onder 3.4). Dat is iets anders dan de werkpraktijk van de zittende leverancier.
4.17.
Uit het in 4.5 genoemde toetsingskader volgt dat het aan [eiseres] is om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit de verstoring van het gelijk speelveld, in dit geval door een gestelde kennisvoorsprong van de zittend leverancier, blijkt. Nu zij dat gezien het voorgaande met betrekking tot processtap 2 onvoldoende heeft gedaan moet dat voor haar risico blijven. Dit geldt temeer nu zowel [eiseres] als [onderneming] op processtap 2 allebei een 9, oftewel een “zeer goed” hebben gescoord. Daaruit blijkt dus eveneens niet van enige mate van voorkennis van de zittende leverancier op dit punt.
Processtap 3 - rapportage
4.18.
Ten aanzien van processtap 3 is in de gunningsbeslissing met betrekking tot de inschrijving van [eiseres] onder kopje “Gebruiksgemak” het volgende opgenomen:
“De rol van de docent in dit proces lijkt een geringe functionaliteit te krijgen.”
4.19.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de aanbestedingsdocumenten
geen beschrijving bevatten van enige docentrol in het rapportageproces. Volgens [eiseres] heeft zij middels diverse vragen in de NvI expliciet verzocht om een toelichting op de rapportageprocessen (onder andere met de vragen 18 en 21 in de NvI). Het door de HU daarop gegeven antwoord, zoals opgenomen onder 3.7, is volgens [eiseres] onvoldoende duidelijk. Zij stelt dat door deze gebrekkige transparantie met betrekking tot de beoogde rolverdeling de docentrol door haar niet is gedemonstreerd, terwijl haar software deze rol wel kan ondersteunen. Gezien de voorgaande omstandigheden is [eiseres] van mening dat de lagere score voor processtap 3 het gevolg is van een gebrek aan transparantie en een ongelijke informatiepositie ten opzichte van de zittende leverancier. Volgens [eiseres] is [onderneming] vanuit haar huidige positie immers wel op de hoogte van de rol van de docent in het rapportageproces.
4.20.
Ook op dit onderdeel is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een ongelijk speelveld en daarmee vervalsing van de mededinging wat leidt tot ongelijke kansen. Zoals onder 4.6 aan de orde is gekomen is het uitgangspunt wat door de aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken is uitgevraagd. Daarbij moet acht worden geslagen op de bewoordingen van de aanbestedingsvoorwaarden, gelezen in het licht van de gehele tekst van in beginsel alle aanbestedingsstukken. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn gesteld, zulks binnen de context van het totaal van de aanbestedingsstukken. Bij die uitleg kan onder meer worden gekeken naar de elders in de aanbestedingsstukken gebruikte formuleringen en verschafte informatie.
4.21.
In processtap 3 is onder het tweede bulletpoint opgenomen dat een inschrijver verzocht wordt te demonstreren:
de wijze waarop volledig automatische rapportages naar alle doelgroepen (bijvoorbeeld studenten, docenten, OC en management) na afloop van een evaluatie gewaarborgd is.In paragraaf 2.1.3. van de Ati is vervolgens opgenomen dat de Opdracht bestaat uit het leveren van software voor kort cyclisch evalueren binnen het onderwijs volgens de PDCA cyclus. De PDCA cyclus betreft een vierstapsmanagementmethode voor continue kwaliteitsverbetering van processen en producten, in dit geval voor het onderwijs.
4.22.
Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het voor [eiseres] als behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver duidelijk had moeten zijn dat docenten een rol spelen in het rapportageproces. Daar komt bij dat de uitvraag voor iedere (potentiële) inschrijver gelijk was zodat van strijd met het gelijkheidsbeginsel op dit punt niet is gebleken. Dat het door [eiseres] aangeboden systeem als zodanig over een docentrol in het rapportageproces beschikt wordt overigens door de HU ook niet ontkend. [eiseres] stelt dat die rol in het geheel niet is gedemonstreerd, terwijl de beoordelingscommissie daarentegen heeft gemotiveerd dat die rol enkel onvoldoende is getoond om hoger te scoren dan [eiseres] nu heeft gedaan. Met andere woorden: [eiseres] had de rol van de docent in haar software uitgebreider en gedetailleerder moeten demonstreren. Dat is iets anders dan dat [onderneming] vanuit haar positie als zittende leverancier een kennisvoorsprong had, te weten dat de docent een rol in het rapportageproces moest spelen. Gezien het voorgaande is van een ongelijk speelveld op dit punt niet gebleken, zodat de door [eiseres] ingenomen stellingen ten aanzien van processtap 3 eveneens niet kunnen slagen.
Processtap 4 - beheren en archiveren
4.23.
