Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1135

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/5787
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 16.1 planregelsArt. 1.11 planregelsWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening omgevingsvergunning voor bedrijfswoning na wijziging standpunt college

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfswoning op zijn perceel. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af omdat de noodzaak voor een bedrijfswoning niet aannemelijk was gemaakt. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank partijen op zitting een oplossing laten zoeken waarbij eiser aanvullende financiële gegevens over zijn bedrijfsvoering aanleverde.

Op basis van deze gegevens heeft het college op 3 juni 2025 zijn standpunt gewijzigd en erkend dat de bedrijfswoning noodzakelijk is, waardoor de weigering niet langer stand kan houden. De rechtbank constateert dat het college ondanks toezeggingen geen nieuw besluit heeft genomen en stelt daarom een termijn van vier weken voor het nemen van een nieuw besluit.

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van een dwangsom bij overschrijding van deze termijn en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser. Het gewijzigde standpunt van het college en het toepasselijke bestemmingsplan laten geen ruimte voor een andere uitkomst dan het verlenen van de vergunning.

Uitkomst: De rechtbank draagt het college op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen waarbij de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning wordt verleend, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5787
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten- de Jong)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Brands)

Inleiding

1. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfswoning op zijn perceel aan [adres] in [plaats] . Het college heeft de aanvraag met het besluit van 11 oktober 2023 afgewezen, omdat eiser niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrijfswoning gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
2. Tegen de weigering heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 15 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
3. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. [A] namens het college.
5. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen gezocht naar een oplossing van het geschil. Partijen hebben op de zitting de afspraak gemaakt dat het college beziet of voor de bedrijfswoning alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend als eiser een financiële onderbouwing van het bedrijfsplan overlegt. De afspraken die partijen op zitting hebben gemaakt zijn vastgelegd in een verkort proces-verbaal.
6. Op 3 juni 2025 heeft het college de rechtbank schriftelijk meegedeeld dat het de gevraagde financiële gegevens heeft ontvangen op basis waarvan het college de noodzaak voor een bedrijfswoning heeft vastgesteld.
7. Omdat een besluit uitbleef heeft de rechtbank in augustus contact met het college opgenomen en gevraagd naar de stand van zaken. De omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning zou op korte termijn verleend worden.
8. In de maanden september, november en december heeft de rechtbank uitstelverzoeken van het college ontvangen en de rechtbank heeft daarmee ingestemd. Het college zou volgens het laatste contact uiterlijk medio januari de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. De rechtbank heeft vervolgens niets van het college vernomen. De gemachtigde van eiser heeft op 4 februari 2026 de rechtbank bericht ook nog steeds in afwachting van de omgevingsvergunning te zijn.
9. Gelet op het feit dat de rechtbank het college ruim de tijd heeft gegeven voor het nemen van een nieuw besluit en dit besluit is uitgebleven, heeft de rechtbank een nieuwe zitting gepland en de gemachtigde van het college opgeroepen om op de zitting te verschijnen.
10. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 opnieuw op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
11. Na afloop van zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering daarvan vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal.

Beslissing

12. De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit op bezwaar van 15 juli 2024;
  • draagt het college op om binnen vier weken (uiterlijk op 25 maart 2026) een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 1.000,- moet betalen voor elke week waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 20.000,-;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 2802,- aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.

Overwegingen

13. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing. [1]
14. Ten tijde van de aanvraag gold het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Landelijk gebied’. In dit bestemmingsplan had het perceel van eiser de bestemming ‘Recreatie-Dagrecreatie’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie- paardenstalling-houderij’. De voor 'Recreatie- Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangeven ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten', waarvoor geldt dat bedrijfswoningen niet zijn toegestaan. [2] Het perceel van eiser heeft geen aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’, zodat bij recht één bedrijfswoning is toegestaan. Een bedrijfswoning wordt gedefinieerd als:
een woning in of bij een gebouw of op dan wel bij een terrein bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming, noodzakelijk is. [3] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat dat belang bestaat. [4]
15. Met het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrijfswoning noodzakelijk is met het oog op de bedrijfsprocessen. Een doorslaggevend argument hierbij was dat de bedrijfsvoering zoals beoogd nog niet voldoende concreet was gemaakt en van onzekere factoren afhing. Eiser heeft aangevoerd dat het bedrijf pas echt kan starten als de bedrijfswoning is gebouwd. Op de eerste zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de mogelijkheid om een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat de bedrijfswoning pas in gebruik mag worden genomen als de bedrijfsvoering is gestart.
16. Naar aanleiding van de gemaakte afspraken op de eerste zitting heeft eiser op verzoek van het college nadere stukken overgelegd, op grond waarvan het college heeft bezien of er toch een noodzaak voor een bedrijfswoning aanwezig is. Bij brief van 3 juni 2025 heeft het college laten weten dat het op basis van die gegevens tot de conclusie is gekomen dat er wel een noodzaak bestaat voor een bedrijfswoning. Het college heeft daarmee zijn eerder ingenomen standpunt verlaten en erkend dat de weigering van de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven, omdat de aanvraag voldoet aan het bestemmingsplan. De uitlating die namens het college door de juridisch adviseur handhaving van de gemeente in de brief van 3 juni 2025 is gedaan, kwalificeert als een toezegging die aan het college kan worden toegerekend. Dat heeft de gemachtigde van het college op de tweede zitting ook erkend.
17. Het ingenomen standpunt dat een bedrijfswoning noodzakelijk is, maakt dat er nu geen ruimte meer is voor een ander oordeel dan dat de vergunning moet worden verleend. Met het gewijzigd standpunt van het college op de tweede zitting is de gedane toezegging niet ongedaan gemaakt. Anders dan het college tijdens de tweede zitting heeft toegelicht, bestaat er geen ruimte meer voor een afweging van belangen. De toezegging in de brief van 3 juni 2025 steunt immers op het oordeel dat een bedrijfswoning noodzakelijk is en dat op grond van het op de aanvraag van toepassing zijnde bestemmingsplan geen andere uitkomst mogelijk is dan dat de omgevingsvergunning wordt verleend. Dat inmiddels het bestemmingsplan ‘Tweede herziening bestemmingsplan Landelijk gebied’ in werking is getreden, waarin het perceel van eiser de functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ heeft, doet niet ter zake in onderhavige procedure. Dat geldt ook voor het door de gemachtigde van het college tijdens de tweede zitting toegelichte, nog door het college vast te stellen, toekomstige beleid over de aanvaardbaarheid van bedrijfswoningen. Nu het bestemmingsplan met het door het college ingenomen standpunt op 3 juni 2025 geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning biedt en van andere weigeringsgronden niet is gebleken, maakt dat er maar één uitkomst mogelijk is, namelijk dat de gevraagde omgevingsvergunning wordt verleend.
18. De rechtbank draagt het college op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 1.000,- moet betalen voor elke week waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 20.000,-.
19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en twee punten voor het bijwonen van de zittingen met een waarde per punt van € 934,-). Toegekend wordt € 2802,-.
20. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026 door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier.
de griffier de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Artikel 16.1, sub j, van de planregels.
3.Artikel 1.11 van de planregels.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3412.