Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1172

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11993993 UC EXPL 25-9669 AP/1183
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:60 BWArt. 3:61 lid 2 BWArt. 3:66 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij websiteontwikkeling

Eiser sloot een overeenkomst met een opdrachtgever voor het bouwen van twee websites voor horecazaken met dezelfde bestuurder. Eén factuur werd betaald, de andere niet vanwege vermeend gebrek aan volmacht van de Marketing Manager die het contract sloot.

De kantonrechter oordeelde dat ondanks het ontbreken van expliciete volmacht, de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid was gewekt door de gedragingen van de Marketing Manager en de opdrachtgever. De websites werden in gebruik genomen en facturen zonder protest geaccepteerd.

Hierdoor is gedaagde gebonden aan de overeenkomst en moet zij de openstaande factuur inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten betalen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde is gebonden aan de overeenkomst en moet de openstaande factuur met rente en incassokosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11993993 UC EXPL 25-9669 AP/1183
Vonnis van 18 maart 2026
inzake
[eiser],
wonend in [plaats 1] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
procederend in persoon,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd in [plaats 1] , kantoorhoudend in [plaats 2] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
vertegenwoordigd door: de heer [A] , via [onderneming 1] B.V. indirect bestuurder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

[eiser] heeft een overeenkomst gesloten met een opdrachtgever op grond waarvan hij twee websites heeft gebouwd voor twee verschillende horecazaken. Beide zaken hebben dezelfde bestuurder. Opdrachtgever heeft één factuur betaald, maar de andere niet, omdat zij voor dat deel geen volmacht zou hebben gegeven aan haar Marketing Medewerker die het contract heeft afgesloten. De kantonrechter wijst de vordering toe, omdat ook als er geen volmacht is, in ieder geval de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt en [gedaagde] daarom toch aan de overeenkomst gebonden is.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
De heer [B] , Marketing Manager bij [onderneming 1] B.V. (hierna [onderneming 1] ), heeft [eiser] benaderd voor het design en de ontwikkeling van horecagelegenheden [horecagelegenheid 1] en [horecagelegenheid 2] . Bestuurder/eigenaar van beide horecazaken en de vennootschappen waarin deze zijn ondergebracht is [onderneming 1] .
3.2.
Op 3 april 2024 heeft [B] aangegeven dat hij van de eigenaar akkoord had om [eiser] in te huren voor de opdracht. [eiser] heeft vervolgens op 9 april 2024 een kostenraming voor de te verrichten werkzaamheden gestuurd aan [B] . De kostenindicatie betrof € 2.500,00 (excl BTW) voor [horecagelegenheid 1] en € 2.450,00 (excl. BTW) voor [gedaagde] . Op 15 april 2024 heeft [eiser] [B] verzocht om een bevestiging van de goedkeuring van deze kostenindicatie en [B] heeft op 18 april 2024 bevestigd dat deze akkoord was.
3.3.
In de periode 18 april tot en met 24 oktober 2024 heeft [eiser] de afgesproken werkzaamheden uitgevoerd, steeds in overleg met [B] , waarbij ook in het restaurant zelf is afgesproken.
3.4.
Op 10 juli 2024 heeft [B] aangegeven dat hij de factuur voor de website kon sturen naar [C] , administratief medewerkster bij [onderneming 1] . [C] heeft vervolgens verzocht de facturen uit te splitsen per horecagelegenheid. Voor de werkzaamheden bij [gedaagde] is vervolgens een factuur gestuurd (met nummer F00117), ten bedrage van € 2.964,40 (inclusief BTW). De vervaltermijn van de factuur was 29 augustus 2024. Er is een aparte factuur gestuurd voor [horecagelegenheid 1] . Beide websites zijn in gebruik genomen.
3.5.
De facturen bleven onbetaald en er werd ook niet op de factuur gereageerd door [onderneming 1] . [eiser] heeft [onderneming 1] meerdere keren verzocht tot betaling over te gaan. Vanaf
1 november 2024 heeft [eiser] ook aanspraak gemaakt op de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3.6.
Op 6 november 2024 heeft [C] [eiser] telefonisch laten weten dat ze niets kon doen aan de betalingen aangezien ze de directie niet te pakken kreeg. [eiser] heeft naar contactgegevens van de directie gevraagd, maar die niet gekregen. Op 18 november 2024 heeft [eiser] de vordering uit handen gegeven aan incassobureau [onderneming 2] . Ook [onderneming 2] kreeg op haar sommaties geen reactie.
3.7.
Op 31 maart 2025 heeft [eiser] gebeld met [B] , die aangaf niet meer voor [onderneming 1] te werken. Hij gaf aan dat ook [C] niet meer voor [onderneming 1] werkte. [B] heeft op dat moment het nummer van de nieuwe directeur doorgestuurd. Op 16 april 2025 heeft [eiser] de nieuwe directeur een bericht gestuurd en verzocht het bedrag over te maken.
Op 23 mei 2025 heeft [eiser] een laatste sommatie gestuurd. Op 18 juni 2025 reageerde ‘ [A (voornaam)] ’ namens [onderneming 1] :
“Dag [eiser (voornaam)] ,
Een brok frustraties van beide kanten, concludeer ik o.b.v. jouw mail. Ik heb [B (voornaam)] e.e.a. gevraagd over de afspraken die hij (blijkbaar) met jou heeft gemaakt, zoals jij schrijft. Daar ga ik niet zomaar in mee, dus ik betwist voorlopig wat je claimt. Maar ik wil eerst lezen wat [B (voornaam)] antwoord. Dan kom ik erop terug bij jou. De vraag staat al bij [B (voornaam)] uit, hoop op snel antwoord.
Groet,
[A (voornaam)] ”
3.8.
Op 19 juni 2025 heeft [A (voornaam)] [eiser] verzocht bewijsstukken op te sturen. Die heeft [eiser] op 22 juni 2025 verstuurd.
3.9.
Op 30 juni 2025 heeft [eiser] [B] gebeld, om te vragen of het contact inmiddels had plaatsgevonden. [B] heeft dat bevestigd. [eiser] heeft [onderneming 1] wederom gevraagd te reageren, maar dat is niet meer gebeurd.
3.10.
[onderneming 1] heeft de factuur van [horecagelegenheid 1] voldaan, die van [gedaagde] niet.

