5.3.Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf en/of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek twee keer schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en aan een mishandeling. Dit zijn zeer ernstige feiten.
De verdachte heeft het eerste slachtoffer midden in de nacht, terwijl zij alleen onderweg was op de fiets naar huis na een avond uit in het centrum van Utrecht, laten stoppen, haar vastgepakt en zijn hand voor haar mond gehouden. Het slachtoffer heeft geprobeerd te schreeuwen en de verdachte gebeten waardoor zij los kon komen en kon wegkomen. Het tweede slachtoffer, dat ook alleen onderweg was, is door de verdachte van haar fiets getrokken en in de richting van het geopende bijrijdersportier van zijn auto gesleept. Hierbij heeft de verdachte geroepen dat ze stil moest zijn. Het slachtoffer heeft geschreeuwd en om zich heen geschopt en geslagen waardoor zij kon los komen en kon wegkomen. Dat het er heftig aan toe is gegaan blijkt wel uit haar letsel en uit de (kapotte) sieraden die op verschillende plekken gevonden zijn op de plaats delict.
De verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Dat dit voor zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] een zeer angstige ervaring is geweest, blijkt uit hun aangiftes. Zij hebben angstige momenten beleefd en waren na de gebeurtenissen erg overstuur en in paniek. De angst en paniek blijkt ook uit de indringende slachtofferverklaring die door [slachtoffer 1] is afgelegd tijdens de zitting, waarbij zij heeft aangegeven dat zij voor haar leven heeft gevreesd. [slachtoffer 2] heeft aangegeven het niet aan te durven bij de behandeling op de zitting aanwezig te zijn omdat zij dan met de verdachte geconfronteerd zou worden. Beide slachtoffers ervaren nog steeds negatieve gevolgen van wat hen is aangedaan in de vorm van psychische klachten. Zij hebben allebei professionele psychische hulp ingeschakeld om te kunnen verwerken wat er is gebeurd. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd over de gevoelens of het welzijn van de slachtoffers en zich enkel laten leiden door zijn eigen verlangens en behoeftes. Hij heeft geen rekening gehouden met het leed dat hij hen zou toebrengen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Naast de impact op de slachtoffers zelf zorgen dit soort feiten voor onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen. Wat de slachtoffers is overkomen, is een scenario waar veel vrouwen bang voor zijn dat dit hen overkomt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van:
- het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van
- een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van
- een retourverslag van 21 oktober 2025 van Reclassering Nederland en
- de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in het kader van een eerder aan de verdachte opgelegde tbs met voorwaarden, waaronder de Pro Justitia rapportage van 14 februari 2023, opgesteld door L.H.W.M. Kaiser, psychiater.
Gevangenisstraf
Vanwege de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Alles overwegende en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die hierna aan de orde komen, zal de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest opleggen. De rechtbank komt tot een lagere straf dan die de officier van justitie heeft geëist omdat niet alle tenlastegelegde feiten bewezen zijn.
Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of, naast de oplegging van een gevangenisstraf, ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
Wettelijk kader
De tbs-maatregel kan door de rechtbank worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eisen, kan ook worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr).
Voor oplegging van de maatregel is verder vereist dat de rechtbank beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a lid 3 Sr). Indien een verdachte zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van tbs de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek (artikel 37a lid 4 Sr). Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van een tbs-maatregel niet mogelijk.
Weigering mee te werken aan onderzoek
De verdachte heeft in het kader van de huidige verdenking geweigerd mee te werken aan een consult rechtspleging NIFP en een ambulante Pro Justitia dubbelonderzoek. Om die reden is geadviseerd verdachte klinisch te observeren in het Pieter Baan Centrum (PBC).
De rechtbank heeft deze observatie bevolen. De observatie heeft van 24 juni 2025 tot en met 5 augustus 2025 plaatsgevonden. Uit de rapportage van 2 oktober 2025 van het PBC volgt dat de verdachte ook daar heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.
Daarmee heeft hij de deskundigen de mogelijkheid ontnomen hem te observeren en waar te nemen, waardoor over zijn psychische gesteldheid geen compleet beeld kan worden gevormd. De deskundigen konden om die reden steeds geen conclusie trekken over het classificeren van een psychische stoornis en of die stoornis ook bestond tijdens het plegen van de misdrijven. Daardoor hebben zij zich onthouden van enig advies.
De rechtbank merkt op dat wanneer vanwege de weigerende houding van de verdachte door de gedragsdeskundigen geen psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling kan worden vastgesteld, dat niet betekent dat geen tbs-maatregel kan worden opgelegd. Het is namelijk aan de rechtbank om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het gaat daarbij om vaststelling of sprake was van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in juridische zin; vaststellingen over de precieze aard van de bij verdachte vastgestelde stoornis zijn niet noodzakelijk (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2023 met vindplaats ECLI:NL:HR:2023:1295). De rechtbank heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door de deskundigen uitgebrachte adviezen. Is er een stoornis ten tijde van het plegen van de feiten?
