ECLI:NL:RBMNE:2026:111

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/16/603738 / KL ZA 25-312
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over dwangsommen in kort geding tussen twee bedrijven met betrekking tot de verwerking van brandblussers en PFAS

In deze zaak, die op 20 januari 2026 door de Rechtbank Midden-Nederland is behandeld, betreft het een kort geding tussen twee bedrijven, waarbij de eisende partij, een recyclingbedrijf dat gebruikte brandblussers verwerkt, vorderingen heeft ingediend tegen de gedaagde partij, een textielbedrijf dat zich zorgen maakt over de mogelijke gezondheidsrisico's en schade door de verwerking van deze brandblussers. De gedaagde partij stelt dat de eisende partij een eerder door het hof opgelegd verbod heeft overtreden, wat heeft geleid tot de eis van dwangsommen. De voorzieningenrechter heeft op 6 januari 2026 de mondelinge behandeling gehouden, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat de gedaagde partij al dwangsommen heeft geïnd en verdere schade aan de bedrijfsvoering van de eisende partij dreigt. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de eisende partij om de executie van het arrest te schorsen deels toegewezen, met de beslissing dat de gedaagde partij de inning van dwangsommen 3 en 4 moet staken totdat in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter heeft echter de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis afgewezen, omdat de eisende partij onvoldoende heeft aangetoond dat haar belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de gedaagde partij bij de executie. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/603738 / KL ZA 25-312
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. N.H.M.M. Janssen,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. J.R. Bügel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 20 producties;
- de 12 producties van [gedaagde partij] ;
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026;
- de pleitnota van [gedaagde partij] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. Namens
[eisende partij] verscheen de heer [A] met advocaat mr. N.H.M.M. Janssen. Aan de
zijde van [gedaagde partij] waren aanwezig de heren [B] en [C] ,
vertegenwoordigd door mr. Bügel. De spreekaantekeningen die de advocaten hebben
voorgedragen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van
wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het textielbedrijf van [gedaagde partij] is gelegen naast [eisende partij] . [eisende partij] is een recyclingbedrijf dat onder andere gebruikte brandblussers verwerkt. [gedaagde partij] meent dat er bij de verwerking van brandblussers PFAS en andere afvalstoffen op haar terrein terecht komt met als gevolg gezondheidsrisico’s en schade. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft daarom op 2 juli 2024 in kort geding [eisende partij] een verbod opgelegd tot het verspreiden van (potentieel gevaarlijke en/of schadelijke) afvalstoffen bij de verwerking van brandblussers (ECLI:NL:GHARL:2024:4369) (hierna: het arrest). Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] dit verbod vier maal overtreden, waardoor [eisende partij] vier dwangsommen verschuldigd is. Dwangsommen 1 en 2 heeft [eisende partij] – onder protest – betaald. [gedaagde partij] heeft dwangsommen 3 en 4 opgeëist maar deze zijn niet door [eisende partij] betaald. [eisende partij] is een bodemprocedure gestart omdat zij vindt dat het verbod van het Hof niet meer geldt (hierna: de bodemprocedure). In deze kort geding-procedure vordert [eisende partij] dat [gedaagde partij] de executie van het arrest staakt en gestaakt houdt totdat in die bodemprocedure is beslist. [eisende partij] krijgt deels gelijk.

3.De beoordeling

Spoedeisend belang
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [gedaagde partij] heeft immers al dwangsommen geïnd, en heeft dwangsommen 3 en 4 opgeëist. [eisende partij] meent dat zij deze dwangsommen niet verschuldigd is, en heeft ook aangevoerd dat als zij deze moet betalen, haar bedrijfsvoering in gevaar zal komen. [gedaagde partij] heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
De vorderingen
3.2.
[eisende partij] heeft gevorderd [gedaagde partij] te veroordelen de executie van het arrest van 2 juli 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4369) te staken en gestaakt te houden totdat in de bodemprocedure is beslist, op straffe van een dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat partijen die vordering verschillend begrijpen. [eisende partij] heeft deze vordering zo bedoeld dat [gedaagde partij] ten eerste de executie van dwangsommen 3 en 4 moet staken en ten tweede de executie van het arrest moet schorsen tot in de bodemprocedure is beslist. [gedaagde partij] heeft de vordering zo begrepen dat [eisende partij] uitsluitend schorsing van de executie van het arrest vordert, maar niet het staken van de executie verlangt met betrekking tot dwangsommen 3 en 4. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.
3.3.
