ECLI:NL:RBMNE:2026:113

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
16/261811-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en bewezenverklaring van poging tot opzettelijke vrijheidsberoving en mishandeling in Utrecht

Op 20 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van meerdere feiten, waaronder poging tot (gekwalificeerde) opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van twee jonge vrouwen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de poging tot opzetverkrachting, maar bewezen verklaard dat hij op 10 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven en op 13 augustus 2024 [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, door de slachtoffers te benaderen en hen vast te pakken, een ernstige inbreuk heeft gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, en de rechtbank heeft een tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd. De rechtbank heeft ook schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], voor de geleden immateriële en materiële schade.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/261811-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1987] in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in het [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
16 december 2025. Het onderzoek is gesloten op 20 januari 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting van 16 december 2025 waren aanwezig:
  • de officieren van justitie: mr. M. Kamper en mr. S.K. Lanning-Stein (hierna gezamenlijk in het enkelvoud: de officier van justitie);
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [slachtoffer 1] ;
  • de advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] : mr. B. Roodveldt.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1primairop 10 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven;
subsidiair
op 10 augustus 2024 in Utrecht [slachtoffer 2] , heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden;
feit 2op 13 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven;
feit 3op 13 augustus 2024 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 4op 10 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] opzettelijk te verkrachten en deze poging tot opzetverkrachting is voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging;
feit 5op 13 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] opzettelijk te verkrachten en deze poging tot opzetverkrachtingis voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging;
feit 6op 16 augustus 2024 in Maastricht voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting door – onder andere – voorwerpen daartoe voorhanden te hebben gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 4, 5 en 6. De advocaat voert geen verweer over het bewijs met betrekking tot de feiten 2 en 3. Over de feiten 1, 4, 5 en 6 voert de advocaat verschillende verweren over het bewijs.
De standpunten van de officier van justitie en de raadsman worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In de nacht van 9 op 10 augustus 2024 is aangeefster [slachtoffer 2] , na uit te zijn geweest in het centrum van Utrecht, vanaf de Ganzenmarkt in het centrum in de richting van Kanaleneiland gefietst. Toen zij op de Jutfaseweg fietste, kwam er een man op het fietspad staan, die haar heeft laten stoppen, haar heeft vastgepakt en een hand voor haar mond heeft gedaan. Door te proberen te schreeuwen en te bijten in de hand van de man, liet de man haar weer los en is [slachtoffer 2] hard weggefietst.
In de nacht van 12 op 13 augustus 2024 is aangeefster [slachtoffer 1] vanaf Tivoli Vredenburg in Utrecht op de fiets vertrokken op weg naar een vriendin. Op het fietspad op de Weg tot de Wetenschap kwam haar een witte auto tegemoet rijden. De bestuurder zette de auto stil op het fietspad onder de tunnel en stapte uit. De bestuurder heeft [slachtoffer 1] vastgepakt. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer 1] los en liep de bestuurder naar zijn auto. Toen de bestuurder instapte, heeft [slachtoffer 1] haar fiets gepakt en kon zij wegfietsen.
Na onderzoek kwam de verdachte in beeld bij de politie. Op 16 augustus 2024 is de verdachte na een klopjacht door de politie aangehouden in Maastricht. Bij zijn aanhouding had de verdachte in een rugzak voorwerpen bij zich waaronder een touw, een mes, glijmiddel, een buttplug en een kunstpenis.
De verdachte ontkent de man te zijn geweest die aangeefster [slachtoffer 2] in de nacht van
9 op 10 augustus 2024 heeft vastgepakt en een hand voor haar mond te hebben gedaan. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte degene is geweest die aangeefster [slachtoffer 2] heeft benaderd. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de rechtbank te beoordelen hoe deze handelingen juridisch moeten worden geduid.
Wat betreft aangeefster [slachtoffer 1] bekent de verdachte dat hij in de nacht van 12 op 13 augustus 2024 zijn witte auto op het fietspad heeft gezet en naar haar toe is gegaan. De verdachte heeft haar naar eigen zeggen alleen kort vastgepakt. De rechtbank dient te beoordelen welke gedragingen precies hebben plaatsgevonden en hoe deze juridisch moeten worden geduid.
Daarnaast dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte met de voorwerpen die hij op
16 augustus 2024 in zijn rugzak bij zich had, zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding voor vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting.
De rechtbank zal hierna uitleggen tot welke oordelen zij komt.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 (poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) en feit 3 (mishandeling van [slachtoffer 1] )
De rechtbank oordeelt dat de verdachte degene is geweest die op 10 augustus 2024 heeft geprobeerd [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 13 augustus 2024 heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven en haar heeft mishandeld.
Dit betekent dat de feiten 1 primair, 2 en 3 zijn bewezen.
De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De rechtbank legt deze oordelen als volgt nader uit.
3.3.3.
Bewijsoverweging feiten 1 en 2 ( poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) en feit 3 (mishandeling van [slachtoffer 1] )
Aangeefster [slachtoffer 1] (feit 2 en 3)
Wat betreft aangeefster [slachtoffer 1] heeft de verdachte bekend dat hij in de nacht van
12 op 13 augustus 2024 zijn auto op het fietspad heeft gezet en naar haar toe is gegaan.
De lezingen over hoe de verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar in aanraking kwamen en wat er daarna is gebeurd, lopen echter uiteen.
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] in de nacht van 12 op 13 augustus 2024 zag fietsen en haar heeft gevolgd, dat hij met zijn auto het fietspad in tegenovergestelde richting van [slachtoffer 1] reed, vervolgens uitstapte, zijn portier open liet staan, op haar afliep en haar bovenlichaam en hals vastpakte en er een hele korte worsteling kan hebben plaatsgevonden. Hij heeft ontkend dat hij het bijrijdersportier had opengezet voordat hij naar [slachtoffer 1] was gegaan en dat hij iets tegen haar zou hebben gezegd. Nadat hij [slachtoffer 1] bij haar bovenlichaam had vastgepakt, begon [slachtoffer 1] iets op haar telefoon te doen. Verdachte draaide de hand van [slachtoffer 1] weg en de fiets en de telefoon van [slachtoffer 1] vielen. Direct hierna liet hij haar weer los, waarna [slachtoffer 1] wegrende.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij bij haar nek werd vastgepakt, dat zij op de grond viel en de bestuurder zei: “Stil. Stil”. Zij zag en voelde dat zij in de richting van het openstaande bijrijdersportier werd getrokken. Zij wilde drie keer op de aan- en uitknop van haar telefoon drukken, zodat zij een SOS scherm te zien zou krijgen, waardoor zij het spoednummer 112 zou kunnen bellen. Echter zag en voelde zij dat de bestuurder haar telefoon uit haar hand pakte. Zij heeft geprobeerd om los te komen door zich zwaar te maken, om zich heen te slaan en te schoppen. Uiteindelijk liet de bestuurder haar los. Toen ze naar haar fiets liep, kwam ze erachter dat ze oorbellen en drie kettingen verloren was.