Met betrekking tot processtap 4 is in de gunningsbeslissing onder het kopje “Volledigheid (breedte en diepte)” onder andere het volgende ogenomen:
“De archief- en beheerfunctionaliteiten zijn beperkt en op hoofdlijnen getoond tijdens de demo.”
4.24.
[eiseres] heeft toegelicht dat zij ervoor heeft gekozen om haar demonstratie te beginnen met een uitgebreide algemene introductie en toelichting. Daardoor bleef slechts beperkt tijd over om de beoordelingscommissie op de laatste twee processtappen voor te lichten. [eiseres] stelt dat bij een juiste kennis van de organisatie (waarover [onderneming] volgens haar wel beschikt) voornoemde algemene introductie en toelichting achterwege hadden kunnen blijven. Zij had in dat geval haar demonstatie beter kunnen afstemmen op de behoefte van de HU en daarbij wel alle processtappen kunnen behandelen.
4.25.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook op dit onderdeel niet van een ongelijk speelveld is gebleken. In paragraaf 8.1.2. van de Ati waren de kaders en de spelregels voor de demonstratie immers vooraf bepaald en voor alle inschrijvers gelijk. Zo was onder andere vooraf bekend dat voor de demonstratie een tijdsbestek van maximaal twee uur stond. In die twee uur moesten de vier processtappen en de respectievelijke bijbehorende onderwerpen volledig worden behandeld. Het voorgaande volgt eveneens uit de door de HU overgelegde uitnodiging voor de demonstratie van 26 september 2025. Over de spelregels en het format van de demonstratie zijn ten tijde van de vragenronden in de NvI door de inschrijvers geen vragen gesteld.
4.26.
Voor wat betreft de inrichting van de demonstratie als zodanig in relatie tot het tonen van de verschillende processtappen en de daarbij te behandelen onderwerpen, geldt dat het aan [eiseres] was om daarin keuzes te maken. Met andere woorden: de inrichting van de demonstatie was aan haar. Dat [eiseres] in dat kader ervoor heeft gekozen om haar demonstratie te beginnen met een uitgebreide algemene introductie en toelichting, waardoor er slechts beperkt tijd overbleef voor de demonstratie van de laatste twee processtappen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de HU niet worden aangerekend. In de uitvraag door de HU, zoals opgenomen in de aanbestedingsstukken, is immers om een dergelijke inleiding niet gevraagd.
4.27.
Gezien het voorgaande heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijke inleiding noodzakelijk was voor een goede demonstratie van haar systeem. Van een ongelijk speelveld en daarmee vervalsing van de mededinging is dus niet gebleken, waardoor de ingenomen stellingen ten aanzien van procestap 4 eveneens niet kunnen slagen.
Is er sprake van een verstoring van het gelijk speelveld ten aanzien van het bieden van “meerwaarde”?
4.28.
Zoals onder 3.3 is uiteengezet is in paragraaf 8.1.2. van de Ati is per processtap aangegeven welke onderwerpen inschrijvers in dat kader moesten behandelen. Als laatste bullet is per processtap uitgevraagd welke “meerwaarde” inschrijvers in dat verband konden bieden.
4.29.
[eiseres] stelt dat het voor haar niet mogelijk was om een inschatting te maken hoe meerwaarde te bieden omdat niet duidelijk was wat concreet onder het bieden van meerwaarde werd verstaan. Bovendien is er volgens [eiseres] sprake van een onduidelijke beoordelingssystematiek omdat in de in paragraaf 8.1.2. van de Ati opgenomen puntenmatrix niet is gespecificeerd welke mate van het bieden van meerwaarde tot welke (extra) score zou leiden. Uit de motivering van de gunningsbeslissing blijkt volgens [eiseres] evenmin hoe de geconstateerde meerwaarde het scoreverloop heeft beïnvloed. Na vragen van de voorzieningenrechter daarover heeft (de advocaat van) [eiseres] aangegeven de beoordelingssystematiek en de motivering van de gunningsbeslissing niet als zodanig op een zelfstandige grondslag ter discussie te willen stellen, in die zin dat de motivering niet zou voldoen aan de vereisten die de Aanbestedingswet daaraan stelt (artikel 2.130 Aw). [eiseres] stelt dat deze onduidelijkheid in het licht van strijd met het transparantiebeginsel, zoals is vastgelegd in artikel 1.9 Aw, moet worden gezien. Doordat een inschrijver vooraf geen inschatting kon maken tussen het bieden van meerwaarde en een lagere prijs kon er geen eerlijk prijs- en kwaliteitsvormingsproces plaatsvinden. Omdat de zittende leverancier vanuit haar positie wel wist waar meerwaarde te bieden is dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [eiseres] . Dit gebrek kan volgens [eiseres] alleen door middel van een heraanbesteding in het licht van het onder 4.4 en 4.5 beschreven toetsingskader worden hersteld. De voorzieningenrechter zal de ingenomen stellingen op dit punt dan ook in die context beoordelen.