De rechtbank zal eerst nagaan of zij kan vaststellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
In het strafdossier van de verdachte bevinden zich diverse rapportages die zijn opgemaakt over de persoon van de verdachte, waaronder ook rapportages die zijn opgemaakt in het kader van de eerder aan de verdachte opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden. Aan de verdachte is bij vonnis van 19 november 2015 namelijk de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd, omdat hij is veroordeeld voor verkrachting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven met gericht.
In het kader van deze tbs-maatregel is in de verlengingsrapportage van 14 februari 2023 geadviseerd over de wenselijkheid van verlenging van de tbs-maatregel met voorwaarden. De psychiater heeft op de vraag of de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en, zo ja, hoe is dit in diagnostische zin is te omschrijven het volgende aangegeven. Er is bij de verdachte sprake van een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, borderline en antisociale kenmerken’, maar deze zijn gedeeltelijk in remissie. Ook is er een andere gespecificeerde parafiele stoornis, dominantie type, in remissie. De stoornis in cannabisgebruik is in volledige remissie. De diagnostiek komt volgens de psychiater overeen met de beschrijvende diagnostiek van de eerdere rapportages, maar hij heeft er borderline kenmerken aan toegevoegd om daarmee de instabiliteit in zelfbeeld en in zijn gevoelsleven weer te geven. De kans op herhaling van een seksueel geweldsdelict is volgens de actuariële inschatting laag. De psychiater geeft het advies om de tbs niet te verlengen als de verdachte op de verlengingszitting stabiel functioneert. Op 25 juli 2023 is de tbs-maatregel geëindigd.
Zoals eerder is overwogen, heeft de verdachte niet meegewerkt aan het onderzoek in het PBC. De rapporteurs van het PBC schrijven het volgende:
Ook in het PBC heeft betrokkene gedecideerd en standvastig vormgegeven aan een procespositie waarin slechts enige observatie mogelijk was ten aanzien van het functioneren op de afdeling (…). Betrokkene ging niet in gesprek met het onderzoeksteam, nam niet deel aan testpsychologisch onderzoek of psychomotorische observatie, verleende geen toestemming tot het opvragen van informatie, voerde geen persoonlijke gesprekken op de afdeling, had geen netwerkcontacten en wilde geen kennisnemen van conceptrapportages of verloop van overlegmomenten.
(…)
Betrokkene heeft van 2017 tot 2023 een traject van tbs met voorwaarden doorlopen, naar aanleiding van een in 2015 gepleegde verkrachting. In het dubbelonderzoek PJ van 2015, waar betrokkene medewerking aan verleende, werd een parafiele stoornis (dominante type), een gemengde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, ontwijkende en afhankelijke trekken) en een stoornis in cannabisgebruik vastgesteld. Gedurende het (voorwaardelijke) tbs-traject, wordt deze diagnostiek niet significant gewijzigd.
(…)
Op basis van de beschikbare informatie kan samenvattend gedragskundig een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (ontwikkelings- en persoonlijkheidsgericht) worden vermoed, maar is er onvoldoende eigen 'onderzoeksdikte' om dit te kunnen onderbouwen
(…)
Doordat onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over een mogelijke doorwerking van betrokkenes psychopathologie in de ten laste gelegde feiten, kunnen zij geen onderbouwd antwoord geven op de vraag of mogelijke psychopathologie van invloed is op het recidivegevaar van feiten zoals het hem thans ten laste wordt gelegd. De vraag naar het (psychopathologische bepaalde) recidivegevaar kan dan ook door onderzoekers niet worden beantwoord. Op basis van historische, niet veranderbare, indicatoren voor toekomstig geweld geldt evenwel statistisch dat betrokkene op groepsniveau een bovengemiddeld risico heeft voor het plegen van seksueel gewelddadig gedrag.
Uit de PBC-rapportage maakt de rechtbank op dat bij de verdachte in 2015 in een dubbelonderzoek Pro Justitia een parafiele stooris, een gemengde persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik is vastgesteld die gedurende het tbs-traject niet significant zijn gewijzigd. Omdat het verloop van diagnostisch onderzoek over een tijdspanne van tien jaar vragen oproept op het gebied van ‘finetuning’ en een actuele stand van zaken, hadden de onderzoekers graag diagnostisch onderzoek uitgevoerd gericht op in ieder geval de persoonlijkheid mogelijke ontwikkelingsproblematiek (meer concreet mogelijke autismespectrumproblematiek), copingstijl, middelengebruik buiten gecontroleerde context en forensisch meest relevant geacht seksuele problematiek. De onderzoekers komen niet toe aan diagnostische conclusies. Of voorheen gestelde diagnose(s) nog actueel zijn, kan door een gebrek aan informatie niet worden bevestigd of verworpen. Omdat er geen diagnostische conclusies konden worden getrokken en de verdachte niet heeft willen spreken over de verdenking konden geen conclusies worden getrokken over de doorwerking van een eventuele stoornis, de doorwerking daarvan ten tijde van de onderhavige feiten, de risico’s en dus geen interventieadvies kunnen worden gegeven.
