ECLI:NL:RBMNE:2026:1107

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
595162 / HA ZA 25-308
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WwftArt. 5 lid 3 WwftArt. 6:119 BWArt. 130 RvArtikel 35 Algemene Bankvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing onrechtmatigheid opzegging bankrelatie door Rabobank wegens niet afgerond cliëntenonderzoek Wwft

Eiseres had een bankrelatie met Rabobank, waaronder een privérekening en een hypotheek. Rabobank beëindigde de relatie omdat eiseres onvoldoende informatie verstrekte over transacties, waardoor het verplichte cliëntenonderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) niet kon worden afgerond.

Rabobank stelde meerdere vragen aan eiseres en haar adviseurs, maar de antwoorden waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd met documenten. Eiseres gaf geen transparante uitleg over zakelijke en privétransacties, waaronder een belangrijke transactie van € 40.000,-. Ondanks uitnodigingen voor een interview en toezeggingen, vond geen volledige beantwoording plaats.

De rechtbank hanteerde een ex tunc-toetsing op het moment van opzegging en concludeerde dat Rabobank na zorgvuldig onderzoek terecht de relatie heeft opgezegd. De vorderingen van eiseres tot verklaring van onrechtmatigheid en schadevergoeding werden afgewezen. Tevens werd eiseres veroordeeld tot betaling van proceskosten en een tegenvordering van Rabobank wegens niet-betaling van gemaakte kosten in hoger beroep.

Uitkomst: Rabobank mocht de bankrelatie met eiseres opzeggen wegens onvoldoende medewerking aan het cliëntenonderzoek, vorderingen van eiseres worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/595162 / HA ZA 25-308
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.Y. van Oel,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Utrecht,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. S. Brenninkmeijer.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding d.d. 9 mei 2025 met producties 2 t/m 20 van [eiseres]
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 13 van Rabobank
- de akte niet dienen voor antwoord in reconventie aan de zijde van [eiseres]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de producties 21 t/m 23 van [eiseres]
- de akte wijziging eis in conventie van [eiseres] met nogmaals producties 21 t/m 23 en de
aanvullende producties 24 t/m 26
- de pleitnota van Rabobank
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] bankierde bij Rabobank. Zij beschikte over een privé betaalrekening en had er sinds 2017 ook een hypotheek. Rabobank heeft de bankrelatie met [eiseres] op 27 februari 2024 beëindigd. Het gevolg daarvan was dat de privérekening van [eiseres] per 29 april 2024 is opgeheven en de hypotheek in eerste instantie per 28 juni 2024 en later per 1 oktober 2024 is opgezegd. Volgens Rabobank was zij verplicht om de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen, omdat [eiseres] onvoldoende informatie gaf over bepaalde transacties en Rabobank daardoor niet kon voldoen aan haar verplichtingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). [eiseres] vindt dat de opzegging van Rabobank onrechtmatig is en vordert daarom onder andere een schadevergoeding van Rabobank. [eiseres] krijgt geen gelijk in deze procedure.
2.2.
Rabobank heeft ook een tegenvordering ingesteld tegen [eiseres] , omdat [eiseres] de proceskosten (in hoger beroep) van Rabobank nog niet heeft betaald terwijl zij dit wel hadden afgesproken. [eiseres] heeft zich tegen deze vordering niet verweerd. De vordering van Rabobank wordt daarom toegewezen.

3.De beoordeling

in conventie
Wat is er gebeurd?
3.1.
Op grond van de Wwft (de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) is Rabobank verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten. Om hieraan te voldoen heeft Rabobank in juli 2023 een twaalftal vragen aan [eiseres] gesteld. Haar adviseur [onderneming 1] heeft deze vragen namens [eiseres] beantwoord, maar deze antwoorden hebben vervolgens voor meer vragen gezorgd bij Rabobank.
3.2.
