3.3.1Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 september 2024 verbleef ik in mijn woning aan de [adres 1] in [plaats 1] . Omstreeks 22:40 uur kwam mijn zoon [verdachte] naar me toe. Hij vertoonde vreemd gedrag. Omstreeks 22:45 uur vertrok ik naar het politiebureau om een melding te maken over mijn oudste zoon [
de rechtbank begrijpt: de verdachte]. Mijn jongste zoon [
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]] was op de slaapkamer op zolder toen ik de woning verliet om naar het politiebureau te gaan. Ik heb mijn jongste zoon gebeld en aangegeven dat wij in gevaar zijn voor [verdachte] . Toen ik op het politiebureau was, is mij verteld dat er brand in mijn woning was.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, kwam op 16 september 2024 omstreeks 23:47 uur ter plaatse op de [adres 1] te [plaats 1] . Ik zag aan de voorzijde rookvorming uit de woning komen. Vervolgens ben ik naar de achterzijde van de woning gelopen en zag ik dat er een persoon met zijn gezicht uit het kiepraam hing. Deze persoon bleek later te zijn: [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] naar mij schreeuwen dat zijn huis in brand stond en dat hij niet weg kon. Ik zag dat de brandweer [slachtoffer 1] uit de woning had gehaald. Onderweg naar de ambulance heb ik kort met [slachtoffer 1] gesproken. Ik hoorde [slachtoffer 1] het volgende zeggen:
‘Mijn broer heeft het huis in de brand gestoken.’
Een proces-verbaal, inhoudende het verhoor van [slachtoffer 1] als getuige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven
Op 16 september [
de rechtbank begrijpt 16 september 2024] was ik thuis aan de [adres 1] in [plaats 1] . Ik had besloten om op mij kamer te verblijven, die gelegen is op zolder. Mijn moeder vertelde mij dat zij naar het politiebureau in [plaats 1] ging. Ik hoorde [verdachte] de trap op lopen van de eerste verdieping naar de zolder. Ik hoorde dat hij het dakraam op zolder dichtdeed. Ik hoorde dat er met iets gespoten werd, alsof er met een deodorant bus gespoten werd, en ik hoorde het klikken van een aansteker. Ik hoorde dat [verdachte] door ging met spuiten.
Ik hoorde nog een keer dat er gespoten werd. Ik hoorde hierna nog een keer dat er geklikt werd met een aansteker.
Onder mijn deur door zag ik een gele gloed. Door mijn raam zag ik duidelijke vlammen. Ik rook een duidelijke rookgeur. Ik kon nergens heen.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De politie heeft het telefoonnummer [telefoonnummer] vastgelegd als het telefoonnummer van [verdachte] . Er werd een spoedtap aangesloten op dit telefoonnummer. Aan de hand van de afgesloten tap werd het toestel op 17 september 2024 omstreeks 04:45 uur gelokaliseerd op het Centraal Station Utrecht. Enkele minuten later werd [verdachte] aangetroffen en aangehouden.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
In het onderzoek zijn historische verkeersgegevens telefonie opgevraagd voor de periode 16 september 2024 17:00 uur tot 17 september 2024 06:00 uur van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
16-09-2024 21:14:09 [telefoonnummer] [adres 2] [plaats 1]
17-09-2024 00:46:32 [telefoonnummer] [adres 3]
17-09-2024 01:01:02 [telefoonnummer] [plaats 1]
17-09-2024 01:20:30 [telefoonnummer] [adres 4] [plaats 2]
17-09-2024 04:40:04 [telefoonnummer] [adres 5] [plaats 3]
Van 16 september 2024 21:14 uur tot 17 september 2024 01:20 uur zijn vier data-contacten geregistreerd. Hierbij worden masten aangestraald in [plaats 1] / [plaats 2] . Deze masten liggen allemaal in de directe omgeving van de woning aan de [adres 1] in [plaats 2] en kunnen vanuit die locatie worden aangestraald.