Gelet op de inhoud van de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in het kader van de opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden, is de rechtbank echter van oordeel dat tot een vaststelling kan worden gekomen dat de verdachte ten tijde van de feiten in de onderhavige strafzaak leed aan een stoornis in de zin van artikel 37a Sr. De rechtbank legt dit als volgt uit.
De verdachte is op 19 november 2015 veroordeeld voor onder andere een gewelddadige verkrachting. Hij heeft in de nacht van 9 mei 2015 een vrouw een lift aangeboden waarna hij haar in het park heeft verkracht en heeft gedwongen tot het verrichten en
ondergaan van seksuele handelingen onder bedreiging van een mes, alles met gebruik van
fors geweld. Bij de verdachte is toen een parafiele stoornis (dominante type), een gemengde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, ontwijkende en afhankelijke trekken) en een stoornis in cannabisgebruik vastgesteld. Uit het destijds opgemaakte Pro Justitia rapport van psychiater dr. P.K.J. Ronhaar van 22 juli 2025 volgt dat de behoefte te
domineren en seksualiteit bij de verdachte met elkaar waren verbonden in zijn parafilie. De gestoorde agressieregulatie lag verankerd in zijn persoonlijkheidsstoornis en heeft er
toe geleid dat hij, toen het niet ging zoals hij wilde, tot fors geweld overging. In de onderhavige strafzaak wordt de verdachte voor drie feiten veroordeeld gericht tegen twee jonge vrouwen die de verdachte ook niet kende. Hoewel de gedragingen van de verdachte niet leiden tot een veroordeling voor een poging tot opzetverkrachting ziet de rechtbank echter wel een seksuele intentie van de verdachte bij de huidige bewezenverklaarde feiten. De rechtbank leidt deze intentie af uit hetgeen verdachte zelf in zijn schriftelijke verklaring van 20 december 2024 heeft vermeld over zijn beweegredenen om het tweede slachtoffer te laten stoppen en van haar fiets te trekken. Daarbij heeft hij verwezen naar de situatie van
9 jaar geleden, dus, zo begrijpt de rechtbank, naar het moment dat hij een vrouw heeft verkracht. De verdachte begon naar eigen zeggen sterk aan zichzelf te twijfelen, en vroeg zich af hoe hij zeker zou kunnen weten niet meer de persoon te zijn van 9 jaar geleden.
Dat de verdachte ervoor koos in zijn wanhoop en onzekerheid een jonge vrouw van haar fiets te trekken en een andere jonge vrouw tegen te houden, vast te pakken en zijn hand voor haar mond te houden, na het doorlopen van een tbs-traject om op andere wijze met zijn gevoelens en behoeftes om te gaan, vindt de rechtbank zeer zorgelijk.
Op basis van bovengenoemde rapporten concludeert de rechtbank dat de eerder gestelde diagnoses in de kern niet zijn gewijzigd en dat de eerdere behandeling in de tbs hierin geen wezenlijke verandering heeft gebracht. De rechtbank concludeert dat er, mede gezien de seksuele intentie bij de huidige bewezenverklaarde feiten, hiermee voldoende grond is voor de vaststelling dat er bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, nog altijd een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Gevaar voor herhaling
Er is sprake van een zeer zorgelijke ontwikkeling. Nadat de tbs-maatregel met voorwaarden is geëindigd, is de verdachte na ongeveer een jaar tot het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten gekomen. Gelet op de vaststelling dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijk stoornis, de eerdere veroordeling vanwege verkrachting, het feit dat de verdachte niet meewerkt aan onderzoek en behandeling en geen blijk geeft van probleeminzicht, vindt de rechtbank een aanzienlijk gevaar voor herhaling aanwezig.
De verdachte vormt daarmee een groot gevaar voor de algemene veiligheid van personen.
Behandeling van de verdachte in een klinische setting is dan ook noodzakelijk.
Behandeling binnen de tbs met dwangverpleging
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte, die in verband met de maatschappelijke veiligheid noodzakelijk is, alleen kan plaatsvinden in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging.
De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de feiten na ongeveer een jaar na het door de verdachte doorlopen van het eerdere tbs-traject hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft, door in deze zaak te weigeren medewerking te verlenen aan onderzoek van gedragsdeskundigen, iedere opening naar een onderzoek naar alternatieve, minder vergaande mogelijkheden om herhalingsgevaar te verminderen, onmogelijk gemaakt. Een tbs-maatregel met voorwaarden met een klinische behandeling is dan ook niet aan de orde.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval passend en noodzakelijk is. Aan alle wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr stelt de rechtbank vast dat de onder feit 1 primair en 2 bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank heeft daarbij de intentie van de verdachte bij het plegen van die feiten betrokken, die volgens de rechtbank seksueel van aard is geweest en daarmee dit gevaar veroorzaakt. Dit maakt dat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.