Op 18 september 2023 heeft Rabobank nogmaals een aantal vragen aan [eiseres] gesteld en heeft zij aanvullende documenten opgevraagd. Op 16 oktober 2023 heeft een nieuwe adviseur van [eiseres] , de heer [A] van [onderneming 2] (hierna: [A] ), de openstaande vragen van Rabobank beantwoord en een verklaring en toelichting gegeven op de ontbrekende jaarcijfers. Volgens Rabobank waren zijn antwoorden op onderdelen tegenstrijdig met de door eerste adviseur gegeven antwoorden. Rabobank heeft daarop op 8 november 2023 nogmaals aanvullende vragen gesteld en aangekondigd te overwegen de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen, omdat het betalingsverkeer niet transparant is en niet aansluit bij de doelen van de privé betaalrekening. [A] heeft ook deze vragen beantwoord namens [eiseres] .
3.3.
Rabobank heeft daar inhoudelijk op 27 november 2023 op gereageerd, wederom een aantal vragen gesteld en voorgesteld een interview met [eiseres] te houden en noemt daarvoor een aantal data en tijden in de periode 4 tot en met 7 december. Op 12 december 2023 volgt de reactie van [A] waarin hij aankondigt dezelfde dag nog de vragen van Rabobank inhoudelijk te beantwoorden en de ontbrekende documenten op te sturen. Daarnaast meldt
hij dat [eiseres] bereid is tot een interview en stelt (naar de rechtbank begrijpt) voor dit interview plaats te laten vinden op donderdag 21 of vrijdag 22 december 2023.
3.4.
Zowel beantwoording van de vragen door [A] als het interview heeft niet plaatsgevonden. Uiteindelijk zegt Rabobank op 27 februari 2024 de bankrelatie met [eiseres] op en eist zij de hypotheek op per 28 juni 2024. Rabobank stelt dat zij daartoe verplicht was, omdat zij door toedoen van [eiseres] niet kon voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek op basis van de Wwft.
3.5.
[eiseres] heeft vervolgens een bezwaarschrift ingediend tegen de opzegging. Rabobank heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift een onderzoek ingesteld en op 26 maart 2024 laten weten aan [eiseres] dat zij de opzegging in stand laat.
3.6.
Om haar hypotheek met Rabobank af te kunnen lossen, heeft zij per 4 april 2025 een (nieuwe) hypotheek afgesloten bij de heer [B] uit [plaats 2] ter hoogte van € 400.000,- voor de duur van minimaal 3 en maximaal 6 maanden tegen een rentevergoeding van 12% per jaar en een verschuldigde ‘behandelings- en exitfee’ van in totaal € 16.000,-. Uiteindelijk heeft [eiseres] haar woning op 13 januari 2026 moeten verkopen (aan haar broer) om de hypotheek af te kunnen lossen.
3.7.
[eiseres] is van mening dat Rabobank de bankrelatie niet mocht opzeggen, omdat zij alle vragen van Rabobank heeft beantwoord en de gevraagde stukken heeft overhandigd. Daarom vordert [eiseres] in haar dagvaarding:
1. een verklaring voor recht dat de opzegging van de bankrelatie en opeising van de hypotheek door Rabobank onrechtmatig was en voortzetting van de bankrelatie;
2. een (voorschot) op schadevergoeding van in ieder geval € 2.500,- en verwijzing naar de schadestaatprocedure voor begroting van de resterende schade,
3. de verwijdering van haar gegevens uit het Interne Verwijzingsregister van Rabobank.
Een week voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eiseres] een eiswijziging ingediend, die er op neerkomt dat alleen de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure gehandhaafd blijft en waarin het gevorderde voorschot wordt verhoogd naar € 57.229,40. De overige vorderingen heeft [eiseres] laten vallen.
Eiswijziging wordt toegestaan
3.8.