4.De beoordeling

Wat moet de kantonrechter beoordelen?
4.1.
[eiser] vordert in deze procedure dat [onderneming 1] wordt veroordeeld om de factuur voor de werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [gedaagde] wil dat de vordering wordt afgewezen, omdat [B] geen volmacht had voor de overeenkomst ten aanzien van [gedaagde] .
Er is sprake van een duidelijke overeenkomst
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het in beginsel duidelijk is wat er tussen [eiser] en [B] (namens [onderneming 1] ) is overeengekomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] twee websites zou maken, één per horecazaak, en dat per horecazaak kosten in rekening gebracht zouden worden. [B] , de Marketing Manager, heeft herhaaldelijk bevestigd dat hij dit met het bestuur had overlegd en dat dit akkoord was. Ook over de afgesproken prijs bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen onduidelijkheid. Dit was € 2.500,00 (excl. BTW) voor [horecagelegenheid 1] en € 2.450,00 (excl. BTW) voor [gedaagde] , dat blijkt uit de overgelegde kostenraming. [B] heeft nadrukkelijk ingestemd met beide bedragen. Dat is dan ook de afspraak die als uitgangspunt geldt bij de beoordeling.
4.3.
[onderneming 1] stelt dat zij [B] voor de overeenkomst ten aanzien van [gedaagde] geen toestemming heeft gegeven en dat zij de overeenkomst ook niet wil bekrachtigen, omdat zij het bedrag te hoog vindt en voldoende had aan het format van [horecagelegenheid 1] , om daar vervolgens zelf, in eigen beheer, mee verder te gaan.
4.4.
Over de vraag waarvoor (en op welk moment) nu precies een volmacht is gegeven heeft [onderneming 1] namens [gedaagde] in deze procedure geen duidelijkheid verschaft. Of [B] over toestemming of een volmacht beschikte kan echter in het midden blijven wanneer de kantonrechter van oordeel is dat [onderneming 1] de schijn heeft gewekt dat [B] wel vertegenwoordigingsbevoegd was. In dat geval is [onderneming 1] namelijk alsnog gebonden aan de overeenkomst. Daarover overweegt de kantonrechter het volgende.
Wat is het uitgangspunt bij een - al dan niet ontbrekende - volmacht?
4.5.
Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander (de gevolmachtigde) om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten (artikel 3:60 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Het verlenen van deze bevoegdheid kan uitdrukkelijk, maar ook stilzwijgend gebeuren en hiervoor gelden geen vormvoorschriften. Een volmacht kan schriftelijk of mondeling worden verleend, maar kan bijvoorbeeld ook voortvloeien uit de functie die een medewerker binnen een bepaalde organisatie heeft en de werkzaamheden die in het kader van die functie moeten worden verricht. Wanneer een gevolmachtigde in naam van de volmachtgever en binnen de grenzen van zijn bevoegdheid een rechtshandeling verricht, treft deze rechtshandeling in haar gevolgen de volmachtgever (art. 3:66 BW Pro). Is geen sprake van een toereikende volmacht, dan wordt de (pseudo-)volmacht gever in beginsel niet door de verrichte rechtshandeling gebonden. Een door de pseudo-gevolmachtigde beoogde overeenkomst komt dan, behoudens bekrachtiging, niet tot stand.
Onder welke omstandigheden is de pseudo-volmachtgever toch gebonden?
4.6.
Indien bij de wederpartij de schijn is gewekt dat een toereikende volmacht was verleend, kan een rechtshandeling van de pseudo-gevolmachtigde, de pseudo-volmachtgever alsnog binden (artikel 3:61 lid 2 BW Pro). Om een beroep te kunnen doen op deze bepaling, moet de schijn van volmachtverlening zijn gewekt.
4.7.
De schijn van bevoegde vertegenwoordiging kan zijn gewekt als de volmachtgever de wil daartoe op een of andere manier heeft laten blijken. Dat kan rechtstreeks zijn, maar kan ook worden afgeleid uit de gedragingen van deze persoon in combinatie met wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Van dat gewekte vertrouwen kan onder omstandigheden ook sprake zijn in geval van een ‘niet-doen’ van de pseudo volmachtgever. [1] Tot slot kan daar óók sprake van zijn indien het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij is gebaseerd op feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo-volmachtgever komen [2] .
In dit geval is de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt
4.8.
[onderneming 1] heeft, als eigenaar van de horecagelegenheden een Marketing Manager in dienst, die werkzaamheden verricht voor de marketing van haar restaurants. Het laten ontwerpen en uitvoeren van een website om de zichtbaarheid te vergroten en online reserveringen te kunnen maken zijn werkzaamheden die zonder meer onder een dergelijke functie vallen. [eiser] heeft meerdere keren gevraagd naar de toestemming en [B] heeft nadrukkelijk bevestigd dat deze er was. Mogelijk was dat, in de beleving van [onderneming 1] , beperkt tot [horecagelegenheid 1] , maar dat is niet kenbaar gemaakt aan [eiser] . [onderneming 1] heeft zich door haar Marketing Manager laten vertegenwoordigen, zowel in haar communicatie als tijdens afspraken op locatie en zij heeft, althans dat is niet betwist, de door [eiser] gebouwde websites wel in gebruik genomen. Ook de factuur is zonder protest behouden en is er zelfs gevraagd om deze uit te splitsen per horecagelegenheid. De twee facturen die daarop volgden zijn ook zonder protest behouden. [onderneming 1] heeft zich pas veel later op het standpunt gesteld dat zij maar één van de twee facturen wilde en hoefde te betalen, en vervolgens dat de volmacht ontbrak.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [onderneming 1] , door op de achtergrond te blijven en niets te doen, de indruk heeft gewekt dat zij het uitzetten en begeleiden van de gegeven opdracht geheel heeft overgelaten aan haar Marketing Manager. Het aangaan van een dergelijke overeenkomst past in de functie van Marketing Manager en daarom hoefde [eiser] er ook niet op bedacht te zijn dat [onderneming 1] – in strijd met wat de Marketing Manager hem ook nog eens desgevraagd heeft verklaard - niet instemde met de overeenkomst. De ingebruikname van de websites/ontwerpen voor de beide horecagelegenheden door [onderneming 1] en daarnaast de gang van zaken rond de facturatie wijzen bovendien op het tegendeel, namelijk dat [onderneming 1] er wel mee instemde. De kantonrechter is al met al van oordeel dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt en dat [gedaagde] daarom gebonden is aan de overeenkomst. Zij moet de overeenkomst nakomen en de resterende
€ 2.964,40betalen.
[gedaagde] moet ook de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.10.
De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf de vervaltermijn van de factuur (29 augustus 2024), nu de vordering wordt toegewezen en daartegen verder geen verweer is gevoerd.
4.11.
[eiser] heeft een bedrag van
€ 421,44aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [eiser] heeft deze kosten gemaakt om een procedure te voorkomen. Het is redelijk dat deze worden vergoed. Ook het bedrag is redelijk, omdat dit overeenkomst met de staffel die daarvoor in de rechtspraak wordt gehanteerd. Deze kosten worden daarom toegewezen.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
4.12.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van [eiser] begroot op
€ 885,35(€ 257,00 aan vastrecht, € 122,35 aan explootkosten en € 506,00 [€ 253 x 2] aan salaris gemachtigde.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.13.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zoals gevorderd. Dat betekent dat partijen direct aan het vonnis moeten voldoen, ook wanneer één van partijen daartegen in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.385,84 met de wettelijke handelsrente over 2.964,40 vanaf 29 augustus 2024 tot de voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 885,35, waarin begrepen € 506,00 aan salaris gemachtigde;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 1 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6642 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429.
2.HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115 (ING/Bera).