ECLI:NL:RBMNE:2026:1174

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
16.207171.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 80 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijden met zwaar lichamelijk letsel na verkeersongeval in Hilversum

Op 6 oktober 2024 veroorzaakte de verdachte in Hilversum een verkeersongeval door zonder te stoppen of snelheid aan te passen over haaientanden te rijden en linksaf te slaan waarbij hij de binnenbocht nam en op de verkeerde weghelft terechtkwam. Hierdoor botste hij tegen een motorscooter met twee inzittenden die zwaar letsel opliepen.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gereden, maar niet roekeloos. Het gebruik van alcohol kon niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld, waardoor verdachte partieel werd vrijgesproken van het alcoholgebruik. Het letsel van één slachtoffer kwalificeerde als zwaar lichamelijk letsel, het andere slachtoffer had letsel met tijdelijke ziekte.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, persoonlijke omstandigheden en het strafblad van de verdachte. De auto en het kenteken werden aan de verdachte teruggegeven, de motorscooter aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijden met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.207171.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1992] op [geboorteplaats] ,
adres: [adres] in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officier van justitie, mr. V. van der Horst;
- de raadsvrouw van de verdachte, mr. H.H.M. Helleman.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair:
op 6 oktober 2024 in Hilversum als bestuurder van een motorrijtuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, of lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, door roekeloos of in elk geval zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden (rijden na voorafgaand gebruik van alcohol en bij een kruising met haaientanden zonder zijn snelheid aan te passen, zonder te kijken of de weg vrij was en zonder te stoppen de kruising op te rijden, linksaf te slaan en de binnenbocht te nemen);
subsidiair:
op dezelfde dag en plaats en door dezelfde handelingen gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging (tenlastelegging) staat in de bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend is te bewijzen, met dien verstande dat de verdachte roekeloos heeft gereden en dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de slachtoffers.
De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de verdachte integraal vrij te spreken van het feit. Subsidiair verzoekt zij de verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien van het gebruik van alcohol.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen primaire feit
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit van de beschuldiging (schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW)) is bewezen, met dien verstande dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
De vastgestelde gang van zaken
Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 6 oktober 2024 rond 6.50 uur reed de verdachte met zijn auto op de Veerstraat in Hilversum. Toen de verdachte het kruispunt met de Groest naderde, is hij tweemaal over een strook haaientanden gereden zonder hiervoor te stoppen dan wel zijn snelheid aan te passen. Vervolgens is hij linksaf geslagen door het kruispunt niet haaks, zoals voorgeschreven, maar schuin over te steken en de binnenbocht te nemen. Hierbij kwam hij op de rijbaan van het hem tegemoetkomende verkeer.
De verdachte kon een motorscooter die voor de links afslaande verdachte van links kwam geen voorrang meer verlenen. Door de botsing die hiervan het gevolg was hebben de bestuurder van de motorscooter [slachtoffer 2] en de bijrijder [slachtoffer 1] (zwaar) letsel opgelopen.
Partiële vrijspraak van het gebruik van alcohol
De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte voorafgaand aan het besturen van de auto alcohol had gedronken. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken. Weliswaar heeft getuige [getuige] verklaard dat de verdachte op 6 oktober 2024 rond 6.30 uur een fles Red Label Whisky bij zich had en ook uit de fles dronk en heeft ook het slachtoffer [slachtoffer 1] verklaard dat de verdachte die nacht zichtbaar onder invloed van alcohol was, maar de rechtbank gaat behoedzaam om met de verklaringen van deze twee getuigen omdat zij mogelijk onder invloed van alcohol waren, gelet op het tijdstip (vroeg in de ochtend na het uitgaan) waarop zij hun waarnemingen hebben gedaan. Voor de rechtbank zijn deze verklaringen en waarnemingen bij het ontbreken van ander (objectief) bewijs dat ziet op voorafgaand gebruik van alcohol en de ontkennende verklaring van de verdachte dat hij onder invloed van alcohol was, onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen dat de verdachte daadwerkelijk op het moment van de gedragingen onder invloed was van alcohol. Het enige objectieve bewijs is de in zijn auto aangetroffen fles whisky. Dat is wel een indicatie van alcoholgebruik, maar het is nog steeds onvoldoende om dat buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen.
