ECLI:NL:RBMNE:2026:1122

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/16/606483 / KG ZA 26-47
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag wegens schending waarheidsplicht artikel 21 Rv

In deze zaak vordert eiser de opheffing van het conservatoir beslag dat gedaagde op zijn woning heeft gelegd naar aanleiding van een geschil over een geldleningsovereenkomst van 25 maart 2025. Gedaagde stelt dat eiser de lening moet terugbetalen en voert dwaling en misbruik van omstandigheden aan. Eiser betoogt dat gedaagde artikel 21 Rv Pro heeft geschonden door onjuiste en onvolledige feiten te presenteren in het beslagrekest.

De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde meerdere keren de waarheidsplicht heeft geschonden. Zo werd onjuist vermeld dat eiser geen woning in België had gekocht, terwijl dit wel het geval was. Ook werden essentiële citaten onjuist weergegeven en medische claims over een zware TIA van gedaagde bleken niet aannemelijk door het ontbreken van medische documentatie. Verder bleek dat gedaagde de geldleningsovereenkomst eerder had gezien en besproken dan hij stelde.

Gezien de ernst van deze schendingen, die de grondslag van het beslag vormen, oordeelt de voorzieningenrechter dat het beslag onrechtmatig is gelegd. Het beslag wordt daarom opgeheven. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, die in totaal €1.858,94 bedragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het conservatoir beslag op de woning wordt opgeheven wegens ernstige schending van de waarheidsplicht door gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/606483 / KG ZA 26-47
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F. Arts,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 februari 2026 met 27 producties,
- de producties 1 tot en met 9 van [gedaagde] ,
- productie 28 van [eiser] ,
- de producties 10 en 11 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis bepaald op 27 februari 2026 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Dit is de uitwerking daarvan die op 11 maart 2026 is afgegeven.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft op of omstreeks 16 januari 2026 beslag gelegd ten laste van zijn zoon [eiser] , op diens woning aan de [adres] in [plaats] . Partijen hebben een geschil met elkaar over een geldleningsovereenkomst (waarbij ook deels sprake was van een schenking) van 25 maart 2025, waarbij [gedaagde] een lening aan [eiser] heeft verstrekt. [gedaagde] is van mening dat [eiser] de lening aan hem moet terugbetalen en dat sprake is van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden door de voorzieningenrechter meermaals op het verkeerde been te zetten bij de beoordeling van het beslagrekest. Daarnaast vindt [eiser] dat de vordering van [gedaagde] als summierlijk ondeugdelijk moet worden beoordeeld. [eiser] vordert in dit kort geding daarom dat het beslag op zijn woning moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] artikel 21 Rv Pro heeft geschonden en heft het beslag op.