Een proces-verbaal, betreffende het forensisch onderzoek in de woning, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 september 2024 kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1] , [postcode] [plaats 1] .
Omschrijving onderzoekslocatie
Het betreft een tussenwoning bestaande uit drie woonlagen gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] . De zolder bestaat uit een voorzolder met recht tegenover de trap een slaapkamer. Op het dak van de zolder, aan de achterzijde van de woning, bevindt zich een groot dakraam van de slaapkamer. Op het dak bij de voorzolder bevindt zich een klein dakraam.
Bevindingen
Wij zagen op de voorzolder, links naast de slaapkamerdeur, een koelbox staan. Wij zagen dat de hoek van de koelbox en de korte zijde van de koelbox bij de slaapkamerdeur, schoongebrand waren. Wij zagen op de hoek van de koelbox een brandpatroon in een V-vorm.
Brandverloop
Aan de hand van het stromings- en brandpatronen is het meest aannemelijk dat de
primaire brandhaard bij de hoek van de koelbox is ontstaan. Op de hoek van de
koelbox is een brandpatroon in de V-vorm zichtbaar. De brand is zowel aan de linker-
als de rechterzijde van de koelbox gaan uitbreiden door de aanwezige brandstof
pakketten in de vorm van dozen met papier, plastic en meubilair.
Hypothese 1: De toedracht van de brand betreft een technische oorzaak
Door ons werden geen aanwijzingen aangetroffen die wijzen op een brand door kortsluiting of andere technische oorzaak. Bij de koelbox bevond zich de primaire brandhaard bij de hoek van de koelbox met de vloer. De koelbox was het enige elektrische apparaat in het ontstaansgebied. De koelbox was aan de binnenzijde intact. De achterzijde van de koelbox was intact. Het snoer, lopende vanaf de koelbox naar de wandcontactdoos was intact. Zou de brand in de of door de koelbox zijn ontstaan, zouden er andere brandpatronen te zien zijn geweest.
Hypothese 2: de toedracht van de brand betreft een weersverschijnsel zoals bliksem
Bij navraag bij het KNMI, bij het meetstation Hoogeveen, bleek dat er op 16 september 2024 geen ontlading (bliksem) was geweest. Daarom is ook dit weerverschijnsel als oorzaak voor het ontstaan van de brand door ons uitgesloten
Hypothese 3: de toedracht van de brand betreft onvoorzichtig of onachtzaam handelen
Wat betreft het scenario van een menselijk fout zou dit haast niet mogelijk zijn. Er werd niet geklust in of aan de woning of gewerkt met chemische middelen op de voorzolder. Het betrof een zeer hevige snelle brand.
Hypothese 4: de toedracht van de brand betreft een criminele activiteit c.q. brandstichting
Het scenario van brandstichting lijkt ons het meest aannemelijke scenario. Er is brand ontstaan op de zolderverdieping bij de koelbox. Dit was de primaire brandhaard. Door de warmte opbouw en het vuur, en de aanwezigheid van zeer veel brandbare materialen werd de brand heviger. Er werden geen aanwijzingen gevonden op het gebruik van ontbrandbare vloeistoffen. In het ontstaansgebied zijn twee gasbusjes aangetroffen. Op de vloer zijn diverse afzonderlijke brandplekken aangetroffen. De enige mogelijkheid dat er brand is ontstaan is het bijbrengen van open vuur.
Gevaarzetting
Uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld bleek dat bij deze brand
gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Bij de brand zijn de woning en de op de zolderverdieping aanwezige goederen ernstig beschadigd.
Uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld bleek dat bij deze brand
tevens levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten
was geweest. De woning betrof een tussenwoning. Gezien het tijdstip van de brand is het
aannemelijk dat het merendeel van de aanwezige bewoners van het huizenblok zouden
liggen te slapen. De wind stond ook op de naastgelegen panden waardoor eventueel
overslag van de brand mogelijk was. De jongste zoon bevond zich in zijn afgesloten
slaapkamer op de zolderverdieping. Omdat de brand woedde op de voorzolder was zijn
enige uitweg geblokkeerd door hitte en vuur.Hij bevond zich ook midden in de giftige
rookgassen. De brandweer heeft de jongen uit de woning gehaald via het dakraam.
Een proces-verbaal, betreffende de bevindingen van het buurtonderzoek, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De bewoners van [adres 6] [
de rechtbank begrijpt: de bewoners direct naast de woning van verdachte] waren ten tijde van de brandstichting in hun woning aanwezig. Zij verklaarden op 16 september 2024 omstreeks 23:00 uur naar bed te zijn gegaan en toen allerlei lawaai en geschreeuw te hebben gehoord bij de buren. Toen zij rook uit het raam op [nummer] zagen komen, hebben zij hun woning verlaten.
3.3.2Bewijsoverwegingen
3.3.2.1 Inleidende overweging
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er op 16 september 2024 omstreeks 23:47 uur een brand heeft gewoed in een tussenwoning gelegen aan de [adres 1] in [plaats 1] . Dit betreft de woning waar de verdachte samen met zijn moeder en zijn jongere broer woont. Ten tijde van de brand bevond de jongere broer zich in zijn slaapkamer op zolder. Hij kon geen kant op. Toen de politie kwam, hing hij met zijn gezicht uit het kiepraam van zijn kamer. De brandweer kwam ter plaatse en heeft hem door middel van een ladderwagen uit de woning kunnen halen.
Bij de beoordeling van de beschuldiging zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de vragen 1) of er sprake was van opzettelijke brandstichting, 2) of de verdachte de brand opzettelijk heeft aangestoken en 3) of er bij de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen en/of (levens)gevaar voor personen.
3.3.3.2 Was er sprake van opzettelijke brandstichting?
De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of de brand opzettelijk is aangestoken. Deze vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.
In het forensisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de primaire brandhaard is ontstaan op de zolderverdieping, in een hoek waar zich een koelbox bevond. Deze koelbox was het enige elektrische apparaat in het ontstaansgebied van de brand en de binnen- en achterzijde van de koelbox waren intact. Er zijn geen aanwijzingen dat er mogelijk sprake was van kortsluiting of een andere technische oorzaak. Als de brand in of door de koelbox was ontstaan, dan zouden er andere brandpatronen te zien zijn geweest. Een weersverschijnsel zoals bliksem als toedracht is uitgesloten. Ook het scenario van een menselijke fout wordt haast niet mogelijk geacht omdat er op de zolder niet met chemische middelen werd gewerkt en er ook niet in de woning werd geklust. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat ontbrandbare vloeistoffen een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de brand. In het ontstaansgebied van de brand zijn wel twee gasbusjes gevonden. De forensisch onderzoekers concluderen dat de brand enkel kan zijn ontstaan door het bijbrengen van open vuur en dat er dus sprake is geweest van opzettelijke brandstichting.
De advocaat heeft aangevoerd dat de scenario’s van een technische oorzaak of een ongeluk onvoldoende zijn onderzocht, omdat het forensisch onderzoek sterk heeft geleund op de verklaring van de jongere broer van de verdachte. Volgens de advocaat zou de brand ook ontstaan kunnen zijn door hitteontwikkeling in een koelbox die permanent aanstaat en/of door chemicaliën die zich op de zolder bevonden. De rechtbank is van oordeel dat deze scenario’s worden weersproken door de bevindingen van het forensisch onderzoek zoals die hierboven zijn beschreven. De rechtbank heeft geen reden om deze bevindingen in twijfel te trekken. De alternatieve oorzaken die de advocaat aandraagt zijn in het forensisch onderzoek overwogen, onderzocht en ontkracht. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen ander redelijk alternatief is dan dat de brand is aangestoken.