De rechtbank hecht waarde aan de lezing van de gebeurtenissen door [slachtoffer 1] . De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden namelijk steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank wijst op het aantreffen van diverse (kapotte) sieraden van [slachtoffer 1] op de plaats delict over een afstand van 10 tot 15 meter, wat aansluit bij de verklaring van [slachtoffer 1] . Ook het letsel van [slachtoffer 1] bestaande uit een kras in de nek, de bebloede oorlellen en het wondje aan haar linkerpink passen bij het door [slachtoffer 1] beschreven verzet om los te komen uit de greep van de verdachte. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van [slachtoffer 1] over het vastpakken bij de nek, de woorden van de verdachte, het slepen naar het openstaande bijrijdersportier van de auto, en de worsteling naar de grond en het uit de hand pakken van haar telefoon.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag hoe de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte juridisch moeten worden geduid.
Naar het oordeel van de rechtbank waren de handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het beroven van de vrijheid van [slachtoffer 1] . Met zijn handelen heeft de verdachte geprobeerd [slachtoffer 1] tegen haar wil in zijn auto te krijgen. Gelet daarop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geprobeerd wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven door haar te volgen, zijn auto op het fietspad tot stilstand te brengen, het bijrijdersportier te openen, [slachtoffer 1] te laten stoppen door zijn arm uit te steken, haar van haar fiets te trekken, bij haar nek vast te pakken en te houden, de telefoon uit de handen van [slachtoffer 1] te trekken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en heeft hij haar vervolgens naar het bijrijdersportier proberen te slepen. Dat [slachtoffer 1] uiteindelijk niet is ontvoerd, is te danken aan haar (hevige) verzet.
De rechtbank vindt dat deze handelingen, anders dan de officier van justitie, niet een poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer 1] opleveren. Hierna, onder paragraaf 3.3.4, wordt dit verder uitgelegd.
Wel acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld.
Aangeefster [slachtoffer 2] (feit 1)
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving dan wel dwang van [slachtoffer 2] . De verdachte ontkent dit. Het bewijs voor de poging tot ontvoering van [slachtoffer 2] berust in essentie uitsluitend op de aangifte van [slachtoffer 2] en er is volgens de verdediging geen sprake van een specifieke modus operandi.
De rechtbank volgt de verdediging hierin niet en is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] heeft laten stoppen, haar heeft vastgepakt en zijn hand voor haar mond heeft gehouden. Hiervoor geldt het volgende.
Allereerst is de verklaring van de verdachte ter zitting van belang dat hij in de desbetreffende nacht in Utrecht op de Jutfaseweg heeft gereden in zijn witte Kia Stonic en dat zijn auto een groen dak heeft. De witte auto die ten tijde van het voorval is gesignaleerd, vertoont sterke overeenkomsten met de auto, waarin de verdachte die nacht reed. Hiervoor
wijst de rechtbank op de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de Jutfaseweg van die nacht, waarop [slachtoffer 2] zichzelf herkent als de vrouw die om 03.11.00 uur in zuidelijke richting op de Jutfaseweg fietst. Op deze camerabeelden is ook te zien dat net daarna om 03.11.21 een witte auto met groen dak voorbijreed in zuidelijke richting en vervolgens om 03.15.01 uur weer in noordelijke richting rijdt. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij direct na het incident haar ex-vriend heeft gebeld om 03.13 uur. Dit past ook bij de aangifte van [slachtoffer 2] waaruit volgt dat het incident in een kort tijdsbestek plaatsvond. Anders dan de raadsman acht de rechtbank het, gelet op voornoemd tijdsbestek, mogelijk dat het contact tussen [slachtoffer 2] en de bestuurder van de witte auto met keren en parkeren heeft kunnen plaatsvinden.
Volgens [slachtoffer 2] was de man die op haar afkwam een kale man tussen de 35 en 45 jaar. De verdachte past in dit signalement.
Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat er grote gelijkenissen zijn tussen het voorval met [slachtoffer 2] en dat met [slachtoffer 1] , waarvan de verdachte wel zegt dat hij de man is geweest. Het gaat in beide zaken om jonge vrouwen die in de nacht alleen op de fiets onderweg zijn. In beide gevallen rijdt er een witte auto met een groen dak in een kort tijdsbestek vlak voor het incident in de directe omgeving meerdere keren heen en weer. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn beiden in de nacht door een kale man van tussen de 35 en 45 jaar op een fietspad tot stilstand gebracht of bewogen te stoppen doordat de man daar ineens stond. Zij zijn vervolgens door hem vastgepakt. De kale man heeft bij [slachtoffer 2] zijn hand op haar mond geplaatst en tegen [slachtoffer 1] gezegd dat zij stil moest zijn. Beide feiten hebben zich binnen een periode van drie dagen voorgedaan in Utrecht.
Gelet op de sterke overeenkomsten tussen de auto die ten tijde van het voorval is gesignaleerd en die van de verdachte, de verklaring van de verdachte dat hij met zijn auto in die nacht op de Jutfaseweg was geweest, het opgegeven signalement door [slachtoffer 2] dat strookt met de verdachte en de grote gelijkenissen met het voorval van [slachtoffer 1] , waarvan de verdachte zegt dat hij de kale man is geweest die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte ook de kale man is geweest bij het incident van aangeefster [slachtoffer 2] . De verdediging heeft opgemerkt dat het door aangeefster [slachtoffer 2] opgegeven signalement niet volledig voldoet aan de verdachte, maar de rechtbank twijfelt er op grond van voorgaande niet aan dat het de verdachte is geweest die zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] heeft geprobeerd te ontvoeren.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde handelingen van de verdachte, in onderling verband en samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer erop waren gericht [slachtoffer 2] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, dat sprake is van een voornemen daartoe dat zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Door [slachtoffer 2] vast te pakken en zijn hand over haar mond te plaatsen en te houden, heeft verdachte geprobeerd haar opzettelijk van haar vrijheid te beroven. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, is te danken aan haar verzet door te bijten in de hand van verdachte, waarna de verdachte losliet en weer wegdook achter de geparkeerde auto’s.
De rechtbank vindt dat deze handelingen, anders dan de officier van justitie, niet een poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer 2] opleveren. Hierna, onder paragraaf 3.3.4, wordt dit verder uitgelegd.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wederrechtelijk van hun vrijheid te beroven en beroofd te houden (feit 1 primair en feit 2) en dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld (feit 3).
3.3.4.
Vrijspraak feiten 4 en 5 (poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] )
De verdachte wordt er ook van beschuldigd dat hij heeft geprobeerd aangeefsters [slachtoffer 2] (feit 4) en [slachtoffer 1] (feit 5) te verkrachten. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van deze beschuldigingen en zal dat hieronder uitleggen.