De rechtbank staat de eiswijziging toe. Op grond van artikel 130 Wetboek Pro van Buregerlijke Rechtsvordering (Rv) kan [eiseres] haar eis wijzigen tot het moment dat eindvonnis wordt gewezen, tenzij Rabobank hiertegen bezwaar maakt en (het moment van) de eiswijziging in strijd blijkt met de eisen van de goede procesorde. De rechtbank stelt vast dat Rabobank voldoende gelegenheid heeft gehad om inhoudelijk te reageren op gewijzigde eis en dit ook heeft gedaan. Van strijd met de goede procesorde is daarom geen sprake, zodat de rechtbank bij de boordeling uitgaat van de gewijzigde eis.
Toetsingskader bij opzegging bankrelatie door bank
3.9.
Op grond van artikel 35 Algemene Pro Bank Voorwaarden (ABV) is de bank in beginsel bevoegd de relatie met een klant op te zeggen, maar zij moet zich daarbij wel
houden aan haar zorgplicht die in artikel 2 lid 1 ABV Pro is opgenomen. Die zorgplicht houdt in dat de bank bij haar dienstverlening rekening moet houden met de belangen van anderen.
3.10.
Als een bank een relatie opzegt met een beroep op artikel 5 lid 3 Wwft Pro, en de klant betwist dat de bank voldoende reden heeft om zich daarop te beroepen, zal de rechter moeten onderzoeken of dat zo is. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat ze uit het door haar zorgvuldig en individueel verrichtte onderzoek onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek behoorlijk te kunnen afsluiten.
3.11.
De wet zelf schrijft niet voor hoe het cliëntenonderzoek door de bank moet worden uitgevoerd, maar alleen tot welk resultaat het onderzoek moet leiden. Op grond van artikel 3 Wwft Pro is dat onder meer duidelijkheid over de (herkomst en doel van) verrichtte transacties in verhouding met de kennis van de bank over de klant en haar risicoprofiel. De bank heeft daarbij dus enige vrijheid in de wijze waarop zij het cliëntenonderzoek uitvoert, zolang het maar zorgvuldig gebeurt.
3.12.
Als een bank er in slaagt om aannemelijk te maken dat zij na een zorgvuldig en individueel onderzoek heeft geconcludeerd het onderzoek niet behoorlijk te kunnen afsluiten, moet zij de bankrelatie opzeggen. Hoewel de opzegging dan gebaseerd is op artikel 35 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden, vloeit de opzegging voort uit een wettelijke plicht van de bank (artikel 5 lid 3 Wwft Pro). Dan is er voor een rechter in beginsel geen ruimte meer voor het maken van een belangenafweging of voor de vraag of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of voor de vraag of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat. De zorgplicht van de bank komt al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het cliëntenonderzoek moet verrichten.
3.13.
Het moment waarop moet worden bekeken of een bank aannemelijk heeft gemaakt dat zij het cliëntenonderzoek niet kon afronden en dus de relatie moest opzeggen, omdat zij niet aan haar verplichtingen uit de Wwft kon voldoen is het moment van de opzegging. Het gaat dus om een ‘ex tunc’ toetsing.
Rabobank mocht bankrelatie met [eiseres] beëindigen
3.14.
Rabobank heeft de bankrelatie met [eiseres] op 27 februari 2024 opgezegd. Naar aanleiding van deze opzegging heeft [eiseres] op 7 maart 2024 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van haar reactie heeft Rabobank de gang van zaken rondom de opzegging opnieuw onderzocht. Dat heeft geresulteerd in de brief van 26 maart 2024 waarin zij uitgebreid ingaat op de door [eiseres] opgeworpen bezwaren en concludeert dat de opzegging gehandhaafd blijft. Door een nieuw volledig onderzoek te doen naar de opzegging heeft Rabobank feitelijk haar beoordeling opgeschoven. Dat betekent dat de finale beoordeling van Rabobank is opgeschoven naar 26 maart 2024.
3.15.