4.30.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat met de wijze van inrichting van de aanbesteding zoals de HU dat heeft gedaan zij de markt heeft willen uitdagen om met een passend en verassend aanbod te komen binnen de in paragraaf 8.1.2 van de Ati genoemde uit te werken onderwerpen per processtap en de door haar geschetste kaders in het PvE. Uit de onder 3.1 opgenomen omschrijving van de Opdracht volgt dat de HU op zoek was naar een HU-breed evaluatiesysteem. Daarbij zijn er twee randvoorwaarden gesteld: i.) het nieuwe systeem moest aansluiten bij het HU-kwaliteitszorgsysteem en ii.) het systeem moest zijn te koppelen aan de HU-onderwijsvolgsystemen. De HU was dus niet op zoek naar een oplossing één-op-één vervanging van het huidige evaluatiesysteem maar wenste elk systeem apart op zijn eigen merites te beoordelen, zoals tevens volgt uit het onder 3.7 opgenomen antwoord op diverse vragen uit de NvI.
4.31.
Uit de Ati, het PvE en de NvI kan dus worden afgeleid dat een inschrijver de ruimte had om een systeem aan te bieden dat zich onderscheidt. Dat is tevens de kern van het bieden van meerwaarde: men dient meer onderscheidend dan wel creatiever te zijn ten opzichte van andere aanbieders door meer waarde aan te bieden dan een andere inschrijver op een specifiek punt, in dit geval een processtap. Wanneer de HU meerwaarde verder in detail had omschreven zou zij marktpartijen de mogelijkheid om zich te onderscheiden hebben ontnomen, terwijl zij marktpartijen juist wenste uit te dagen om zich binnen de randvoorwaarden op kwaliteit te onderscheiden. Uit paragraaf 8.1.2 van Ati volgt verder dat aan iedere processtap een totaalscore werd toegekend. Dit betreft dus niet een aparte score per te behandelen onderwerp per processtap. Meerwaarde maakte daarmee onderdeel uit van de totale score die per processtap viel te behalen. In dat kader is in de gunningsbeslissing vervolgens toegelicht wanneer en op welke punten door de winnaar meerwaarde is geboden ten opzichte van de inschrijving van [eiseres] . De stelling dat het voor [eiseres] niet duidelijk was hoe meerwaarde te behalen en welke score daaraan verbonden was kan daarom geen stand houden.
4.32.
Gezien de voorgaande feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat, zoals tevens onder 4.16 aan de orde is gekomen, niet aannemelijk is geworden dat [onderneming] vanuit haar positie als zittende leverancier wist op welke punten meerwaarde te bieden en er als gevolg daarvan sprake was van een ongelijk speelveld. [eiseres] heeft in dit kader tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij een zogenaamd uitgangspunt wenste te hebben, zodat zij wist waar meerwaarde te bieden. Nu door de HU de inschrijvingen werden beoordeeld op hun eigen merites zonder deze met de huidige situatie te vergelijken is een uitgangspunt van die situatie niet aan de orde. Bovendien betekent dit dat de zittende leverancier - anders dan door [eiseres] is gesteld - juist terughoudend moest zijn met het inzetten van bestaande kennis. Met andere woorden: de HU verassen door middel van het bieden van meerwaarde is eerder lastiger dan makkelijker voor een zittende leverancier. Uit die omstandigheid volgt dat de inschrijvers ten aanzien van het bieden van meerwaarde een gelijk startpunt hadden. Van een kennisvoorsprong en daarmee een ongelijk speelveld is dus niet gebleken, zodat de door [eiseres] op dit punt ingenomen stellingen eveneens niet kunnen slagen.
Slotsom
4.33.
Op basis van al het voorgaande en nu tevens niet is gebleken van andere, in dit kader relevante feiten en/of omstandigheden, moet worden geconcludeerd dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat op de onderdelen prijs, kwaliteit en meerwaarde [onderneming] als zittende opdrachtnemer een zodanig relevante kennisvoorsprong had, dat daardoor de mededinging is vervalst of uitgeschakeld. Van favoritisme en willekeur en daarmee ongelijke kansen is dus geen sprake. Een verstoring van het gelijk speelveld in de onderhavige aanbesteding is daarmee niet gebleken.
4.34.
Omdat is geconcludeerd dat er geen sprake is van een onrechtmatige kennisvoorsprong en daarmee geen sprake van een ongelijk speelveld, behoeven de door de HU ingenomen stellingen inhoudende dat [eiseres] te laat is met het naar voor brengen van haar bezwaren – het zogenaamde Grossmann-verweer – geen verdere bespreking meer.
Proceskosten
4.35.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de HU worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten zal, als niet weersproken, eveneens worden toegewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van de HU worden begroot op een bedrag van € 2.101,00 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval betaling binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 98,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
type: BEv / 4998
coll: