AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verstrekking digitale boekhouding over 2024 verplicht gesteld in voorlopige voorziening
In deze civiele zaak vordert eiseres dat gedaagde partijen, voormalig vennoot en vennootschap, de digitale boekhouding over de jaren 2020 tot en met 2024 verstrekken. In het incident staat de verstrekking van de digitale administratie over 2024 centraal, omdat eiseres deze nodig heeft voor de belastingaangifte vóór 1 mei 2026.
Gedaagde partijen voeren verweer dat de digitale administratie tot hun intellectueel eigendom behoort en dat zij niet verplicht zijn deze te overleggen. Ook beroepen zij zich op opschorting en betwisten het spoedeisend belang. De kantonrechter oordeelt dat de vordering aannemelijk is en dat eiseres een spoedeisend belang heeft vanwege de belastingaangifte.
De rechter stelt dat op grond van artikel 7:403 lid 2 BWPro gedaagde verplicht is om rekening en verantwoording af te leggen en alle gegevens die zij in het kader van de opdracht onder zich heeft, waaronder de digitale boekhouding, aan eiseres moet verstrekken. Het intellectueel eigendomsrecht staat hier niet aan in de weg. Het opschortingsrecht van gedaagde wordt gepasseerd omdat het belang van eiseres zwaarder weegt.
De kantonrechter veroordeelt gedaagde hoofdelijk om binnen 14 dagen de digitale boekhouding over 2024 te verstrekken, met een dwangsom van € 500 per dag bij niet-nakoming, tot een maximum van € 20.000. Tevens worden de proceskosten van € 217 toegewezen. Voor de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bevolen om verdere inlichtingen te verkrijgen en een minnelijke regeling te beproeven.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om binnen 14 dagen de digitale boekhouding over 2024 te verstrekken, op straffe van een dwangsom.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11865477 \ LC EXPL 25-1856
Vonnis in incident van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres]handelend onder de naam [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak en het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J. Brakke,
tegen
1.[eiseres sub 1 (B.V.)] ,
te [plaats 2] , 2. [eiseres sub 2] ,in haar hoedanigheid van voormalig vennoot van de opgeheven vennootschap onder firma [bedrijfsnaam (vof)],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak en het incident,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s.,
gemachtigde: mr. J.B.M. Swart.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 4 producties van 28 augustus 2025, - de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie,
[eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. heeft boekhoudkundige werkzaamheden voor [eiseres] verricht. In de hoofdzaak vordert [eiseres] dat [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. wordt veroordeeld om de digitale boekhouding over de boekjaren 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 te verstrekken op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert [eiseres] een verklaring voor recht dat [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door de administratie en boekhouding ten onrechte niet te verstrekken. [eiseres] maakt aanspraak op de rente over € 18.000,- die [eiseres] zou zijn misgelopen door onjuist advies over investeringsaftrek. [eiseres] vordert ook betaling van € 800,- voor de belastingaangifte van 2024, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. In het incident vordert [eiseres] verstrekking van de digitale boekhouding over het jaar 2024, om vóór 1 mei 2026 de belastingaangifte te kunnen doen.
2.2.
[eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. voert verweer. Volgens [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. is zij er niet toe gehouden de digitale administratie te overleggen, omdat partijen zijn overeengekomen dat dit tot het intellectueel eigendom van [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. behoort. Subsidiair doet [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. een beroep op opschorting. In (voorwaardelijke) reconventie in de hoofdzaak vordert [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. betaling van de openstaande facturen. In het incident voert [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. verder aan dat de vordering naar haar aard niet provisioneel is en dat een spoedeisend belang ontbreekt.
3.De beoordeling
In het incident
Het toetsingskader van 223 Rv
3.1.
Bij de beoordeling van een vordering in de zin van artikel 223 RvPro dient de rechter de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en de proceskansen daarin. Ten aanzien van de proceskansen is voldoende dat de vordering van de eiser in de hoofdzaak aannemelijk is. Maar voordat aan een inhoudelijke toetsing van de vordering wordt toegekomen, moet eerst zijn voldaan aan de voorwaarde dat de eiser in het incident voldoende belang heeft bij zijn incidentele vordering, in die zin dat hij daarbij een dusdanig belang heeft dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
[eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. moet digitale boekhouding over het boekjaar 2024 aan [eiseres] verstrekken
3.2.