Uit artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat een poging tot misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot opzetverkrachting is vereist dat sprake is geweest van het begin van uitvoering gericht op het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefsters. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven te plegen.
De handelingen van de verdachte, bestaande uit het laten stoppen van [slachtoffer 2] , het vastpakken en het plaatsen en houden van zijn hand op de mond van [slachtoffer 2] , kunnen, hoe beangstigend en ernstig deze ook voor [slachtoffer 2] zijn geweest, op zichzelf beschouwd niet worden aangemerkt als handelingen die per definitie bedoeld zijn om het lichaam van de aangeefster seksueel binnen te dringen.
Voor de handelingen van de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] geldt hetzelfde. De handelingen van de verdachte bestaande uit het volgen van [slachtoffer 1] , het tot stilstand brengen van de auto op het fietspad, het laten stoppen van [slachtoffer 1] door het uitsteken van zijn arm, het trekken van [slachtoffer 1] van haar fiets en het vastpakken van [slachtoffer 1] bij haar nek en het slepen van [slachtoffer 1] over de grond richting zijn auto zijn eveneens beangstigend en ernstig. Ook deze handelingen zijn niet per definitie bedoeld om het lichaam van aangeefster seksueel binnen te dringen.
Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, kan het immers ook zo zijn dat de handelingen van de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op iets anders waren gericht.
Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de handelingen van de verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] of van [slachtoffer 1] .
Dat de verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te verkrachten, is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij van de feiten 4 en 5 wordt vrijgesproken.
3.3.5.
Vrijspraak feit 6 (voorbereiding van een ontvoering en/of opzetverkrachting)
De rechtbank oordeelt dat feit 6, te weten het voorbereiden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting, niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij verschillende voorwerpen en/of stoffen – te weten een touw, een mes, aanzetstaal, glijmiddel, een veiligheidshamer, een buttplug en een kunstpenis (de voorbereidingsmiddelen) – voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij deze spullen bij zich had omdat hij van plan was te gaan survivallen. De voorwerpen met een seksueel karakter had hij bij zich voor persoonlijk gebruik en wilde hij bij zichzelf gaan gebruiken.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een strafbare voorbereiding op grond van artikel 46 Sr moet komen vast te staan dat de voorbereidingsmiddelen bestemd waren voor het begaan van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting. Daartoe dient te worden beoordeeld of deze middelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Daarnaast dient bij de vaststelling van de misdadige bestemming de intentie van de verdachte op een bepaald misdrijf worden betrokken. Het bestaan van de intentie zal op enige wijze uit objectieve omstandigheden moeten blijken. Er zal dus sprake moeten zijn van een enigszins geconcretiseerd plan.
De voornoemde voorwerpen kunnen worden gezien als voorwerpen voor gebruik, die afzonderlijk noch gezamenlijk op grond van de uiterlijke verschijningsvorm overduidelijk bestemd zijn tot gebruik voor het criminele doel waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Vervolgens is het de vraag of er objectieve omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de verdachte de intentie had om met de middelen een misdadig doel als genoemd in de tenlastelegging te realiseren.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de middelen daadwerkelijk een rol zouden gaan spelen bij de uitvoering van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of een (gekwalificeerde) opzetverkrachting. Het enkele feit dat de verdachte deze middelen bij zich had is onvoldoende. Dat de verdachte in 2015 is veroordeeld voor verkrachting, waarbij hij het toenmalige slachtoffer heeft bedreigd met een mes en had vastgebonden, is op zichzelf onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat de verdachte op 16 augustus 2024 de intentie heeft gehad om met de genoemde voorwerpen een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting te plegen. Van enig concreet plan, gericht op het plegen van deze dergelijke delicten is daarbij niet gebleken.
De rechtbank acht feit 6 dan ook niet bewezen en zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 (primair)
op 10 augustus 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden,
- die [slachtoffer 2] heeft laten stoppen,
- die [slachtoffer 2] bij haar lichaam heeft vast gepakt, en
- zijn hand over de mond van die [slachtoffer 2] heeft geplaatst en gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 13 augustus 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden,
- die [slachtoffer 1] enige tijd heeft gevolgd en meerdere keren heeft gepasseerd,
- de auto op het fietspad waar die [slachtoffer 1] fietste tot stilstand heeft gebracht,
- het bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend,
- die [slachtoffer 1] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken,
- die [slachtoffer 1] van haar fiets heeft getrokken,
- die [slachtoffer 1] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden
- de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en
- die [slachtoffer 1] over de grond heeft gesleept in de richting van het openstaande bijrijdersportier, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3
op 13 augustus 2024 te Utrecht, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
- van haar fiets af te trekken,
- bij de keel vast te pakken,
- over de grond heen te trekken en/of te slepen, terwijl hij haar bij de keel vast had.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden;
eendaadse samenloop van:
feit 2: poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden;
en
feit 3: mishandeling.
4.2.
Strafbaarheid feit en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van
4 jaar, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan de verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege voor ongemaximeerde duur wordt opgelegd (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de straf aanzienlijk moet worden gematigd bij een bewezenverklaring . Dit omdat er rekening moet worden gehouden met eendaadse samenloop, dat het merendeel van de feiten pogingen zijn en gezien oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud strafrecht (LOVS). Verder stelt de advocaat dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in het verleden succesvol een tbs-traject met voorwaarden afgerond en heeft stabiel fulltime werk gehad. De advocaat voert ook aan dat een matiging van de op te leggen straf gerechtvaardigd is, als de rechtbank vindt dat de stoornissen die bij de eerdere veroordeling in 2015 zijn vastgesteld, bij onderhavige feiten een rol hebben gespeeld. Het opleggen van een tbs-maatregel is niet aan de orde. De advocaat vindt een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan het voorarrest en de maximale taakstraf van 240 uren passend.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf en/of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek twee keer schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en aan een mishandeling. Dit zijn zeer ernstige feiten.
De verdachte heeft het eerste slachtoffer midden in de nacht, terwijl zij alleen onderweg was op de fiets naar huis na een avond uit in het centrum van Utrecht, laten stoppen, haar vastgepakt en zijn hand voor haar mond gehouden. Het slachtoffer heeft geprobeerd te schreeuwen en de verdachte gebeten waardoor zij los kon komen en kon wegkomen. Het tweede slachtoffer, dat ook alleen onderweg was, is door de verdachte van haar fiets getrokken en in de richting van het geopende bijrijdersportier van zijn auto gesleept. Hierbij heeft de verdachte geroepen dat ze stil moest zijn. Het slachtoffer heeft geschreeuwd en om zich heen geschopt en geslagen waardoor zij kon los komen en kon wegkomen. Dat het er heftig aan toe is gegaan blijkt wel uit haar letsel en uit de (kapotte) sieraden die op verschillende plekken gevonden zijn op de plaats delict.
De verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Dat dit voor zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] een zeer angstige ervaring is geweest, blijkt uit hun aangiftes. Zij hebben angstige momenten beleefd en waren na de gebeurtenissen erg overstuur en in paniek. De angst en paniek blijkt ook uit de indringende slachtofferverklaring die door [slachtoffer 1] is afgelegd tijdens de zitting, waarbij zij heeft aangegeven dat zij voor haar leven heeft gevreesd. [slachtoffer 2] heeft aangegeven het niet aan te durven bij de behandeling op de zitting aanwezig te zijn omdat zij dan met de verdachte geconfronteerd zou worden. Beide slachtoffers ervaren nog steeds negatieve gevolgen van wat hen is aangedaan in de vorm van psychische klachten. Zij hebben allebei professionele psychische hulp ingeschakeld om te kunnen verwerken wat er is gebeurd. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd over de gevoelens of het welzijn van de slachtoffers en zich enkel laten leiden door zijn eigen verlangens en behoeftes. Hij heeft geen rekening gehouden met het leed dat hij hen zou toebrengen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Naast de impact op de slachtoffers zelf zorgen dit soort feiten voor onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen. Wat de slachtoffers is overkomen, is een scenario waar veel vrouwen bang voor zijn dat dit hen overkomt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van:
  • het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van
  • een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van
  • een retourverslag van 21 oktober 2025 van Reclassering Nederland en
  • de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in het kader van een eerder aan de verdachte opgelegde tbs met voorwaarden, waaronder de Pro Justitia rapportage van 14 februari 2023, opgesteld door L.H.W.M. Kaiser, psychiater.
Gevangenisstraf
Vanwege de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Alles overwegende en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die hierna aan de orde komen, zal de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest opleggen. De rechtbank komt tot een lagere straf dan die de officier van justitie heeft geëist omdat niet alle tenlastegelegde feiten bewezen zijn.
Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of, naast de oplegging van een gevangenisstraf, ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
Wettelijk kader
De tbs-maatregel kan door de rechtbank worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eisen, kan ook worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr).
Voor oplegging van de maatregel is verder vereist dat de rechtbank beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a lid 3 Sr). Indien een verdachte zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van tbs de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek (artikel 37a lid 4 Sr). Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van een tbs-maatregel niet mogelijk.
Weigering mee te werken aan onderzoek
De verdachte heeft in het kader van de huidige verdenking geweigerd mee te werken aan een consult rechtspleging NIFP en een ambulante Pro Justitia dubbelonderzoek. Om die reden is geadviseerd verdachte klinisch te observeren in het Pieter Baan Centrum (PBC).
De rechtbank heeft deze observatie bevolen. De observatie heeft van 24 juni 2025 tot en met 5 augustus 2025 plaatsgevonden. Uit de rapportage van 2 oktober 2025 van het PBC volgt dat de verdachte ook daar heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.
Daarmee heeft hij de deskundigen de mogelijkheid ontnomen hem te observeren en waar te nemen, waardoor over zijn psychische gesteldheid geen compleet beeld kan worden gevormd. De deskundigen konden om die reden steeds geen conclusie trekken over het classificeren van een psychische stoornis en of die stoornis ook bestond tijdens het plegen van de misdrijven. Daardoor hebben zij zich onthouden van enig advies.
De rechtbank merkt op dat wanneer vanwege de weigerende houding van de verdachte door de gedragsdeskundigen geen psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling kan worden vastgesteld, dat niet betekent dat geen tbs-maatregel kan worden opgelegd. Het is namelijk aan de rechtbank om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het gaat daarbij om vaststelling of sprake was van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in juridische zin; vaststellingen over de precieze aard van de bij verdachte vastgestelde stoornis zijn niet noodzakelijk (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2023 met vindplaats ECLI:NL:HR:2023:1295). De rechtbank heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door de deskundigen uitgebrachte adviezen.
Is er een stoornis ten tijde van het plegen van de feiten?
De rechtbank zal eerst nagaan of zij kan vaststellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
In het strafdossier van de verdachte bevinden zich diverse rapportages die zijn opgemaakt over de persoon van de verdachte, waaronder ook rapportages die zijn opgemaakt in het kader van de eerder aan de verdachte opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden. Aan de verdachte is bij vonnis van 19 november 2015 namelijk de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd, omdat hij is veroordeeld voor verkrachting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven met gericht.
In het kader van deze tbs-maatregel is in de verlengingsrapportage van 14 februari 2023 geadviseerd over de wenselijkheid van verlenging van de tbs-maatregel met voorwaarden. De psychiater heeft op de vraag of de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en, zo ja, hoe is dit in diagnostische zin is te omschrijven het volgende aangegeven. Er is bij de verdachte sprake van een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, borderline en antisociale kenmerken’, maar deze zijn gedeeltelijk in remissie. Ook is er een andere gespecificeerde parafiele stoornis, dominantie type, in remissie. De stoornis in cannabisgebruik is in volledige remissie. De diagnostiek komt volgens de psychiater overeen met de beschrijvende diagnostiek van de eerdere rapportages, maar hij heeft er borderline kenmerken aan toegevoegd om daarmee de instabiliteit in zelfbeeld en in zijn gevoelsleven weer te geven. De kans op herhaling van een seksueel geweldsdelict is volgens de actuariële inschatting laag. De psychiater geeft het advies om de tbs niet te verlengen als de verdachte op de verlengingszitting stabiel functioneert. Op 25 juli 2023 is de tbs-maatregel geëindigd.
Zoals eerder is overwogen, heeft de verdachte niet meegewerkt aan het onderzoek in het PBC. De rapporteurs van het PBC schrijven het volgende:
Ook in het PBC heeft betrokkene gedecideerd en standvastig vormgegeven aan een procespositie waarin slechts enige observatie mogelijk was ten aanzien van het functioneren op de afdeling (…). Betrokkene ging niet in gesprek met het onderzoeksteam, nam niet deel aan testpsychologisch onderzoek of psychomotorische observatie, verleende geen toestemming tot het opvragen van informatie, voerde geen persoonlijke gesprekken op de afdeling, had geen netwerkcontacten en wilde geen kennisnemen van conceptrapportages of verloop van overlegmomenten.
(…)
Betrokkene heeft van 2017 tot 2023 een traject van tbs met voorwaarden doorlopen, naar aanleiding van een in 2015 gepleegde verkrachting. In het dubbelonderzoek PJ van 2015, waar betrokkene medewerking aan verleende, werd een parafiele stoornis (dominante type), een gemengde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, ontwijkende en afhankelijke trekken) en een stoornis in cannabisgebruik vastgesteld. Gedurende het (voorwaardelijke) tbs-traject, wordt deze diagnostiek niet significant gewijzigd.