Schuld in de zin van artikel 6 van Pro de WVW
De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat hij artikel 6 WVW Pro heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor anderen ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Om deze schuld bewezen te kunnen verklaren, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat sprake was van roekeloosheid, de hoogste schuldgradatie (voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de officier van justitie daarbij onder meer had betrokken dat de verdachte onder invloed van alcohol had gereden, hetgeen de rechtbank niet bewezen vindt). Van roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet is sprake als door het buitengewoon onvoorzichtige verkeersgedrag van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, waarvan de verdachte zich bewust was of had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6 WVW Pro is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of het verkeersgedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het ongeval, voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a lid 1 WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid.
De advocaat heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van roekeloos rijgedrag, omdat op grond van de inhoud van de stukken in het dossier niet kan worden geconcludeerd dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate, zoals bedoeld in artikel 5a lid 1 WVW, heeft geschonden. Evenmin kan uit de gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, worden afgeleid, dat deze zonder meer gericht zijn geweest op de opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.
De kwalificatie van het verkeersgedrag
Voor de beantwoording van de vraag of bewezen kan worden dat verdachte artikel 5a lid 1 WVW heeft overtreden, moet worden beoordeeld of (a) verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, (b) of hij dat opzettelijk heeft gedaan, en (c) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een van de in artikel 5a lid 1 WVW genoemde verkeersgedragingen, namelijk het niet verlenen van voorrang en meerdere verkeersovertredingen: hij heeft zonder te stoppen dan wel zijn snelheid aan te passen over twee stroken haaientanden gereden en is vervolgens een kruising opgereden. Hierdoor heeft de verdachte niet kunnen zien dat er een tegenligger naderde. Vervolgens is de verdachte schuin een kruispunt overgestoken en heeft hij een binnenbocht genomen. Weliswaar heeft de verdachte hier meerdere verkeersregels overtreden, maar kan niet bewezen worden dat hij dit opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) en in ernstige mate heeft gedaan en dat er gevaar was te duchten voor anderen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat – zoals hiervoor genoemd – voor roekeloosheid nog steeds sprake dient te zijn van buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen. Daarbij moet volgens de Hoge Raad ook gekeken worden naar feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft." Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte harder heeft gereden dan was toegestaan of dan verantwoord was en het is ook niet duidelijk of hij heeft afgeremd. De kern van het verwijt is dat hij bij de haaientanden niet is gestopt, niet goed heeft gekeken en de binnenbocht heeft genomen. Het was echter geen drukke of gevaarlijke kruising en aan zijn rijgedrag voorafgaand aan de kruising is niks bijzonders te merken. Van buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag en een zeer ernstig gevaar was dus geen sprake.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte met het hierboven beschreven verkeersgedrag wel ernstig tekortgeschoten ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. Als gevolg van deze verkeersovertredingen heeft de verdachte ongewild nog een verkeersovertreding begaan, door een van links komende motorscooter geen voorrang te verlenen. Zodoende is er een aanrijding ontstaan.
De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig.
Het letsel van de slachtoffers
Partiële vrijspraak zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 2]
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, gelden als algemene gezichtspunten de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat het slachtoffer [slachtoffer 2] letsel aan het ongeluk heeft overgehouden, waaronder longletsel. Er heeft geen operatie plaatsgevonden. Door de huisarts werd de duur van de genezing geschat op twee tot drie maanden. Het herstel heeft volgens het slachtoffer zelf circa zes maanden geduurd. De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat het letsel van dit slachtoffer niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel, maar dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval zodanig letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van de bezigheden is ontstaan. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het veroorzaken van het tenlastegelegde zwaar lichamelijk letsel.
Zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 1]
heeft als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte ongeval ernstig letsel opgelopen, waaronder een verbrijzelde knie waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Tien maanden later had het slachtoffer nog altijd last van zijn knie en hij moet op termijn een nieuwe knie krijgen. Vanwege de ernst van dit letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen en de lange duur van het herstel, kwalificeert de rechtbank dit als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW Pro, omdat hij zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en daardoor een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor twee personen (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht.