3.3.3.3 Heeft verdachte de brand aangestoken?
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachte de persoon is geweest die de brand heeft gesticht. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de verklaring van de moeder van de verdachte blijkt dat zij rond 22:45 uur naar het politiebureau is gegaan en dat op dat moment alleen de verdachte en zijn jongere broer in de woning aanwezig waren. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de jongere broer van de verdachte. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat er ten tijde van de brandstichting nog andere personen dan de gezinsleden in de woning aanwezig waren.
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij ten tijde van het ontstaan van de brand al enige tijd van huis was vertrokken en onderweg was naar Utrecht. De rechtbank vindt deze verklaring niet geloofwaardig. De moeder en de jongere broer van de verdachte verklaren beiden dat de verdachte thuis was. Uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat hij ieder geval tot 01:01 uur in de buurt van zijn woning was en dat hij zich pas veel later, rond 04:40 uur, in Utrecht bevond. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat alleen de verdachte en zijn jongere broer in de woning waren ten tijde van de brandstichting.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat de jongere broer de brand heeft gesticht. Het dossier bevat geen enkele steun voor dit scenario. De jongere broer van de verdachte kon ternauwernood uit de woning worden bevrijd en heeft toen meteen tegen een agent gezegd dat de verdachte de woning in brand had gestoken. De volgende dag heeft de jongere broer van de verdachte een meer uitgebreide verklaring afgelegd. Hieruit blijkt dat hij vanuit zijn kamer hoorde dat de verdachte zich op de zolder bevond. Ook hoorde hij dat er met iets gespoten werd, alsof er met een bus deodorant gespoten werd. Hij hoorde tevens dat er geklikt werd met een aansteker en kort hierna zag hij vlammen. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen, nu deze specifiek en gedetailleerd is en kort na het incident en de aanhouding van de verdachte is afgelegd. In zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris heeft de jongere broer van de verdachte terughoudender verklaard, maar is hij in wezen niet teruggekomen op zijn eerdere verklaring over wat hij heeft gehoord. De rechtbank verklaart die terughoudendheid ook uit de (alleszins begrijpelijke) loyaliteit die de jongere broer voelt voor zijn broer en het feit dat op hem drukt dat zijn verklaring een belangrijke rol speelt in deze strafzaak tegen zijn broer.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat de bewijsmiddelen geen ander redelijk alternatief toelaten dan dat het de verdachte is geweest die opzettelijk de brand in de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] heeft gesticht. Aan dit oordeel draagt bij dat de moeder van de verdachte tegen de politie heeft gezegd dat de verdachte al eens met brandstichting had gedreigd en hij enkele dagen eerder ook daadwerkelijk een kledingstuk in brand heeft willen steken.
3.3.3.4 Was er bij de brand sprake van gemeen gevaar voor goederen en/of (levens)gevaar voor een ander?
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte bij uitstek een situatie oplevert waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor de woning (inclusief de inboedel) te duchten was, wat zich ook heeft verwezenlijkt. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de woning, in het bijzonder de bovenste verdieping en de daar aanwezige goederen, verwoest is door de brand. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Daarnaast was – gelet op het nachtelijke uur en de in de woning aanwezige broer – naar algemene ervaringsregels op het moment van de brandstichting ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander voorzienbaar, te weten van de jongere broer en de directe buren. De jongere broer van de verdachte zat ten tijde van de brand in een afgesloten kamer (midden in giftige rookgassen) en zijn enige uitweg was geblokkeerd door hitte en vuur. De woning betreft een tussenwoning en de wind stond op de naastgelegen panden, waardoor overslag van de brand mogelijk was. Uit het buurtonderzoek blijkt bovendien dat de directe buren ( [adres 6] ) ten tijde van de brand thuis waren en hun woning uit zijn gevlucht. Het gevaar voor goederen en (levens)gevaar voor een ander zijn door de verdediging ook niet betwist.
3.3.3.5 Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die opzettelijk brand in de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof.