Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1141

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/4742
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:68 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens toegekende IVA-uitkering

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheidspercentage was vastgesteld. Na een gewijzigd besluit van het UWV op 12 januari 2026, waarin het bezwaar gegrond werd verklaard en verzoeker met ingang van 1 oktober 2021 een IVA-uitkering werd toegekend, trok verzoeker het beroep in.

De rechtbank heeft vervolgens het verzoek van verzoeker om het UWV te veroordelen in de proceskosten toegewezen. De rechtbank oordeelde dat het UWV geheel aan het beroep van verzoeker was tegemoetgekomen door het gewijzigde besluit.

De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €5.301,38, bestaande uit vergoeding voor rechtsbijstand in de beroepsfase en kosten voor een medisch deskundigenrapport. Vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase werd afgewezen omdat deze reeds door het UWV was vergoed. Het griffierecht wordt door het UWV vergoed na afsluiting van de procedure.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €5.301,38 aan proceskosten aan verzoeker na toekenning van een IVA-uitkering en intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Zaim),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: mr. M. van Maurik).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om het Uwv te veroordelen in de proceskosten nadat het Uwv met het gewijzigd besluit van 12 januari 2026 het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 4 juni 2024 gegrond heeft verklaard en aan verzoeker met ingang van 1 oktober 2021 een IVA-uitkering is toegekend. Naar aanleiding van het gewijzigd besluit heeft verzoeker het beroep ingetrokken.

Procesverloop

Eiser ontvangt sinds 20 januari 2021 een WIA-uitkering, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage na bezwaar is vastgesteld op 53,78%. Op 17 oktober 2022 is eiser medegedeeld dat hij per 20 januari 2023 een loonaanvullingsuitkering ontvangt. Eiser heeft op 30 oktober 2022 aan het Uwv doorgegeven dat zijn gezondheidssituatie sinds 1 oktober 2021 is veranderd en hij meer klachten heeft. Met het besluit van 18 april 2023 heeft het Uwv aan eiser kenbaar gemaakt dat zijn WIA-uitkering niet wijzigt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is daarbij vastgesteld op 50,68%. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
In de beslissing op bezwaar van 4 juni 2024 heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de beslissing van 18 april 2023 gewijzigd door het arbeidsongeschiktheidspercentage vast te stellen op 54,59%. Eiser is het hier niet mee eens en voert onder andere aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is, omdat er onvoldoende functies kunnen worden geduid. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld, omdat hij vindt dat hij meer beperkt is dan wordt aangenomen door het Uwv. Bij het beroepschrift heeft hij een verzekeringsgeneeskundige rapportage van [bedrijf] en medische informatie overgelegd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de medische informatie voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien het standpunt over de belastbaarheid van eiser te wijzigen.
4. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. Eiser is in persoon verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en bijgestaan door zijn dochter, [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
5. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek te heropenen en aanvullende informatie te vragen aan verweerder. [1] Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten en op 21 november 2025 tussenuitspraak gedaan, waarbij het Uwv in de gelegenheid is gesteld het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen.
6. Bij gewijzigd besluit van 12 januari 2026 heeft het Uwv het door de rechtbank geconstateerde gebrek hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aanvullende beperking op de FML aangenomen als gevolg waarvan er onvoldoende functies zijn te duiden die aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt daarmee vastgesteld op 80 tot 100% op arbeidskundige gronden. De verzekeringsarts is verder van mening dat de arbeidsbeperkingen duurzaam zijn. Het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 4 juni 2024 wederom gegrond verklaard en is aan verzoeker met ingang van 1 oktober 2021 alsnog een IVA-uitkering toegekend.
7. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker bij e-mail van 30 januari 2026 en intrekkingsverklaring van 25 januari 2026 het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
8. De rechtbank heeft het Uwv bij brief van 2 februari 2026 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft op deze brief gereageerd op 4 februari 2026,

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij licht dit hierna toe.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
10. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het Uwv aan verzoeker tegemoetgekomen?
11. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
12. Op 9 juli 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Bij gewijzigd besluit van 12 januari 2026 heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 april 2023wederom gegrond verklaard en is aan verzoeker met ingang van 1 oktober 2021 een IVA-uitkering toegekend. Hiermee is geheel tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoeker vergoeden?
13. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten in de beroepsfase. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. In totaal bedraagt de vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase € 1.868,-.
14. Daarnaast is door verzoeker verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen van een medisch deskundigenrapport. Deze kosten bedragen € 3.433,38. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
15. De vergoeding bedraagt daarmee in totaal € 5.301,38,-.
Geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar
16. Ten slotte heeft verzoeker verzocht om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase. Nu uit de uitspraak op bezwaar van 4 juni 2024 blijkt dat deze kosten al door het Uwv zijn vergoed, wijst de rechtbank dit onderdeel van het verzoek af.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
17. De rechtbank wijst erop dat het Uwv verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [3] Zoals het Uwv toelicht in het besluit van 12 januari 2026 zal het Uwv het griffierecht vergoeden na afsluiting van de procedure bij de rechtbank. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 5.301,38 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie beslissing tot heropening van 15 juli 2025.
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.