In deze zaak, die op 20 januari 2026 door de Rechtbank Midden-Nederland is behandeld, betreft het een kort geding tussen twee bedrijven, waarbij de eisende partij, een recyclingbedrijf dat gebruikte brandblussers verwerkt, vorderingen heeft ingediend tegen de gedaagde partij, een textielbedrijf dat zich zorgen maakt over de mogelijke gezondheidsrisico's en schade door de verwerking van deze brandblussers. De gedaagde partij stelt dat de eisende partij een eerder door het hof opgelegd verbod heeft overtreden, wat heeft geleid tot de eis van dwangsommen. De voorzieningenrechter heeft op 6 januari 2026 de mondelinge behandeling gehouden, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat de gedaagde partij al dwangsommen heeft geïnd en verdere schade aan de bedrijfsvoering van de eisende partij dreigt. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de eisende partij om de executie van het arrest te schorsen deels toegewezen, met de beslissing dat de gedaagde partij de inning van dwangsommen 3 en 4 moet staken totdat in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter heeft echter de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis afgewezen, omdat de eisende partij onvoldoende heeft aangetoond dat haar belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de gedaagde partij bij de executie. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.