3.De beoordeling

Het toetsingskader voor het opheffen van conservatoir beslag
3.1.
Artikel 705 Rv Pro wijst de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft gegeven aan als een van de rechters die een beslag kan opheffen. Een opheffingsvordering is bovendien naar zijn aard spoedeisend.
3.2.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv Pro).
3.3.
Artikel 705 lid 2 Rv Pro bevat geen limitatieve opsomming van de opsommingsgronden. Opheffing kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden als het beslagobject van een derde is of als de beslagverzoeker de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. Artikel 21 Rv Pro houdt in dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Blijkens de wetsgeschiedenis is het de bedoeling om met deze bepaling de bewuste leugen uit te bannen en staat het de rechter vrij om aan schending van de waarheidsplicht al dan niet een sanctie naar keuze te verbinden. De waarheidsplicht geldt voor alle in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen procedures en dus ook voor de procedure voor het verkrijgen van beslagverlof. Bij een beslagrekest klemt naleving van artikel 21 Rv Pro des te meer omdat sprake is van een eenzijdig verzoek waarop de rechter na slechts summier onderzoek beslist, (doorgaans) zonder de beslagschuldenaar te horen. De toewijzing daarvan kan voor de beslagschuldenaar (zeer) ingrijpende gevolgen hebben. In de regel mag, en in de praktijk zal, de voorzieningenrechter afgaan op de mededelingen van de beslagverzoeker in het rekest – dat alle voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden bevat – en de daarbij gevoegde stukken.
[gedaagde] heeft artikel 21 Rv Pro geschonden
3.4.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in het beslagrekest meermaals artikel 21 Rv Pro op ernstige wijze geschonden met als enige doel om verlof voor beslaglegging te verkrijgen en in de wetenschap dat [eiser] voor het verlenen van het verlof waarschijnlijk niet zou worden gehoord. [eiser] noemt hiervoor een vijftal schendingen. Tegen deze stellingen heeft [gedaagde] geen inhoudelijk verweer gevoerd, ook niet tijdens de mondelinge behandeling.
3.5.
De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. Het gaat om de volgende schendingen:
[gedaagde] heeft in het beslagrekest onder randnummer 8 vermeld dat hij de geldleningsovereenkomst, toen hij deze tekende, nog niet eerder had gezien. De voorzieningenrechter constateert dat deze stelling van [gedaagde] niet juist kan zijn. Het is namelijk gebleken dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst wel eerder heeft gezien dan het moment van ondertekenen. Uit productie 16 bij de dagvaarding blijkt namelijk dat [gedaagde] de conceptovereenkomst vijf dagen voor de ondertekening per mail van [eiser] heeft ontvangen. En uit productie 17 bij de dagvaarding blijkt vervolgens dat [gedaagde] daar, twee dagen voor de ondertekening, akkoord op heeft gegeven. [gedaagde] schrijft in die e-mail namelijk: “
Prima [eiser] , er valt niets op aan te merken Dank.”.
In randnummer 36 van het beslagrekest heeft [gedaagde] gesteld dat de geldleningsovereenkomst nooit is besproken. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] ook op dit punt een onjuiste gang van zaken heeft weergegeven. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt uit productie 16 en 17 dat [gedaagde] en [eiser] met elkaar contact hebben gehad over de geldleningsovereenkomst. Daarnaast is de voorzieningenrechter gebleken dat in ieder geval één onderwerp uit de geldleningsovereenkomst op 5 maart 2025, en dus 20 dagen voor het ondertekenen van de geldleningsovereenkomst, al is besproken tussen partijen. [gedaagde] heeft via Whatsapp (zoals blijkt uit productie 28 van [eiser] ) namelijk onder meer het volgende naar [eiser] gestuurd: “
Dus stel na 5 jaar op de helft van het contact dan kunnen we toch een clausule opnemen dat mocht er ernstige ziekte of overlijden plaatsvinden van mij of [A] na 5 jaar er een heroverweging maar met dezelfde uitgangspunten moet worden aangepast Zoiets?
Kennelijk hebben partijen met elkaar gesproken over een herzieningsclausule, die ook zij het met een andere termijn in de geldleningsovereenkomst terecht is gekomen.
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat [eiser] een woning in België heeft gekocht. Volgens [gedaagde] had [eiser] het van zijn vader geleende geld moeten aanwenden om zijn problemen met de bank met betrekking tot de [adres] op te lossen. In plaats daarvan zou [eiser] het geld hebben gebruikt voor de aankoop van de woning in België. [eiser] betwist dat hij het geld hiervoor heeft gebruikt.
[gedaagde] heeft in randnummer 12 van het beslagrekest het volgende opgenomen met betrekking tot de woning in België: “
Eerst langere tijd nadat in april 2025 de overboekingen aan verweerder waren verricht, kwam verzoeker ervan op de hoogte dat verweerder rond 25 maart 2025 een woning in België had aangekocht.”.
Met [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat [gedaagde] wel al eerder op de hoogte was van de koop van een woning in België en [gedaagde] dit dus onjuist heeft vermeld in het beslagrekest. Zo blijkt uit productie 9 bij de dagvaarding dat [gedaagde] richting [eiser] is begonnen over het kopen van een huis in België en uit productie 14 bij de dagvaarding volgt dat [gedaagde] een Funda-link aan [eiser] heeft doorgestuurd “
mocht België niet doorgaan”. Ook heeft [gedaagde] al op 12 april 2025 het adres van de woning in België aan [eiser] gevraagd (productie 18 bij de dagvaarding).
4. In randnummer 18 van het beslagrekest heeft [gedaagde] het volgende citaat opgenomen “
De aflossing van € 2000, per maand impliceert een periode van bijna 21 jaar.”. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] dit citaat onjuist heeft overgenomen uit de betreffende e-mail van [eiser] (productie 3 bij het beslagrekest). De oorspronkelijke tekst is namelijk als volgt: “
De aflossing van € 2000 per maand impliceert en periode van bijna 10 jaar.”. Hoewel het mogelijk is dat een verschrijving terecht komt in een processtuk, valt een dergelijke verschrijving [gedaagde] wel te verwijten. Het betreft namelijk essentiële informatie over wat partijen met elkaar hebben afgesproken en wat ten grondslag ligt aan het beslag. Zorgvuldigheid voor wat betreft het opnemen van een citaat in het beslagrekest was daarom op zijn plaats geweest.
5. Tot slot heeft [gedaagde] in randnummers 32 tot en met 37 van het beslagrekest gesteld dat hij een zware TIA heeft gehad en dat hij daarvoor onder behandeling was bij een geriater. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat [gedaagde] een zware TIA heeft gehad waarvan hij twee jaar daarna nog ernstige en blijvende klachten en beperkingen ervaart en waarvoor hij onder behandeling zou zijn bij een geriater. [gedaagde] heeft geen enkele medische documentatie overgelegd waaruit dit zou blijken, terwijl deze documentatie volgens randnummer 19 van het beslagrekest wel beschikbaar zou zijn. Met [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat uit de producties 10 en 20 tot en met 26 bij de dagvaarding eerder blijkt dat [gedaagde] slechts tijdelijke lichte klachten aan de TIA in mei 2023 heeft overgehouden.
3.6.
Bovenstaande omstandigheden maken, in onderlinge samenhang bezien, dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [gedaagde] artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. [gedaagde] heeft op de hiervoor genoemde onderwerpen namelijk niet de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd. Dit betreffen geen details, maar dit was essentiële informatie op basis waarvan het beslagrekest moest worden beoordeeld. De voorzieningenrechter acht dit dan ook een ernstige schending, omdat het hoofdargumenten betreffen die de grondslag vormen voor het leggen van het beslag en op basis waarvan het verlof is verleend door de voorzieningenrechter. Dit geldt des te meer omdat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van een beslagrekest af moet gaan op een eenzijdig verzoek en zonder het horen van de beslagene. Indien de voorzieningenrechter correct was geïnformeerd in het beslagrekest, dan was de kans zeer aannemelijk dat het verlof niet was verleend. Dit leidt ertoe dat het een passende consequentie is om het op (of omstreeks) 16 januari 2026 gelegde beslag op de woning aan de [adres] in [plaats] op te heffen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.858,94

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
heft op het op (of omstreeks) 16 januari 2026 door [gedaagde] ten laste van [eiser] op het registergoed, plaatselijk bekend onder het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend Hilversum [nummer] , gelegde beslag,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
WM (5442)