3.3
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 6 oktober 2024, te Hilversum, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
daarmede rijdende over de weg, de Veerstraat en/of de kruising van de Veerstraat
met de Groest, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
  • terwijl voor voornoemde kruising op het wegdek haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht,
  • zich niet, althans niet tijdig en voldoende ervan te vergewissen en blijven vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend) verkeer en
  • zonder te stoppen voornoemde kruising op te rijden en
  • (daarbij) zijn snelheid niet aan te passen aan de verkeerssituatie ter plaatse en
  • linksaf te slaan en bij dat afslaan een binnenbocht te nemen en
  • geen voorrang te verlenen aan een – gezien verdachtes rijrichting – van links komende bestuurder van een motorfiets, althans niet tijdig en/of voldoende voor die motorfiets af te remmen en
  • (vervolgens) tegen voornoemde motorfiets te botsen en/of aan te rijden,
waardoor een ander
  • [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde knie werd toegebracht en
  • [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan een gedeelte van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 3 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft verzocht - indien de rechtbank tot een strafoplegging komt - een taakstraf op te leggen en een voorwaardelijke rijontzegging. Daarnaast verzoekt de advocaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 120 uren op en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag. Als direct gevolg hiervan is hij in botsing gekomen met een motorscooter, waardoor de bestuurder en de bijrijder daarvan (ernstig) letsel hebben opgelopen.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbaar verkeersgedrag, namelijk het rijden zonder rijbewijs in 2021 waarvoor de verdachte door de kantonrechter in 2023 een geldboete opgelegd heeft gekregen. Daar staat tegenover dat de verdachte sinds het verkeersongeval niet meer voor een strafbaar feit is veroordeeld. Het strafblad van de verdachte weegt de rechtbank bij het bepalen van de straf daarom niet in zijn voordeel of nadeel mee. Het feit dat hij na het verkeersongeval niet meer voor een strafbaar feit is veroordeeld weegt wel in zijn voordeel bij de beslissing over de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen.
De verdachte heeft verder verklaard dat hij contact met de slachtoffers heeft opgenomen, dat hij spijt heeft betuigd jegens de slachtoffers en dat de verzekering de financiële kant van de zaak heeft afgehandeld. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij de auto nodig heeft voor zijn werk plus het halen en brengen van zijn kinderen.
De op te leggen straf
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor vergelijkbare feiten ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld (de LOVS-oriëntatiepunten). Het LOVS-oriëntatiepunt voor aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval, waardoor bij een ander zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, is een taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt.
Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de ernst van de gedragingen van de verdachte en op uitspraken in vergelijkbare zaken. Er wordt bij de strafoplegging gekeken naar de gevolgen van het ongeval, maar de straf moet ook in verhouding blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld van de verdachte aan het ongeval. In dit geval komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring (aanmerkelijke schuld) dan de officier van justitie (roekeloosheid), waardoor zij aan de verdachte ook een andere en (veel) lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie geëist.
De rechtbank ziet in de betrekkelijk jonge leeftijd van de verdachte, het feit dat hij na dit feit niet meer is veroordeeld voor een strafbaar feit (in het verkeer), terwijl het feit al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden, en de gevolgen die een rijontzegging heeft voor de verdachte, redenen om in strafmatigende zin af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot de ontzegging van de rijbevoegdheid.
De rechtbank zal op grond van het voorgaande aan de verdachte een taakstraf van 120 uren opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen maar een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar. Deze bijkomende straf wordt opgelegd met het doel om de verdachte (blijvend) te motiveren om voorzichtig en oplettend te zijn in het verkeer.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de auto van de verdachte met kenteken [kenteken] en het (losse) kenteken hierbij vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Ten aanzien van de motorscooter met kenteken [kenteken] heeft de officier van justitie aangegeven dat deze teruggegeven kan worden aan de heer [slachtoffer 1] .
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank zal de teruggave van de auto en het kenteken aan de verdachte gelasten. Weliswaar heeft de verdachte zich met zijn auto schuldig gemaakt een verkeersongeval, maar gelet op lichte mate van schuld acht de rechtbank het niet proportioneel om de auto en het kenteken verbeurd te verklaren.
Teruggave aan de heer [slachtoffer 1]
De rechtbank zal de teruggave van de motor aan de heer [slachtoffer 1] gelasten.