(…)
Op basis van de beschikbare informatie kan samenvattend gedragskundig een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (ontwikkelings- en persoonlijkheidsgericht) worden vermoed, maar is er onvoldoende eigen 'onderzoeksdikte' om dit te kunnen onderbouwen
(…)
Doordat onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over een mogelijke doorwerking van betrokkenes psychopathologie in de ten laste gelegde feiten, kunnen zij geen onderbouwd antwoord geven op de vraag of mogelijke psychopathologie van invloed is op het recidivegevaar van feiten zoals het hem thans ten laste wordt gelegd. De vraag naar het (psychopathologische bepaalde) recidivegevaar kan dan ook door onderzoekers niet worden beantwoord. Op basis van historische, niet veranderbare, indicatoren voor toekomstig geweld geldt evenwel statistisch dat betrokkene op groepsniveau een bovengemiddeld risico heeft voor het plegen van seksueel gewelddadig gedrag.
Uit de PBC-rapportage maakt de rechtbank op dat bij de verdachte in 2015 in een dubbelonderzoek Pro Justitia een parafiele stooris, een gemengde persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik is vastgesteld die gedurende het tbs-traject niet significant zijn gewijzigd. Omdat het verloop van diagnostisch onderzoek over een tijdspanne van tien jaar vragen oproept op het gebied van ‘finetuning’ en een actuele stand van zaken, hadden de onderzoekers graag diagnostisch onderzoek uitgevoerd gericht op in ieder geval de persoonlijkheid mogelijke ontwikkelingsproblematiek (meer concreet mogelijke autismespectrumproblematiek), copingstijl, middelengebruik buiten gecontroleerde context en forensisch meest relevant geacht seksuele problematiek. De onderzoekers komen niet toe aan diagnostische conclusies. Of voorheen gestelde diagnose(s) nog actueel zijn, kan door een gebrek aan informatie niet worden bevestigd of verworpen. Omdat er geen diagnostische conclusies konden worden getrokken en de verdachte niet heeft willen spreken over de verdenking konden geen conclusies worden getrokken over de doorwerking van een eventuele stoornis, de doorwerking daarvan ten tijde van de onderhavige feiten, de risico’s en dus geen interventieadvies kunnen worden gegeven.
Gelet op de inhoud van de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in het kader van de opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden, is de rechtbank echter van oordeel dat tot een vaststelling kan worden gekomen dat de verdachte ten tijde van de feiten in de onderhavige strafzaak leed aan een stoornis in de zin van artikel 37a Sr. De rechtbank legt dit als volgt uit.
De verdachte is op 19 november 2015 veroordeeld voor onder andere een gewelddadige verkrachting. Hij heeft in de nacht van 9 mei 2015 een vrouw een lift aangeboden waarna hij haar in het park heeft verkracht en heeft gedwongen tot het verrichten en
ondergaan van seksuele handelingen onder bedreiging van een mes, alles met gebruik van
fors geweld. Bij de verdachte is toen een parafiele stoornis (dominante type), een gemengde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, ontwijkende en afhankelijke trekken) en een stoornis in cannabisgebruik vastgesteld. Uit het destijds opgemaakte Pro Justitia rapport van psychiater dr. P.K.J. Ronhaar van 22 juli 2025 volgt dat de behoefte te
domineren en seksualiteit bij de verdachte met elkaar waren verbonden in zijn parafilie. De gestoorde agressieregulatie lag verankerd in zijn persoonlijkheidsstoornis en heeft er
toe geleid dat hij, toen het niet ging zoals hij wilde, tot fors geweld overging. In de onderhavige strafzaak wordt de verdachte voor drie feiten veroordeeld gericht tegen twee jonge vrouwen die de verdachte ook niet kende. Hoewel de gedragingen van de verdachte niet leiden tot een veroordeling voor een poging tot opzetverkrachting ziet de rechtbank echter wel een seksuele intentie van de verdachte bij de huidige bewezenverklaarde feiten. De rechtbank leidt deze intentie af uit hetgeen verdachte zelf in zijn schriftelijke verklaring van 20 december 2024 heeft vermeld over zijn beweegredenen om het tweede slachtoffer te laten stoppen en van haar fiets te trekken. Daarbij heeft hij verwezen naar de situatie van
9 jaar geleden, dus, zo begrijpt de rechtbank, naar het moment dat hij een vrouw heeft verkracht. De verdachte begon naar eigen zeggen sterk aan zichzelf te twijfelen, en vroeg zich af hoe hij zeker zou kunnen weten niet meer de persoon te zijn van 9 jaar geleden.
Dat de verdachte ervoor koos in zijn wanhoop en onzekerheid een jonge vrouw van haar fiets te trekken en een andere jonge vrouw tegen te houden, vast te pakken en zijn hand voor haar mond te houden, na het doorlopen van een tbs-traject om op andere wijze met zijn gevoelens en behoeftes om te gaan, vindt de rechtbank zeer zorgelijk.
Op basis van bovengenoemde rapporten concludeert de rechtbank dat de eerder gestelde diagnoses in de kern niet zijn gewijzigd en dat de eerdere behandeling in de tbs hierin geen wezenlijke verandering heeft gebracht. De rechtbank concludeert dat er, mede gezien de seksuele intentie bij de huidige bewezenverklaarde feiten, hiermee voldoende grond is voor de vaststelling dat er bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, nog altijd een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Gevaar voor herhaling
Er is sprake van een zeer zorgelijke ontwikkeling. Nadat de tbs-maatregel met voorwaarden is geëindigd, is de verdachte na ongeveer een jaar tot het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten gekomen. Gelet op de vaststelling dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijk stoornis, de eerdere veroordeling vanwege verkrachting, het feit dat de verdachte niet meewerkt aan onderzoek en behandeling en geen blijk geeft van probleeminzicht, vindt de rechtbank een aanzienlijk gevaar voor herhaling aanwezig.
De verdachte vormt daarmee een groot gevaar voor de algemene veiligheid van personen.
Behandeling van de verdachte in een klinische setting is dan ook noodzakelijk.
Behandeling binnen de tbs met dwangverpleging
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte, die in verband met de maatschappelijke veiligheid noodzakelijk is, alleen kan plaatsvinden in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging.