Uit de gevoerde correspondentie tussen Rabobank en [eiseres] in de periode vanaf 20 juli 2023 tot en met 27 februari 2024, het eerste moment van opzegging van de bankrelatie door Rabobank komt bij de rechtbank het beeld naar voren dat namens [eiseres] weliswaar steeds een antwoord wordt gegeven op de vragen van Rabobank, maar dat die antwoorden niet transparant zijn. Dat komt onder andere doordat de antwoorden van [eiseres] ,
ondanks verzoeken van Rabobank, niet met de juiste stukken werden onderbouwd, zodat Rabobank de juistheid van de gegeven antwoorden niet kon verifiëren. Anders dan [eiseres] meent, gold dit ook al voor de eerste ronde vragen van Rabobank van 23 juli 2023. Dat klemt te meer omdat er door de tweede gemachtigde, [A] , in zijn reactie van 2 november 2023 antwoorden worden gegeven, die inhoudelijk tegenstrijdig zijn aan de eerder namens [eiseres] gegeven antwoorden.
3.16.
Dit gold bijvoorbeeld voor de transactie van 13 april 2023. Het betrof een ontvangst van € 40.000,- op de privérekening van [eiseres] voor de verkoop van inventaris en inboedel van [onderneming 3] B.V., één van de ondernemingen van [eiseres] . Vanuit [onderneming 3] werd het restaurant [restaurant] gedreven. In eerste instantie antwoordde [onderneming 1] namens [eiseres] dat er sprake zou zijn geweest van een aandelentransactie en dat het bedrag naar de privérekening van [eiseres] is overgemaakt, omdat de betaling plaatsvond nadat de onderneming al was overgedragen. Toen de Rabobank daar vervolgens op doorvroeg, reageerde in tweede instantie [A] op respectievelijk 2 en 8 november 2023. Volgens hem was het eerder in augustus gegeven antwoord onjuist en veroorzaakt door miscommunicatie tussen [eiseres] en [onderneming 1] doordat [eiseres] in het buitenland was om familiezaken te regelen na de aardbeving in Turkije waarbij een groot aantal familieleden van [eiseres] was omgekomen. [A] stelde vervolgens dat de aandelentransactie tussentijds is omgezet naar een activa-passiva overeenkomst en dat de gelden onterecht op de privérekening van [eiseres] terecht waren gekomen. Volgens [A] was dit allemaal niet meer van belang omdat ook die activa-passiva overeenkomst niet zou zijn doorgegaan en het bedrag door [eiseres] weer werd teruggestort naar de initiële koper. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiseres] er vervolgens weer een andere draai aan gegeven. Waar hij in eerste instantie verklaarde dat het restaurant is gestopt, stelde hij daarna dat het restaurant door de koper wordt geëxploiteerd en dat [onderneming 3] nog slechts een lege BV is van [eiseres] . Hoewel het gaat om een ex tunc toetsing en in zoverre het antwoord van de gemachtigde van [eiseres] niet van belang is voor de beoordeling van de opzegging van de klantrelatie door Rabobank blijkt daaruit wel dat er vanuit [eiseres] geen transparantie wordt gegeven.
3.17.
Dat de namens [eiseres] gegeven antwoorden bij Rabobank steeds tot nieuwe vragen hebben geleid, is dan ook niet gek. De stelling van [eiseres] dat de vragen van Rabobank niet specifiek genoeg zouden zijn, volgt de rechtbank niet. De vragen van Rabobank zien immers steeds op concrete (zakelijke) transacties op de privérekening van [eiseres] en op de namens [eiseres] gegeven antwoorden. Zo zijn er meerdere vragen gesteld over transacties tussen [eiseres] en andere ondernemingen van haar, [onderneming 4] en [onderneming 5] , die zagen op de ver- en inkoop van een aantal luxe auto’s. Het beeld dat daaruit naar voren komt is, dat [eiseres] op zijn minst haar zakelijke en privé betalingsverkeer door elkaar heen heeft laten lopen zonder dat zij daarvoor een afdoende verklaring heeft gegeven aan Rabobank.
3.18.
Ook de stelling van [eiseres] dat de door Rabobank gestelde vragen niet relevant zouden zijn in het kader van het Wwft cliëntenonderzoek volgt de rechtbank niet. In de eerste plaats is het niet aan [eiseres] om te bepalen of een vraag al dan niet relevant is. Zoals gezegd heeft Rabobank enige vrijheid in de wijze waarop zij haar cliëntenonderzoek inricht en uitvoert, zolang zij daarbij zorgvuldig is. Dat Rabobank onvoldoende oog had voor het belang van [eiseres] , is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. In de correspondentie van Rabobank komt duidelijk naar voren waarom zij bepaalde (vervolg)vragen stelt. Zoals bijvoorbeeld over de relatie tussen de door [eiseres] ontvangen zorgtoeslag en WW-uitkering
en haar ondernemerschap. Anders dan [eiseres] meent, blijkt uit de correspondentie van Rabobank dat het haar niet te doen is om de herkomst van die specifieke gelden, maar om het feit dat een en ander tegenstrijdig lijkt te zijn met elkaar en niet in lijn is met eerder gegeven antwoorden. Een ondernemer heeft immers geen recht op een WW-uitkering. Bovendien bleef het voor Rabobank onduidelijk waar [eiseres] het geld vandaan haalde om haar hypotheeklasten te kunnen betalen, gelet op haar bij de Belastingdienst opgegeven jaarinkomen op basis waarvan zij de zorgtoeslag ontving. Dat inkomen was gelet op haar uitgaven veel te laag om de hypotheeklasten te kunnen betalen, zodat het Rabobank niet duidelijk was hoe [eiseres] aan haar geld kwam. De door Rabobank gestelde vragen zijn dus wel degelijk relevant in het kader van het cliëntenonderzoek. De rechtbank stelt vast dat op deze vragen van Rabobank, die dateren van 27 november 2023, geen antwoord is gegeven door of namens [eiseres] voordat Rabobank de klantrelatie heeft opgezegd. De antwoorden die [eiseres] daarna heeft gegeven in gerechtelijke procedures doen verder niet meer ter zake, omdat die niet in de toetsing kunnen worden betrokken. Ook het door [eiseres] gedane bewijsaanbod wordt om die reden gepasseerd.
3.19.
Uit de correspondentie blijkt tot slot dat Rabobank in dezelfde mail van 27 november 2023 aan [eiseres] een voorstel doet voor een persoonlijk interview. Hoewel [A] daarop namen [eiseres] in eerste instantie instemmend reageert en daarnaast toezegt diezelfde dag nog de vragen van Rabobank te beantwoorden en de gevraagde stukken toe te sturen, heeft dit alles uiteindelijk niet plaatsgevonden.
3.20.
Het nalaten van [eiseres] om op de laatste vragen van Rabobank te antwoorden, maakte het voor Rabobank wat de rechtbank betreft onmogelijk haar cliëntonderzoek af te ronden en dat maakt dat Rabobank op 27 februari 2024 de bankrelatie mocht opzeggen en daarmee niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] .
3.21.
De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
3.22.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.811,00
in reconventie
3.23.
De door Rabobank ingediende tegenvordering tot betaling van een bedrag van € 2.602,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2025 wordt toegewezen.
3.24.
De gemaakte betalingsafspraak blijkt uit de door Rabobank als GP 13 overgelegde e-mailwisseling van 14 mei 2025 tussen de gemachtigden van partijen. [eiseres] heeft zowel tegen de gestelde inhoud van de afspraak als haar wanbetaling geen verweer gevoerd, zodat
de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. Daarmee is de vordering van Rabobank toewijsbaar.
3.25.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- salaris advocaat
554,00
(1 punt × € 554,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
702,00

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.811,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3.
veroordeelt [eiseres] om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 2.602,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 702,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 4.2 tot en met 4.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026
CR 4529