7.Toegepaste wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit in de primaire beschuldiging heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.3 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de primaire beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid van het feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid van de verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren;
  • beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
  • ontzegt de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;
  • bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
  • als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt daarbij een
Beslag
  • gelast de teruggave aan de verdachte van 1 auto (PL0900-2024316838-3398986);
  • gelast de teruggave aan de verdachte van 1 kenteken (PL0900-2024316838-3415161);
  • gelast de teruggave aan de heer I.F. Alofsen van 1 motorscooter (PL0900-2024316838-3411166).
Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024, te Hilversum, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Veerstraat en/of de kruising van de Veerstraat met de Groest, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of
- terwijl voor voornoemde kruising op het wegdek haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht,
- zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende ervan te vergewissen en/of blijven vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of
- zonder te stoppen voornoemde kruising op te rijden en/of
- ( daarbij) zijn snelheid niet aan te passen aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- linksaf te slaan en/of bij dat afslaan een binnenbocht te nemen, althans in strijd met artikel 3 Reglement Pro verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet voldoende rechts te houden en/of
- geen voorrang te verlenen aan een – gezien verdachtes rijrichting – van links komende bestuurder van een motorfiets, althans niet tijdig en/of voldoende voor die motorfiets af te remmen en/of
- ( vervolgens) tegen voornoemde motorfiets te botsen en/of aan te rijden,
waardoor een ander
- [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde knie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
- [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een vinger uit de kom en/of longletsel en/of letsel aan de luchtpijp en/of knieletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994)
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024, te Hilversum, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Veerstraat en/of de kruising van de Veerstraat met de Groest,
- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of
- terwijl voor voornoemde kruising op het wegdek haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht,
- zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende ervan heeft vergewist en/of is blijven
vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of
- zonder te stoppen voornoemde kruising is opgereden en/of
- ( daarbij) zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- linksaf is geslagen en/of bij dat afslaan een binnenbocht heeft genomen, althans in strijd met artikel 3 Reglement Pro verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet voldoende rechts heeft gehouden en/of
- geen voorrang heeft verleend aan een – gezien verdachtes rijrichting – van links komende bestuurder van een motorfiets, althans niet tijdig en/of voldoende voor die motorfiets heeft afgeremd en/of
- ( vervolgens) tegen voornoemde motorfiets is gebotst en/of aangereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(art 5 Wegenverkeerswet Pro 1994)
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
De aanrijding
Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf van 12 maart 2025 opgesteld door [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstreeks 6.49 uur op 6 oktober 2024 reed betrokkene 1 (de bestuurder van de auto met kenteken [kenteken] ) over de Veerstraat te Hilversum, komende uit de richting van de Herenstraat te Hilversum. Betrokkene 2 bestuurde een motorscooter met kenteken [kenteken] . Gekomen ter hoogte van de kruising met de Groest, verleende betrokkene 1 geen voorrang aan de voor betrokkene 1 van links komende betrokkene 2. Hierdoor ontstond tussen beiden een aanrijding. Betrokkene 1 gaf geen gevolg aan een verkeersteken, dat een gebod inhield. Voor bestuurders die dit kruispunt op de door hem gevolgde weg naderen, wordt dit kenbaar gemaakt door aldaar kort voor het kruispunt op de weg aangebrachte duidelijk zichtbare haaientanden (art. 62 jo Pro art. 80 RVV Pro 1990) [2] . Ik, verbalisant [verbalisant 1] heb [verdachte] (betrokkene) als verdachte aangemerkt, omdat ik uit bovenstaande omstandigheden heb afgeleid dat ten aanzien van deze persoon sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan dan wel betrokkenheid bij het ongeval [3] . Betrokkene 2 zijn [slachtoffer 2] (bestuurder van de motorscooter) en [slachtoffer 1] (passagier). Bij het ongeval hebben deze personen letsel opgelopen [4] .
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben de bestuurder van de personenauto met kenteken [kenteken] op de beelden van 6 oktober 2024. Ik ben in aanrijding gekomen met de motorscooter. Ik kon niet meer uitwijken.