De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de feiten na ongeveer een jaar na het door de verdachte doorlopen van het eerdere tbs-traject hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft, door in deze zaak te weigeren medewerking te verlenen aan onderzoek van gedragsdeskundigen, iedere opening naar een onderzoek naar alternatieve, minder vergaande mogelijkheden om herhalingsgevaar te verminderen, onmogelijk gemaakt. Een tbs-maatregel met voorwaarden met een klinische behandeling is dan ook niet aan de orde.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval passend en noodzakelijk is. Aan alle wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr stelt de rechtbank vast dat de onder feit 1 primair en 2 bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank heeft daarbij de intentie van de verdachte bij het plegen van die feiten betrokken, die volgens de rechtbank seksueel van aard is geweest en daarmee dit gevaar veroorzaakt. Dit maakt dat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle in beslag genomen goederen, behalve het geldbedrag van de bromfiets, geretourneerd kunnen worden aan de verdachte. Op het geldbedrag van de bromfiets rust conservatoir beslag waardoor geen beslissing hoeft te worden genomen door de rechtbank.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt teruggave van alle in beslag genomen goederen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan verdachte
De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
500 euro, tissues, 2 computers, een verbanddoos, 3 paar schoenen, een armband, 2 broeken,
een jas, een vloerkleed, kleding, een shirt, een doos, 2 stuks condooms, 3 telefoontoestellen,
een USB-stick, plakband, een beschermhoes, een adapter en een tas.
Geen beslissing
De rechtbank zal geen beslissing nemen ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag
van 750 euro van de bromfiets. De officier van justitie heeft ter terechtzitting
aangevoerd dat op dat geldbedrag niet langer ‘klassiek beslag’ rust, maar uitsluitend conservatoir beslag.

7.Vordering benadeelde partij

7.1
Vordering van de benadeelde partij(en)
[slachtoffer 2] heeft zich gevoegd als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000,- voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit gehele bedrag is voor de vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.264,88 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 264,88 voor vergoeding van materiële schade en
€ 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
kosten tweedehands fiets € 100,-;
het missen van introductiedagen op school: € 87;
reiskosten aangifte en ophalen fiets bij de politie: € 77,88.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert primair aan dat benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert hij aan dat het causaal verband tussen het vastpakken en de psychologische behandeling onduidelijk is. Meer subsidiair geeft hij aan dat er geen concrete onderbouwing is van de psychische gevolgen. Uiterst subsidiair verzoekt hij de rechtbank om de vordering te matigen en ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding aansluiting te zoeken bij vergelijkbare zaken.
Over de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] voert de advocaat aan dat zij niet-ontvankelijk is in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak van de poging opzetverkrachting. Subsidiair voert hij aan dat het causaal verband tussen het vastpakken en de ondergane behandeling onduidelijk is. Meer subsidiair geeft hij aan dat er geen concrete onderbouwing is van de psychische gevolgen. Uiterst subsidiair verzoekt hij de rechtbank om de vordering te matigen op grond van vergelijkbare zaken.
7.4
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade geldt dat vergoeding op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk is als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partijen in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast.. De benadeelde partij heeft met de brief van de therapeut voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom in zijn geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 10 augustus 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 3.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wat betreft de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Het gedeelte van de vordering dat ziet op kosten van het aanschaffen van een tweedehands fiets is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde feiten. Benadeelde partij [slachtoffer 1] was als startende student geruime tijd haar fiets kwijt, omdat deze in beslag was genomen door de politie voor onderzoek. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 100,- voor de aanschaf van een vervangende fiets redelijk en wijst daarom dit deel van de vordering toe.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het missen van de helft van de introductiedagen is ook voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met feit 2 en feit 3. De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe voor de helft van het bedrag, te weten € 43,50 en wijst de rest van deze schadepost af.
De rechtbank wijst de vordering die ziet op de reiskosten gedeeltelijk toe. Het gedeelte dat ziet op reiskosten voor het ophalen van de fiets bij de politie is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde, nu de fiets van [slachtoffer 1] enige tijd in beslag was genomen voor onderzoek. De rechtbank wijst daarom het gevorderde bedrag van € 26,22 toe. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van reiskosten aangifte van € 28,06 af omdat deze ertoe strekken strafrechtelijke opsporing en vervolging van de dader te bewerkstelligen en daarvan niet kan worden gezegd dat zij zijn gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2, onder b, BW. De enkele omstandigheid dat een eventuele daarop volgende strafrechtelijke veroordeling de grondslag kan bieden voor schadevergoeding (en dit vaak mededoelstelling van het slachtoffer is), maakt niet dat gezegd kan worden dat die reiskosten met dat doel zijn gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad 10 januari 2003 met vindplaats ECLI:NL:HR:2003:AF0690) Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van de verdachte worden gebracht.
Voorgaande betekent dat de rechtbank een totaalbedrag van € 169,72 aan materiële schade toewijst.
De benadeelde partij heeft ook immateriële schade gevorderd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade geldt dat, gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de rechtbank van oordeel is dat [slachtoffer 1] door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. Daarbij is met voldoende concrete gegevens onderbouwd dat [slachtoffer 1] in behandeling is geweest bij een GZ-psycholoog en EMDR-therapie heeft gevolgd.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 5.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 13 augustus 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 5.169,72- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf, maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 55, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 4, 5 en 6 van de beschuldiging heeft
gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • gelast dat de verdachte
  • bepaalt dat de totale duur van de tbs-maatregel
beslag (feit 6)
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
  • 500 euro (G3390023);
  • 1 STK papier (G3392680, G3392681 en G3392682);
  • 1 STK Computer (G3392685 en G3392799);
  • 1 STK Verbanddoos (G3392784);
  • 1 STK Schoenen (G3392786, G3392800 en G3392790);
  • 1 STK Armband (G3392792);
  • 1 STK Broek (G3392793 en G3392811);
  • 1 STK Jas (G3392795);
  • 1 STK Vloerkleed (G3392798);
  • 1 STK Kleding (G3392804);
  • 1 STK Shirt (G3392806);
  • 1 DS Doos (G3392813);
  • 2 STK Condoom (G3392817);
  • 1 STK Telefoontoestel (G3390237, G3389998 en G3389999);
  • 1 STK USB-stick (memorykaart, G3389991);
  • 1 STK Plakband (G3398184);
  • 1 STK Beschermhoes (G3388083)
  • 1 STK Adapter (G3389997);
  • 1 STK Tas (G1730897);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1 primair)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 2] geheel toe tot een bedrag van € 3.000,-;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 2 en 3)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.169,72,-, bestaande uit een bedrag van € 169,72 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en
mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
[slachtoffer 2]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- die [slachtoffer 2] heeft laten stoppen,
- die [slachtoffer 2] bij haar heupen en/of bij haar lichaam heeft vast gepakt,
- die [slachtoffer 2] van haar fiets heeft afgetrokken en/of
- zijn hand over de mond van die [slachtoffer 2] heeft geplaatst en/of gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer 2] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige
andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten [slachtoffer 2]
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden, te weten
- te stoppen,
- te blijven staan,
- haar mond te houden en/of niet te praten/schreeuwen en/of
- niet weg te gaan
door
- die [slachtoffer 2] te laten stoppen,
- die [slachtoffer 2] bij haar heup, althans bij haar lichaam, vast te pakken,
- die [slachtoffer 2] van haar fiets te trekken en/of
- zijn hand over de mond van die [slachtoffer 2] te plaatsen en/of te houden;
2
hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
[slachtoffer 1]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- die [slachtoffer 1] enige tijd heeft gevolgd en/of meerdere keren heeft gepasseerd,
- de auto op het fietspad waar die [slachtoffer 1] fietste tot stilstand heeft gebracht,
- de bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend,
- die [slachtoffer 1] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken,
- die [slachtoffer 1] van haar fiets heeft getrokken,
- die [slachtoffer 1] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden en/of in een nekklem heeft
gehouden,
- die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of heeft
geslagen,
- de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen
alarmnummer kon bellen en/of
- die [slachtoffer 1] over de grond heeft gesleept in de richting van de openstaande
bijrijdersportier, althans in de richting van zijn auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
- van haar fiets af te trekken,
- bij de keel vast te pakken en/of in een nekklem te houden,
- in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of
- over de grond heen te trekken en/of te slepen, terwijl hij haar bij de keel vast had
en/of in een nekklem vast hield;
4
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met een persoon, te weten [slachtoffer 2]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak
en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van
en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
- die [slachtoffer 2] heeft laten stoppen,
- die [slachtoffer 2] bij haar heupen en/of bij haar lichaam heeft vast gepakt,
- die [slachtoffer 2] van haar fiets heeft afgetrokken en/of
- zijn hand over de mond van die [slachtoffer 2] heeft geplaatst en/of gehouden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5
hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met een persoon, te weten [slachtoffer 1]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak
en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van
en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
- die [slachtoffer 1] enige tijd heeft gevolgd en/of meerdere keren heeft gepasseerd,
- de auto op het fietspad waar die [slachtoffer 1] fietste tot stilstand heeft gebracht,
- de bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend,
- die [slachtoffer 1] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken,
- die [slachtoffer 1] van haar fiets heeft getrokken,
- die [slachtoffer 1] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden en/of in een nekklem heeft
gehouden,
- die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of heeft
geslagen,
- de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen
alarmnummer kon bellen en/of
- die [slachtoffer 1] over de grond heeft gesleept in de richting van de openstaande
bijrijdersportier, althans in de richting van zijn auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6
hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Maastricht, althans in Nederland,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke
wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282 Wetboek van Strafrecht
en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243 Wetboek van
Strafrecht,
opzettelijk
voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- touw,
- een mes,
- aanzetstaal,
- glijmiddel,
- een veiligheidshamer,
- een butt plug en/of
- een kunstpenis,
bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of
voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: De bewijsmiddelen [1]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De hierna opgenomen bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
De verklaring van verdachte op zitting
Ik reed in de periode van 10 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2024 in een auto van de zaak, een witte Kia Stonic met een groen dak en groene strepen aan de zijkant.
Op 13 augustus 2024 in Utrecht heb ik [slachtoffer 1] met mijn auto een korte tijd gevolgd en ingehaald. Ik heb op het fietspad waar [slachtoffer 1] fietste, mijn auto tot stilstand gebracht. Ik ben uit de auto gestapt. Ik heb [slachtoffer 1] bij haar bovenlichaam vastgepakt onder de tunnel. Ik kan mij voorstellen dat er DNA van mij is aangetroffen op de voorzijde hals van [slachtoffer 1] , want dat is het bovenlichaam.. Ik heb de hand van [slachtoffer 1] , waarin de telefoon werd vastgehouden, weggedraaid.
U, voorzitter, vraagt mij of ik op 10 augustus 2024 in de nacht op de Jutfaseweg in Utrecht heb gereden met mijn auto. Ja dat heb ik. Ik ben die nacht overal en nergens geweest. [2]
De aangifte van [slachtoffer 1]Op 13 augustus 2024 omstreeks 01:00 uur fietste ik op het fietspad aan de Weg Tot De Wetenschap te Utrecht. Ik zag dat een auto mij tegemoet kwam rijden op het fietspad. Ik zag dat dit een witte auto betrof. Ik herinnerde mij direct dat ik onderweg al ongeveer twee keer een witte auto tegen gekomen was. De witte auto, die ik onderweg tegengekomen was, had een groene streep of een groen logo op de zijkant van de auto.
Ik zag dat de bestuurder de auto vóór mij tot stilstand bracht op het fietspad in de tunnel onder de Ring Utrecht. Ik zag dat de bestuurder uitstapte. Ik zag dat de bestuurder naar het bijrijdersportier liep. [3] Ik zag dat de bestuurder het bijrijdersportier opende en open liet staan. Ik wilde met een ruime bocht om de bestuurder en de auto heen. Ik wilde dit aan de linkerkant van de auto doen, omdat de rechterkant te smal was. De linkerkant was dus de kant waar de bestuurder het bijrijdersportier geopend had.
Op het moment dat ik naast de auto fietste, zag ik dat de bestuurder op mij afgelopen kwam. Ik fietste op dit moment dus in de tunnel onder de Ring Utrecht. Ik zag dat de bestuurder zijn arm vlak voor mij uitstak. Ik fietste hierdoor tegen zijn arm aan. Ik voelde dat zijn arm ter hoogte van mijn nek tegen mij aankwam. Op het moment dat ik de arm van de bestuurder raakte, zag en voelde ik dat hij zijn arm naar binnen boog waardoor ik direct door had dat hij mij vast wilde pakken. Hierdoor voelde ik dat de bestuurder mijn nek klemde met zijn arm. Mijn nek zat dus klem in de binnenkant van zijn arm. Ik viel op de grond. Ik probeerde direct weer op te staan, maar dit lukte niet. Ik voelde dat de bestuurder kracht zette, want ik voelde dat mijn nek klem zat in zijn arm. Ik kon nog wel ademen en ik werd niet benauwd. Ik schreeuwde, omdat ik hulp wilde. Ik hoorde de bestuurder zeggen “Stil. Stil.” Ik zag en voelde dat de bestuurder mij in de richting van het openstaande bijrijdersportier trok. Ik voelde dat de bestuurder mij nog steeds bij mijn nek vasthield. Ik voelde dat de bestuurder mij over de grond probeerde mee te slepen. Ik pakte ondertussen mijn telefoon uit mijn tas. Ik wilde drie keer op de aan- en uit knop van mijn telefoon drukken, omdat ik dan een SOS-scherm te zien kreeg waardoor ik makkelijk het spoednummer 112 kon bellen. Echter zag en voelde ik dat de bestuurder mijn telefoon uit mijn hand pakte. Ik zag dat mijn telefoon op de grond viel.
Ik probeerde los te komen van de bestuurder. Ik werkte tegen door mij zwaar te maken en door om mij heen te slaan en schoppen. Uiteindelijk zag en voelde ik dat de bestuurder mij los liet. Ik rende weg. Ik zag dat de bestuurder in zijn auto stapte.