De voorzieningenrechter leest de vordering zo, dat daaronder in elk geval begrepen moet worden de inning van dwangsommen 3 en 4 te staken en gestaakt te houden. [gedaagde partij] had behoren te begrijpen dat [eisende partij] de vordering zo bedoelde, omdat dit voldoende kenbaar was uit de letterlijke bewoordingen van de vordering, maar ook uit het lichaam van de dagvaarding. De dagvaarding gaat namelijk uitgebreid in op de vraag of deze dwangsommen zijn verbeurd, met name onder randnummer 21-27, en in onderdeel C ‘Opbouw vordering’. [eisende partij] verwijst daarin ook naar het toetsingskader voor staking van de inning van dwangsommen, namelijk het toetsen van het handelen van [eisende partij] aan de inhoud van de veroordeling in het arrest. Daarnaast verwijst [eisende partij] ook naar jurisprudentie die hier betrekking op heeft, bijvoorbeeld HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367. De voorzieningenrechter zal daarom ook op de vraag beslissen of [eisende partij] dwangsommen 3 en 4 verschuldigd is.
3.4.
Partijen zijn het erover eens dat [eisende partij] met de vordering ook beoogt schorsing van de executie van het arrest te bewerkstelligen totdat in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter zal dan ook hierover oordelen.
De staking van executie met betrekking tot dwangsommen 3 en 4 wordt toegewezen
3.5.
Het gaat in dit executiegeschil ten eerste om de vraag of dwangsommen 3 en 4 zijn verbeurd en of die dwangsommen door [gedaagde partij] mogen worden geëxecuteerd. In principe heeft een executant de bevoegdheid om een ten gunste van hem gewezen uitspraak ten uitvoer te leggen. Als er tussen partijen onenigheid bestaat over de executie, kan een executiegeschil aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 438 Rv. Dit is alleen mogelijk in verband met een dreigende of in uitvoering zijnde executie, en dus niet wanneer de executie is beëindigd. De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient plaats te vinden door het handelen van de veroordeelde te toetsen aan de inhoud van de veroordeling. De rechter moet in dat geval de inhoud van de veroordeling ‘uitleggen’. Bij die uitleg moet de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer nemen. Het is aan de executant, in dit geval [gedaagde partij] , om voldoende aannemelijk te maken dat de geëxecuteerde, in dit geval [eisende partij] , zo gehandeld heeft dat zij het verbod dat in het arrest is opgelegd heeft overtreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde partij] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] het verbod heeft overtreden en daardoor dwangsommen 3 en 4 verschuldigd zou zijn. Daarvoor is het volgende doorslaggevend.
3.6.
Het arrest verbiedt [eisende partij] om “bij de verwerking van brandblusapparaten (potentieelgevaarlijke en/of schadelijke) afvalstoffen, zoals PFAS en/of bluspoeder(resten), buiten haar inrichting te verspreiden (…)”. Nu [eisende partij] dwangsommen 1 en 2 reeds heeft voldaan, richt de voorzieningenrechter zich alleen nog op dwangsommen 3 en 4. Op 4 december 2025 heeft [gedaagde partij] naar [eisende partij] geschreven dat zij vindt dat [eisende partij] dit verbod heeft overtreden, en dat zij daarom aanspraak maakt op dwangsommen 3 en 4.
3.7.
Dwangsom 3 heeft betrekking op monsters genomen van terreinwater op 10 juni 2025. Volgens [gedaagde partij] betreffen deze monsters een (te) hoge concentratie PFOS (een specifieke vorm van PFAS). [gedaagde partij] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen concentraties in het terreinwater het gevolg zijn van uitstoot bij de verwerking van brandblussers sinds het verbod dat in het arrest is opgelegd is uitgesproken. [eisende partij] heeft gesteld dat de aangetroffen stoffen in het terreinwater het gevolg zijn van uitloging van reeds aanwezige PFAS op het terrein door vroegere uitstoot. Sindsdien heeft [eisende partij] een vermijdings- en reductieplan opgesteld, waardoor er volgens [eisende partij] geen uitstoot meer plaatsvindt. Het doel van verbod op straffe van een dwangsom is om te voorkomen dat de veroordeelde een door hem te beïnvloeden gedraging nog uitvoert. Het begrip ‘verspreiden’ moet daarom worden begrepen als het actief doen vrijkomen van stoffen door een handeling of bedrijfsactiviteit van [eisende partij] . Daaronder kan niet worden begrepen het uitlogen van reeds op het terrein aanwezige PFAS, omdat dat geen door eiser te sturen of verhinderen gedraging is. Dat de aangetroffen concentraties het gevolg zijn van uitstoot door [eisende partij] in strijd met het verbod, in plaats van uitloging van reeds aanwezige PFAS, is niet vast komen te staan.
3.8.