De eigen waarneming van de leden van de meervoudige kamer van de rechtbank ter terechtzitting van 10 maart 2026:
Ter terechtzitting zijn beelden getoond van 6 oktober 2024, opgenomen door een camera met zicht op (het kruispunt van) de Veerstraat en de Groest te Hilversum. De rechtbank ziet op de beelden dat een auto de Veerstraat in kwam rijden in de richting van de Groest. Op de beelden zijn twee duidelijke markeringen op het wegdek tussen de Veerstraat en
de Groest te zien, bestaande uit zogenaamde 'haaientanden' om aan te geven dat men voorrang dient te verlenen. Voorts is te zien dat de auto zonder te stoppen of te vertragen linksaf de Groest opdraaide. Hierbij is te zien dat de auto daarbij aan de linkerkant van de weg reed en de binnenbocht links gebruikte om de Groest op te draaien. Verder is te zien dat er rechts boven in beeld, aan de linkerkant van de Groest, een rode personenauto geparkeerd stond en dat de auto deze personenauto rakelings passeerde. Vervolgens is te zien dat een persoon rechts langs de rode auto in beeld vliegt en hard op de straat terechtkomt. Direct hierna werd deze man gevolgd door een andere man die half op zijn voorzijde over de straat gleed in de richting van de Veerstraat.
Letsel [slachtoffer 1]
Een geschrift, te weten een brief van het [ziekenhuis] van 8 oktober 2024 aan huisartsenpraktijk [naam] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 oktober 2024 werd patiënt (de heer [slachtoffer 1] ) opgenomen vanuit de spoedeisende hulp in verband met een patella fractuur rechts
(de rechtbank begrijpt: een gebroken knieschijf). Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 6 oktober 2024 tot en met 7 oktober 2024 op de afdeling Orthopedie. Op 6 oktober 2024 is een operatie uitgevoerd: Zuggurtung cerclage osteosynthese patella fractuur rechts
(de rechtbank begrijpt: een operatie om de fractuur te herstellen en de kniefunctie te verbeteren) [5] .
Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 20 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb een verbrijzelde knie, ik heb daarvoor een 4 uur durende operatie gehad. Dat gaat dan om mijn rechterknie schijf. Nu is het 6 weken tot herstel. Ik zit in een rolstoel en moet 6 weken in een brace. Na die 6 weken moet ik weer opnieuw leren lopen en of mijn been opnieuw leren gebruiken [6] . Ik weet momenteel nog niet of ik blijvend letsel blijf houden. Wel is bekend dat ik eerder artrose zal krijgen [7] .
Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2025 opgesteld door [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben nog steeds thuis na het ongeluk, maar ga over 2,5 week naar school. Ik heb nog last van mijn knie en heb twee keer per week fysio. Ik moet weer kracht opbouwen.
Dit is tot oktober van dit jaar. Ik krijg last van mijn knie als ik hem veel gebruik of lang in dezelfde positie hou. Ook heb ik last van artrose en artritus. Op de langere termijn moet ik ook een nieuwe knie krijgen [8] .
Letsel [slachtoffer 2]
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van huisarts [huisarts] van 8 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Er is een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel. De geschatte duur op genezing is 2 á 3 maanden. [9]
Een proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2024 opgesteld door [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Na een tijdje kreeg ik last van mijn hele lichaam alsof alles gekneusd was. Ik had vooral last van mijn benen, mijn borstkas en mijn pink. Ik heb in principe geen blijvend letsel alleen op beide knieën een litteken. Ook kan ik nu niet meer roken omdat ik een gat in mijn long had maar dit herstelt vanzelf als het goed is. Ik kan nu ook niet meer naar school en niet werken. Hierdoor heb ik ook geen inkomsten en alleen maar uitgaven [10] .
Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2025 opgesteld door [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 16 augustus 2025 had ik telefonisch contact met het [slachtoffer 2] . Ik vroeg hem of hij nog lang last had gehad van het letsel. Ik hoorde hem zeggen: "Zo'n half jaar." [11]

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024316915, doorgenummerd pagina 1 tot en met 181. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 8
3.Pagina 9
4.Pagina 9 en 10
5.Pagina 105
6.Pagina 19
7.Pagina 20
8.Aanvullend proces-verbaal met nummer PL0900-2024316838-31, pagina 1
9.Pagina 173
10.Pagina 33
11.Aanvullend proces-verbaal met nummer PL0900-2024316838-31, pagina 1