Ik liep terug naar mijn fiets. Ik kwam er ook achter dat ik mijn oorbellen en drie kettingen verloren was. Ik zag deze sieraden namelijk op de grond liggen. Daarnaast heb ik letsel aan mijn linkeroorlel. Ik voel een wondje. Daarnaast voelde ik een druk op mijn jukbeenderen. Als laatst zag ik dat ik een wondje met bloed in het midden van mijn linkerpink heb. [4]
Ik kan de bestuurder als volgt omschrijven: man, tussen de 30 en 45 jaar en ik zag dat de bestuurder kalend was.
Opmerking verbalisant: Ik zag een rode horizontale kras in de nek van de aangeefster. Ik zag een zwarte veeg op de linkerwang van de aangeefster. Ik zag dat de linkerwang van de aangeefster roder was dan de rechterwang van de aangeefster. Ik zag dat de aangeefster een klein wondje met bloed in het midden van haar linkerpink had.
Ik voel een lichte pijn aan mijn nek. [5]
Een proces-verbaal forensisch onderzoek persoon
Slachtoffer: [slachtoffer 1] . [6]
Het volgende spoor werd veiliggesteld.
SIN AASB4563NL
Spooromschrijving epitheel
Plaats veiligstellen voorzijde hals rondom verkleuringen. [7]
Een schriftelijk bescheid, zijnde het NFI-rapport over het DNA-onderzoek
AASB4563NL voorzijde hals rondom verkleuringen [8]
AASB4563NL
voorzijde hals rondom
verkleuringen
DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal twee personen
Bewijskracht:
een relatief grote hoeveelheid DNA:
- slachtoffer [slachtoffer 1]
- zie toelichting
een relatief kleine hoeveelheid DNA:
- verdachte [verdachte]
- ongeveer 120 duizend
Een proces-verbaal van bevindingen, omschrijving letsel en aantreffen sieraden plaats delict
Op 13 augustus 2024 zag ik een kras van ongeveer vier centimeter ter hoogte van [slachtoffer 1] haar hals. Wij zagen dat [slachtoffer 1] bij haar beide oorlellen wat bloed had zitten. Wij hoorden [slachtoffer 1] zeggen dat zij voor het incident twee oorbellen in haar oren had, namelijk twee goudkleurige oorhangers met hartjes en zonnetjes. [slachtoffer 1] vertelde dat de kans groot is dat zij tijdens de worsteling met de man de oorbellen is verloren.
Ik vroeg [slachtoffer 1] welke sieraden zij nog miste. Ik hoorde haar het volgende zeggen:
- twee goudgekleurde oorhangers met hartjes en zonnetjes;
- een roze plastic ketting met bekertje.
Wij verbalisanten liepen vervolgens naar de tunnel en bekeken het wegdek en troffen over een afstand van tien tot vijftien meter diverse delen van sieraden aan. Zo
vonden wij: [9]
- tweemaal een goudgekleurde oorhanger met hartjes en zonnetjes;
- eenmaal een goudgekleurde oorbelachterkant;
- eenmaal een roze plastic ketting;
- eenmaal een roze plastic bekertje;
- eenmaal een goudgekleurde ketting;
- eenmaal een goudgekleurde vierkant kettinghanger.
Ik vroeg [slachtoffer 1] of het kon dat zij nog een goudgekleurde ketting miste. Ik hoorde haar zeggen dat zij dit niet had opgemerkt maar dit inderdaad het geval was. [10]
De aangifte van [slachtoffer 2]
Plaats delict: Jutfaseweg, Utrecht.
Op 10 augustus 2024 omstreeks 02:40 uur fietste ik in mijn eentje richting mijn huis. Tijdens mijn route naar huis stak ik de Vondellaan over de Jutfaseweg op en ter hoogte van huisnummer [nummer] , kwam opeens een man het fietspad op. Ik zag dat deze man tussen de geparkeerde auto’s vandaan kwam. Ik schrok hiervan en ik remde meteen mijn fiets tot stilstand.
Ik zag dat deze man er als volgt uitzag: tussen de 35 en 45 jaar oud; kaal. [11]
Nadat ik oogcontact had met deze man pakte hij mij meteen vast. Ik voelde dat de man meteen daarna zijn hand voor mijn mond hield. Ik heb vervolgens de man in zijn hand gebeten. Ik voelde dat de man mij meteen los liet. Ik zag dat de man meteen wegdook in de richting van de geparkeerde auto’s die links naast het fietspad geparkeerd stonden. Ik ben toen meteen weggefietst. Toen ik op een voor mij veilig afstand was heb ik meteen mijn ex-vriend gebeld. Dit was om 03.13 uur.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek persoon
Op 17 augustus 2024 kwamen wij naar aanleiding van een aangehouden verdachte. De verdachte: [verdachte] . [12]
De verdachte werd rondom gefotografeerd (foto l t/m 8). [13]
De rechterlijke waarneming van voornoemde foto’s, inhoudende dat op de foto’s is te zien dat de verdachte kaal is
Een proces-verbaal van bevindingen, uitkijken camerabeelden van de Jutfaseweg
Op de beelden zag ik op 10 augustus 2024 om 03:03:04 uur een witte personenauto voorbij komen rijden. Ik zag dat deze personenauto in zuidelijke richting reed. Dit was op de Jutfaseweg. Ik zag dat de kleur van deze auto wit was en dat het dak van deze auto groen was. Ook zag ik dat de rechterbuitenspiegel groen was en ik zag een soort logo of tekst op de zijkant van de auto staan. Ik zag aan de zijkant een horizontale streep tussen de wielen. [14]
Ik zag dat de auto op 10 augustus 2024 om 03:03:36 uur voorbijreed. Dit was op de Jutfaseweg. Vervolgens zag ik dat de witte auto met groen dak om 03:10: 06 uur voorbijreed in noordelijke richting. [15] Vervolgens zag ik om 03:11:00 uur een vrouw in zuidelijke richting fietsen. Zie hiervoor onderstaande afbeelding. Ik toonde [slachtoffer 2] onderstaand screenshot waarna aangeefster [slachtoffer 2] aangaf dat zij de vrouw op de afbeelding was. [16] Vervolgens zag ik dat de witte auto met groen dak om 03:11:22 uur voorbijreed in zuidelijke richting. [17] Vervolgens zag ik dat de witte auto met groen dak om 03.15.01 uur voorbij reed in noordelijke richting. [18]

Voetnoten

2.De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 december 2025.
3.Pag. 11.
4.Pag. 12.
5.Pag. 13.
6.Forensisch dossier (PL0900-2024254796) pag. 26.
7.Forensisch dossier (PL0900-2024254796) pag. 28.
8.Pag. 113.
9.Pag. 32.
10.Pag. 33.
11.Pag. 66.
12.Pag. 262.
13.Pag. 263; pag. 267-274.
14.Pag. 74.
15.Pag. 75.
16.Pag. 76.
17.Pag. 77.
18.Pag. 78.