Dwangsom 4 ziet op concentraties PFAS gemeten door de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (hierna: OFGV) op 9 september 2025. Ook met betrekking tot deze meting heeft [gedaagde partij] niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van uitstoot door [eisende partij] in strijd met het verbod, in plaats van uitloging van aanwezige PFAS. De toezichthouder van het OFGV schreef op 13 november 2025 over deze meting namelijk het volgende:
“De gemeten waarden van PFAS in de obas (= olie- en benzineafscheider) van [eisende partij] op de locatie [adres] te [vestigingsplaats] zijn waarschijnlijk naleveringen van eerdere verontreinigingen. De verwachting is dat deze waarden niet op korte termijn significant zullen dalen.”
Hieruit blijkt dat het niet op voorhand aannemelijk is dat de aangetroffen PFAS het gevolg is van een overtreding van het verbod door [eisende partij] .
De vordering wordt toegewezen op straffe van een dwangsom
3.9.
[eisende partij] heeft de voorzieningenrechter gevraagd de vorderingen toe te wijzen op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe maar gematigd naar een dwangsom ter hoogte van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde partij] in strijd handelt met de veroordeling, met een maximum van € 100.000,00. [gedaagde partij] heeft geen verweer gevoerd tegen deze verzochte dwangsom. Bovendien zal zij geen nadeel ondervinden van de opgelegde dwangsom als zij de veroordeling naleeft.
De schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen
3.10.
Ten tweede komt de vraag aan de orde of de executie van het vonnis ook in die zin geschorst moet worden, dat [gedaagde partij] ook voor eventuele toekomstige uitstoot door [eisende partij] geen dwangsommen meer mag innen, totdat in de bodemprocedure is beslist. Daarover overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
3.11.
Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling waartegen een rechtsmiddel open staat ten uitvoer kan worden gelegd (zie hierover: ECLI:NL:HR:2019:2026). De voorzieningenrechter verstaat hier mede onder een veroordeling die is gegeven in een kort gedingprocedure in hoger beroep, nu het in een kortgeding procedure naar haar aard gaat om
voorlopigevoorzieningen, waarover in een andere (bodem) procedure definitief moet worden beslist. In een executiegeschil over een dergelijke uitspraak, kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis of arrest slechts schorsen als omstandigheden meebrengen dat de belangen van de geëxecuteerde zwaarder wegen dan de belangen van de executeur bij het doorzetten van de executie.
3.12.
[eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat haar belang bij schorsing zwaarder zou wegen dan het belang van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft aangetoond dat zij een belang heeft bij de executie van het arrest. De grond van [gedaagde partij] is vervuild met PFAS, en zij heeft er belang bij dat die situatie niet verergert door ‘nieuwe’ uitstoot. Het kan nog enige tijd duren voordat er een uitspraak in de bodemprocedure wordt gedaan. Van [gedaagde partij] kan niet gevergd worden dat zij het verbod zo lang niet ten uitvoer mag leggen. [eisende partij] heeft nog aangevoerd dat zij een belang heeft bij schorsing van de executie van het arrest, omdat [gedaagde partij] eventueel nogmaals ten onrechte een dwangsom kan opeisen, en [eisende partij] dan opnieuw een executiegeschil moet initiëren. Dit belang weegt onvoldoende op tegen het gerechtvaardigde belang van [gedaagde partij] om verdere uitstoot van PFAS en andere schadelijke stoffen te voorkomen.
3.13.
[eisende partij] heeft gesteld dat zij in de bodemprocedure aanvoert dat zij van mening is dat het verbod uit het arrest niet meer geldt. Zij heeft aangegeven dat dit onderwerp wat haar betreft niet aan de orde komt in dit kort geding, waardoor de voorzieningenrechter daar dan ook geen oordeel over zal geven.
3.14.
Voor zover [eisende partij] haar vordering baseert op het argument dat het voor haar onmogelijk zou zijn om aan de hoofdvordering te voldoen omdat er, ook als zij de verwerking van brandblussers stillegt, alsnog sprake is van verspreiding van afvalstoffen, kan de rechtbank daarover niet oordelen. De dwangsomrechter is namelijk exclusief bevoegd om dwangsommen op te schorten in geval van onmogelijkheid om aan de hoofdvordering te voldoen op grond van artikel 611d Rv. Dat zou in dit geval het hof Arnhem-Leeuwarden zijn.
Iedere partij draagt de eigen proceskosten
3.15.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om de executie van het arrest van 2 juli 2024 voor wat betreft de dwangsommen 3 en 4, opgeëist op 4 december 2025 te staken en gestaakt te houden totdat in de hoofdzaak (zaaknummer C/16/603085 – 25/299) bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beslist,
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
5827