ECLI:NL:RBMNE:2026:1129

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11881244 \ LC EXPL 25-1924
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:271 BWArt. 6:277 BWArt. 6:119 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Partiële ontbinding overeenkomst en schadevergoeding wegens wanprestatie bij levering sanitair

Eiseres en gedaagde sloten een overeenkomst voor levering van sanitair en toebehoren naar Frankrijk. Gedaagde leverde niet alle bestelde goederen, ondanks betaling door eiseres. Eiseres gaf gedaagde de kans om alsnog te leveren, wat niet gebeurde, waarna zij de overeenkomst partieel ontbond.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagde tekortgeschoten is in de nakoming en in verzuim verkeert. Gedaagde moest daarom een deel van de betaalde koopprijs terugbetalen voor de niet geleverde goederen, verminderd met twee niet op de factuur vermelde artikelen.

Daarnaast werd een aanvullende schadevergoeding toegekend wegens gemaakte extra kosten door eiseres, met uitzondering van onvoldoende onderbouwde arbeidskosten. Gedaagde werd ook veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €12.032,33 met rente en kosten wegens niet geleverde goederen en aanvullende schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11881244 \ LC EXPL 25-1924
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L. Knol en mr. K. Bosman,
tegen
[gedaagde] , handelend als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam],
wonende en zaakdoende te [woonplaats]
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 16;
- de mondelinge conclusie van antwoord;
- de brief van 31 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat op 10 februari 2026 een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De zaak is op 10 februari 2026 bij de kantonrechter besproken. Namens [eiseres] is de heer [A] – eigenaar en directeur van [eiseres] – verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. Knol en mr. Bosman. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen hebben een overeenkomst voor levering van sanitair en toebehoren naar Frankrijk gesloten. [gedaagde] heeft niet alle goederen geleverd. [eiseres] heeft [gedaagde] nog de kans gegeven om de niet geleverde goederen alsnog te leveren. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Daarom heeft [eiseres] de overeenkomst tussen partijen ten aanzien van de niet geleverde goederen partieel ontbonden. [eiseres] wil dat [gedaagde] haar een bedrag van
€ 13.822,33 (= € 9.215,45 voor de niet geleverde goederen en een aanvullende schadevergoeding van € 4.606,88), met rente kosten, betaalt. [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van [eiseres] . De kantonrechter wijst grotendeels de vorderingen van [eiseres] toe. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het bedrag van € 12.032,33, met rente en kosten, aan [eiseres] moet betalen.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet het bedrag van € 12.032,33 aan [eiseres] betalen
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting uit de overeenkomst door niet alle bestelde en betaalde goederen aan [eiseres] te leveren. [eiseres] mocht daarom de overeenkomst partieel buitengerechtelijk ontbinden. [gedaagde] is naast de terugbetaling van het bedrag voor de niet geleverde goederen, ook gehouden om de schade als gevolg van de partiele ontbinding aan [eiseres] te vergoeden. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 12.032,33 aan [eiseres] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader voor ontbinding
3.2.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij in beginsel de bevoegdheid om de overeenkomst helemaal of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is alleen anders wanneer de tekortkoming, vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de tekortschietende partij in verzuim is (artikel 6:265 lid 2 BW Pro).
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting tot levering van een deel van de bestelde goederen
3.3.
Partijen zijn een overeenkomst overeengekomen, waarbij afgesproken is dat [gedaagde] de bestelde goederen als vermeld op de factuur van 25 februari 2025 in productie 2 bij dagvaarding aan [eiseres] zou leveren en [eiseres] zou de koopprijs voor die goederen aan [gedaagde] betalen. [eiseres] heeft de koopprijs van € 16.940,00 aan [gedaagde] betaald. [eiseres] stelt dat zij een deel van de bestelde goederen niet heeft ontvangen en/of geleverd heeft gekregen, namelijk de vermelde goederen in productie 16 bij dagvaarding onder het kopje ‘
Factuur betaald, niet geleverd’. [gedaagde] heeft dit betwist. Volgens [gedaagde] zijn de bestelde goederen wel geleverd. De goederen zijn aan de aannemer of medewerker van [eiseres] afgegeven. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet en wel om het volgende.
3.4.
Volgens de hoofdregel van bewijsrecht draagt de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast (artikel 150 van Pro Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Omdat [eiseres] de ontvangst van een deel van de bestelde goederen heeft betwist, ligt het op de weg van [gedaagde] om aan te tonen dat het door [eiseres] gestelde ontbrekende deel van de bestelling [eiseres] wél heeft bereikt en dus door [eiseres] is ontvangen.
3.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat het door [eiseres] gestelde ontbrekende deel van de bestelling door [eiseres] is ontvangen. [gedaagde] heeft zijn standpunt – dat de goederen zijn afgeleverd – op geen enkele wijze onderbouwd. [gedaagde] was nog in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt nader te onderbouwen door een aanvullende conclusie van antwoord te nemen, maar [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt.
3.6.
De kantonrechter stelt op basis van het voorgaande vast dat de door [eiseres] gestelde niet geleverde goederen in productie 16 bij dagvaarding – behoudens de TYNE fontein en de thermostatische multiblok set, hierna meer onder 3.10 en 3.11.) – niet bij [eiseres] is afgeleverd. Dit betekent dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting tot levering van een deel van de bestelde goederen.
[gedaagde] is in verzuim
3.7.
[eiseres] heeft in de e-mail van 26 mei 2025 [gedaagde] de kans gegeven om de niet geleverde goederen alsnog aan haar te leveren (zie productie 12 bij dagvaarding). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat [gedaagde] in verzuim is.
[eiseres] mocht de koopovereenkomst ontbinden
3.8.
[eiseres] mocht op 1 juli 2025 dan ook overgaan tot partiele ontbinding van de overeenkomst ten aanzien van de niet geleverde goederen (zie productie 13 bij dagvaarding).
[gedaagde] moet het bedrag van € 8.375,45 voor de niet geleverde goederen aan [eiseres] terugbetalen
3.9.
De partiele ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van hun verplichtingen over en weer uit die overeenkomst en voor zover verplichtingen al zijn nagekomen, moeten deze ongedaan gemaakt worden (artikel 6:271 BW Pro). Dit betekent dat [gedaagde] de niet geleverde goederen niet meer aan [eiseres] hoeft te leveren en [gedaagde] aan [eiseres] een deel van de betaalde koopprijs, dat ziet op de niet geleverde goederen aan [eiseres] , moet terug betalen.
3.10.
[eiseres] heeft gesteld dat zij de goederen zoals is vermeld in productie 16 bij dagvaarding onder het kopje ‘
Factuur betaald, niet geleverd’ niet heeft ontvangen. Die niet geleverde goederen vertegenwoordigen een waarde van € 9.215,45. [gedaagde] heeft de hoogte van dit bedrag niet betwist. De kantonrechter wijst de vordering tot terugbetaling van de niet geleverde goederen toe tot het bedrag van € 8.375,45 en wel om het volgende.
3.11.
In de opsomming in productie 16 bij dagvaarding staan de TYNE fontein van € 642,00 en de thermostatische multiblok set van € 198,00 vermeld, maar die twee goederen komen niet voor op de factuur van 25 februari 2025 in productie 2 bij dagvaarding, waarop [eiseres] haar vordering heeft gebaseerd. Het deel van de vordering, dat ziet op de twee voornoemde goederen, wordt dan ook afgewezen. Dit leidt er toe dat het bedrag van € 8.375,45 (= € 9.215,45 - € 642,00 - € 198,00) toewijsbaar is.
[gedaagde] moet het bedrag van € 3.656,88 aan aanvullende schadevergoeding aan [eiseres] betalen
3.12.
[eiseres] wil verder een aanvullende schadevergoeding van € 4.606,88 wegens de partiele ontbinding van de overeenkomst (artikel 6:277 lid 1 BW Pro). [eiseres] meent dat zij schade heeft geleden. De schade bestaat uit de dubbele kosten voor reis naar Frankrijk vanwege de halve levering van goederen van € 1.950,23, onnodige gemaakte kosten voor een reis naar Frankrijk ten behoeve van niet geleverde tegelstrippen/hoekprofielen van € 1.656,00, het verschil in kosten voor vervangende spiegels van € 50,65 en de arbeidskosten voor het bestellen van alternatieve meubels van € 950,00. [gedaagde] heeft de hoogte van dit bedrag niet betwist. De kantonrechter wijst de aanvullende schadevergoeding toe tot het bedrag van € 3.656,88 (= € 4.606,88 - € 950,00), behoudens de arbeidskosten van € 950,00, omdat die arbeidskosten onvoldoende zijn onderbouwd.
Conclusie
3.13.
Het voorgaande leidt er toe dat [gedaagde] het bedrag van € 12.032,33 (= € 8.375,45 + € 3.656,88) aan [eiseres] moet betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.14.
Tegen de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.083,34 (inclusief btw) betalen
3.15.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief op basis van het toewijsbare bedrag van € 12.032,33, te weten € 1.083,34 (inclusief btw).
[gedaagde] moet de proceskosten met rente betalen
3.16.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.591,35
3.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 12.032,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 16 juli 2025 tot de voldoening,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen
€ 1.083,34 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
HHt/37278