[eiseres] stelt dat zij een spoedeisend belang bij de vordering heeft, omdat zij zonder de digitale administratie niet tijdig de belastingaangifte kan indienen. [eiseres] moet vóór 1 mei 2026 belastingaangifte doen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt hier afdoende uit dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Uit de dagvaarding volgt niet dat de aangifte reeds is gedaan, zoals [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. aanvoert, aangezien [eiseres] slechts stelt aanspraak te maken op de kosten die met de belastingaangifte zijn gemoeid tot een maximum bedrag van € 750,-. Kennelijk zijn de werkelijke kosten nog niet bekend, waaruit de kantonrechter afleidt dat de aangifte nog niet is gedaan. Ook als [eiseres] langer uitstel zou kunnen verkrijgen op grond van de beconregeling, zoals [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. stelt, kan van [eiseres] niet worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Op voorhand is immers niet zeker of de bodemzaak binnen die uitsteltermijn behandeld zal zijn.
3.3.
Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst van opdracht tussen hen is beëindigd. [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. heeft op grond van artikel 7:403 lid 2 BWPro de verplichting om rekening en verantwoording af te leggen. Aangenomen kan worden dat dit ook de verplichting van de opdrachtnemer omvat om af te dragen wat hij in het kader van de opdracht voor de opdrachtgever onder zich heeft. [1] Deze afgifteplicht ziet niet alleen op materiaal dat de opdrachtnemer van de opdrachtgever heeft aangenomen ten behoeve van de opdracht, maar ook op een (kopie van het) materiaal dat de opdrachtnemer zelf heeft samengesteld om de opdracht te kunnen uitvoeren, zoals een (elektronisch) dossier. Dit brengt met zich dat [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. gehouden is om al hetgeen zij in het kader van de inmiddels beëindigde overeenkomst van de opdracht tussen haar en [eiseres] onder zich heeft aan [eiseres] dient af te geven, waaronder (een kopie van) de gevorderde gegevens. Dat in de overeenkomst is opgenomen dat de digitale boekhouding tot het intellectueel eigendom van opdrachtnemer wordt gerekend, staat niet in de weg aan het overhandigen van een kopie aan [eiseres] . [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het intellectueel eigendomsrecht zich hiertegen verzet. [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. moet de digitale boekhouding over het boekjaar 2024 dus aan [eiseres] verstrekken.
3.4.
Wanneer de opdrachtgever zijn verplichtingen uit de opdracht niet nakomt, dan heeft de opdrachtnemer de bevoegdheid om de op haar rustende verplichting om de stukken af te geven op te schorten. Daarop doet [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. in dit incident een beroep. De kantonrechter passeert dit beroep, omdat het belang van [eiseres] bij het verkrijgen van de digitale boekhouding over 2024 zwaarder weegt. Het opschortingsrecht kan als pressiemiddel tot nakoming dienen of kan zekerheid voor de schuldenaar verschaffen.
Nu tussen partijen onderhavige procedure aanhangig is waarin zal worden beslist waartoe partijen over en weer verplicht zijn, heeft [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. nog maar een beperkt belang bij het opschortingsrecht. Daartegenover weegt het belang van [eiseres] om de digitale boekhouding te verkrijgen om op basis daarvan vóór 1 mei 2026 belastingaangifte te kunnen doen zwaarder.
Termijn en dwangsom
3.5.
De dwangsom wordt toegewezen zoals gevorderd.
3.6.
[eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. krijgt 14 dagen de tijd om de gegevens aan [eiseres] te verstrekken.
Proceskosten
3.7.
[eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op € 217,00 (1 punt x salaris gemachtigde).
In de hoofdzaak
3.8.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.9.
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
3.10.
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
3.11.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Er zal geen gelegenheid worden gegeven om een pleitnota of spreek-/zittingsaantekeningen voor te dragen.
3.12.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
3.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.De beslissing
De kantonrechter
In het incident
4.1.
veroordeelt [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. (hoofdelijk) om binnen 14 dagen na dit vonnis de digitale boekhouding over het boekjaar 2024 aan [eiseres] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-,
4.2.
veroordeelt [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres sub 1 (B.V.)] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In de hoofdzaak
4.3.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen kantonrechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
4.4.
bepaalt dat [eiseres sub 2] , in haar hoedanigheid van voormalig vennoot van de opgeheven vennootschap onder firma [bedrijfsnaam (vof)] , dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [eiseres sub 1 (B.V.)] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
4.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 maart 2026voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden meitot en met augustus 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.6.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.7.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.8.
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minutenzal worden uitgetrokken,
4.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.