Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
16 december 2025. Het onderzoek is gesloten op 20 januari 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
- de officieren van justitie: mr. M. Kamper en mr. S.K. Lanning-Stein (hierna gezamenlijk in het enkelvoud: de officier van justitie);
- de verdachte;
- de advocaat van de verdachte: mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens (hierna: de advocaat);
- de benadeelde partij: [slachtoffer 1] ;
- de advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] : mr. B. Roodveldt.
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
9 op 10 augustus 2024 heeft vastgepakt en een hand voor haar mond te hebben gedaan. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte degene is geweest die aangeefster [slachtoffer 2] heeft benaderd. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de rechtbank te beoordelen hoe deze handelingen juridisch moeten worden geduid.
16 augustus 2024 in zijn rugzak bij zich had, zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding voor vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting.
12 op 13 augustus 2024 zijn auto op het fietspad heeft gezet en naar haar toe is gegaan.
De lezingen over hoe de verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar in aanraking kwamen en wat er daarna is gebeurd, lopen echter uiteen.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf en maatregel
4 jaar, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan de verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege voor ongemaximeerde duur wordt opgelegd (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging).
- het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van
- een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van
- een retourverslag van 21 oktober 2025 van Reclassering Nederland en
- de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in het kader van een eerder aan de verdachte opgelegde tbs met voorwaarden, waaronder de Pro Justitia rapportage van 14 februari 2023, opgesteld door L.H.W.M. Kaiser, psychiater.
9 jaar geleden, dus, zo begrijpt de rechtbank, naar het moment dat hij een vrouw heeft verkracht. De verdachte begon naar eigen zeggen sterk aan zichzelf te twijfelen, en vroeg zich af hoe hij zeker zou kunnen weten niet meer de persoon te zijn van 9 jaar geleden.
De verdachte vormt daarmee een groot gevaar voor de algemene veiligheid van personen.
6.In beslag genomen voorwerpen
7.Vordering benadeelde partij
€ 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
€ 3.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
€ 5.169,72- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8.Toegepaste wetsartikelen
9.De beslissing
een gevangenisstraf van 18 maanden;
- gelast dat de verdachte
- bepaalt dat de totale duur van de tbs-maatregel
- 500 euro (G3390023);
- 1 STK papier (G3392680, G3392681 en G3392682);
- 1 STK Computer (G3392685 en G3392799);
- 1 STK Verbanddoos (G3392784);
- 1 STK Schoenen (G3392786, G3392800 en G3392790);
- 1 STK Armband (G3392792);
- 1 STK Broek (G3392793 en G3392811);
- 1 STK Jas (G3392795);
- 1 STK Vloerkleed (G3392798);
- 1 STK Kleding (G3392804);
- 1 STK Shirt (G3392806);
- 1 DS Doos (G3392813);
- 2 STK Condoom (G3392817);
- 1 STK Telefoontoestel (G3390237, G3389998 en G3389999);
- 1 STK USB-stick (memorykaart, G3389991);
- 1 STK Plakband (G3398184);
- 1 STK Beschermhoes (G3388083)
- 1 STK Adapter (G3389997);
- 1 STK Tas (G1730897);
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] geheel toe tot een bedrag van € 3.000,-;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.169,72,-, bestaande uit een bedrag van € 169,72 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
Op 13 augustus 2024 in Utrecht heb ik [slachtoffer 1] met mijn auto een korte tijd gevolgd en ingehaald. Ik heb op het fietspad waar [slachtoffer 1] fietste, mijn auto tot stilstand gebracht. Ik ben uit de auto gestapt. Ik heb [slachtoffer 1] bij haar bovenlichaam vastgepakt onder de tunnel. Ik kan mij voorstellen dat er DNA van mij is aangetroffen op de voorzijde hals van [slachtoffer 1] , want dat is het bovenlichaam.. Ik heb de hand van [slachtoffer 1] , waarin de telefoon werd vastgehouden, weggedraaid.
Ik zag dat de bestuurder de auto vóór mij tot stilstand bracht op het fietspad in de tunnel onder de Ring Utrecht. Ik zag dat de bestuurder uitstapte. Ik zag dat de bestuurder naar het bijrijdersportier liep. [3] Ik zag dat de bestuurder het bijrijdersportier opende en open liet staan. Ik wilde met een ruime bocht om de bestuurder en de auto heen. Ik wilde dit aan de linkerkant van de auto doen, omdat de rechterkant te smal was. De linkerkant was dus de kant waar de bestuurder het bijrijdersportier geopend had.
Ik probeerde los te komen van de bestuurder. Ik werkte tegen door mij zwaar te maken en door om mij heen te slaan en schoppen. Uiteindelijk zag en voelde ik dat de bestuurder mij los liet. Ik rende weg. Ik zag dat de bestuurder in zijn auto stapte.