ECLI:NL:RBMNE:2026:1123

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
12063858 \ LC EXPL 26-108
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst ondanks huurachterstand wegens bijzondere omstandigheden

Centrada heeft de huurder gedagvaard wegens een huurachterstand van €2.931,40 en vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De huurder erkent de achterstand, maar verzet zich tegen ontbinding en ontruiming.

De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand vier maanden bedraagt, wat normaal gesproken ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. Echter, de huurder heeft gemotiveerd toegelicht dat de achterstand is ontstaan door bijzondere persoonlijke omstandigheden in het voorjaar van 2025. Inmiddels heeft de huurder weer werk, een goed inkomen en betaalt hij de lopende huurtermijnen. Tevens is een regeling getroffen waarbij de huurder vanaf 1 april 2026 €500,- extra betaalt naast de lopende huur.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder een kans verdient en wijst de ontbinding en ontruiming af. Wel wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de wettelijke rente en de proceskosten. Het rentebeding in de huurovereenkomst wordt als niet onredelijk bezwarend beoordeeld. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en rente, maar ontbinding en ontruiming worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12063858 \ LC EXPL 26-108
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
WOONSTICHTING CENTRADA,
handelend onder de naam Centrada,
te Lelystad,
eisende partij,
hierna te noemen: Centrada,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Het verloop van de zaak

1.1.
Centrada heeft [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op de dagvaarding gereageerd. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden. Centrada heeft, vóórdat de zaak met de kantonrechter is besproken, nog nadere stukken opgestuurd.
1.2.
De zaak is bij de kantonrechter besproken op 4 maart 2026. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Vervolgens is vonnis bepaald.

2.Waar het in deze procedure om gaat

2.1.
[gedaagde] huurt van Centrada de woning aan de [adres] in [plaats] . De huur is (op dit moment) € 739,09 per maand en moet worden vooruitbetaald. [gedaagde] heeft een huurachterstand.
2.2.
Centrada vordert – kort gezegd – ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van de woning. Ook eist zij betaling van de huurachterstand met rente en kosten.
2.3.
Volgens [gedaagde] klopt het dat er een huurachterstand is, maar [gedaagde] is het er niet mee eens dat de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat hij de woning moet ontruimen.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
3.1.
Centrada noemt in de nagestuurde specificatie een huurachterstand van € 2.931,40. Deze huurachterstand is berekend tot en met de maand maart 2026.
Volgens [gedaagde] klopt die huurachterstand. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen om dit bedrag aan Centrada te betalen.
Geen ontbinding en ontruiming
3.2.
Er is een huurachterstand van vier maanden. Deze achterstand rechtvaardigt in beginsel een ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van de woning. [gedaagde] heeft gemotiveerd uitgelegd door welke bijzondere persoonlijke omstandigheden in het voorjaar 2025 de huurachterstand is ontstaan. [gedaagde] heeft sinds kort een baan en werkt daarnaast nog extra om zijn schulden te voldoen. [gedaagde] heeft hulp gezocht bij het MDF. Inmiddels heeft [gedaagde] weer werk, en een goed inkomen. Daarnaast betaalt [gedaagde] de lopende huurtermijnen en is de hoogte van de huurachterstand sinds de dagvaarding gelijk gebleven. Partijen hebben op de zitting een regeling getroffen. Deze regeling houdt in dat [gedaagde] vanaf 1 april 2026 € 500,00 betaalt naast de lopende huurtermijnen. De kantonrechter is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat [gedaagde] nog een kans verdient en zal daarom de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afwijzen. Dit betekent dat [gedaagde] in de woning mag blijven wonen.
Ambtshalve toetsing
3.3.
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (Centrada) en een consument( [gedaagde] ). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige belangrijke consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen. In deze procedure gaat het met name om het beding over rente.
[gedaagde] moet de rente betalen
3.4.
Het rentebeding in artikel 6.1 is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW Pro. Dit beding is daarom niet onredelijk bezwarend.
3.5.
[gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de rente van € 67,09 tot 14 januari 2026 en de rente die door Centrada is gevorderd tot en met de dag waarop de achterstand helemaal is betaald. Deze rente moet [gedaagde] ook betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.6.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Centrada worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
529,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.314,52

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Centrada van:
-€ 2.931,40 aan huurachterstand tot en met maart 2026,
- € 67,09 aan wettelijke rente tot 14 januari 2026;
- de wettelijke rente over € 2.931,40 vanaf 14 januari 2026 tot de dag waarop alles is betaald, waarbij rekening moet worden gehouden met tussentijdse betalingen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.314,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af wat er meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.