ECLI:NL:RBMNE:2026:1193

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
16-305076-25; 16-292548-25; 16-288654-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 300 SrArt. 350 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige asielzoeker voor woninginbraak, vernieling, mishandeling en bezit pepperspray

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige asielzoeker uit Tunesië, die zich schuldig maakte aan vijf strafbare feiten in korte tijd. De feiten betroffen (poging tot) woninginbraak, vernieling van een ruit, mishandeling door pepperspray te gebruiken en het bezit van pepperspray.

De rechtbank verklaarde een aantal feiten bewezen, waaronder de inbraak op 12 november 2025 waarbij goederen werden weggenomen, vernieling van een ruit op 3 december 2025, het bezit en gebruik van pepperspray op 1 november 2025, en poging tot inbraak op 27 oktober 2025. Twee feiten werden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 111 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van 2 jaar en strenge bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar en gericht op behandeling, begeleiding en het bieden van structuur. Tevens werden schadevergoedingen aan benadeelden toegewezen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn verslaving en traumatische achtergrond, en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis werd opgeheven en het beslag op bepaalde voorwerpen werd geregeld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 111 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie en 60 uur voorwaardelijke taakstraf met strenge bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/305076-25; 16/292548-25 (t.t.z. gevoegd); 16/288654-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] , [1]
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Tunesië),
gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting [verblijfplaats] ,
met ingang van 2 maart 2026 verblijvende op het adres [adres 1] ’),
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 27 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. F. Leeman;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. P.G.M. Lodder (
  • de jeugdreclasseringswerkers: [persoon 1] en [persoon 2] ;
  • de raadsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming: [persoon 3] ;
  • de jeugdbeschermer (van Nidos): [persoon 4] ;
  • benadeelde partij [slachtoffer 1] ;
  • de gemachtigde van benadeelde partij [slachtoffer 1] : [benadeelde partij 1] ;

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
in de zaak met parketnummer 16/305076-25
feit 1
op 12 november 2025 in [plaats 1] heeft ingebroken in een woning aan de [adres 2] en meerdere goederen van [benadeelde partij 2] heeft weggenomen;
feit 2
op 3 december 2025 heeft geprobeerd in te breken in een woning aan de [adres 3] door een baksteen door een raam te gooien en heeft geprobeerd meerdere goederen van [benadeelde partij] weg te nemen;
subsidiair
op 3 december 2025 in Utrecht een raam van [benadeelde partij] heeft vernield;
in de zaak met parketnummer 16/292548-25
feit 1
op 1 november 2025 in Bussum pepperspray voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 1 november 2025 in Bussum [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld door pepperspray in hun gezicht te spuiten;
in de zaak met parketnummer 16/288654-25
feit 1
op 27 oktober 2025 in [plaats 1] heeft geprobeerd in te breken in een woning aan de [adres 4] en heeft geprobeerd een iPad van [benadeelde partij 3] weg te nemen;
feit 2
op 27 oktober 2025 in Utrecht met (bedreiging met) geweld heeft geprobeerd de fiets van [slachtoffer 4] weg te nemen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 primair onder parketnummer 16/305076-25, de feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/292548-25 en de feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/288564-25 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van feit 2 primair onder parketnummer 16/305076-25, geheel vrij te spreken van de beschuldigingen onder parketnummer 16/292548-25 en vrij te spreken van feit 2 onder parketnummer
16/288654-25.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Tussen eind oktober en begin december 2025 zijn er verschillende incidenten geweest bij woningen in de wijk Oog in Al in Utrecht. Op 27 oktober is er een iPad weggenomen uit een woonboot. Op diezelfde dag heeft iemand een fiets uit een schuur vastgepakt. Op 12 november is er ingebroken in een woning. Op 3 december heeft iemand een baksteen door de ruit van een woning gegooid. Verder is er op 1 november een incident geweest op het station Naarden-Bussum, waarbij er met pepperspray in een trein is gespoten. De rechtbank beoordeelt in dit vonnis of [verdachte] bij al deze incidenten als dader is betrokken en zo ja, welke straf hij daarvoor moet krijgen.
3.3.1.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat feit 2 primair onder parketnummer 16/305076-25 en feit 2 onder parketnummer 16/288654-25 niet zijn bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna in de bewijsoverwegingen uit waarom.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair onder parketnummer 16/305076-25, feit 1 en feit 2 onder parketnummer 16/292548-25 en feit 1 onder parketnummer 16/288654-25 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen
In de zaak met parketnummer 16/305076-25
Ten aanzien van feit 1
Op 12 november 2025 zijn een tas, kleding en een laptop gestolen uit een woning. [verdachte] is kort daarna en op korte afstand van deze woning aangehouden met in zijn hand een ruitentikker en vlakbij hem de tas met kleding en laptop afkomstig uit de woning.
De advocaat voert aan dat [verdachte] heeft verklaard dat hij zich dit niet kan herinneren. De advocaat heeft geen verweer gevoerd over het bewijs ten aanzien van dit feit.
De rechtbank oordeelt dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 2
Op 3 december 2025 hoorde de aangeefster in haar woning aan de [adres 3] een harde klap en gerinkel van glaswerk. De aangeefster zag dat het glas van de deur van de keuken was gebroken en dat er een baksteen op de grond in de keuken lag. De aangeefster zag een onbekende man aan de achterzijde van haar woning in de tuin, die wegliep toen hij de aangeefster zag.
De advocaat voert primair aan dat [verdachte] zich op het standpunt stelt dat hij het niet heeft gedaan en dat [verdachte] om die reden moet worden vrijgesproken. Subsidiair voert de advocaat aan dat niet voldoende is komen vast te staan dat er sprake was van het begin van de uitvoering van een woninginbraak. Een getuige heeft iemand een steen zien loswrikken en er is een steen door de ruit van de aangeefster gegaan. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring van een poging tot inbraak. De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het subsidiaire feit.
De rechtbank overweegt dat op het moment dat de politie ter plaatse kwam om de aangifte op te nemen, zij een melding kregen dat er op de [straat 1] – de straat achter de [straat 2] – geprobeerd werd in te breken. Het signalement van die persoon kwam overeen met het signalement van de persoon die de aangeefster had gezien. Hierop zijn de verbalisanten naar de [straat 1] gegaan. Daar troffen zij [verdachte] in de steeg. [verdachte] voldeed aan beide opgegeven signalementen.
Vrijspraak feit 2 primair
Een getuige heeft verklaard dat [verdachte] er versuft uit zag en [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij onder invloed was van middelen op 3 december 2025. De rechtbank oordeelt dat, gelet hierop, niet is komen vast te staan dat het gooien van een baksteen door een raam van een deur onmiskenbaar is aan te merken als een begin van een uitvoering van een woninginbraak. De geestelijke toestand van [verdachte] op dat moment maakt dat de rechtbank dat niet zonder meer kan vaststellen. [verdachte] wordt vrijgesproken van het primaire feit.
Feit 2 subsidiair
De rechtbank oordeelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het raam van de keukendeur van de aangeefster heeft vernield, door een baksteen door dat raam te gooien.
In de zaak met parketnummer 16/292548-25
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
Op 1 november 2025 bevond [verdachte] zich samen met [persoon 5] in de trein en werden zij gecontroleerd door de conducteur. De conducteur verzocht hen de trein te verlaten. Nadat de machinist en omstanders kwamen helpen, lukte het om de jongens uit de trein te zetten. Vervolgens heeft een van de twee jongens met pepperspray de trein in gespoten.
De advocaat stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van beide feiten. De stills van de camerabeelden in het dossier zijn niet duidelijk en de getuige [getuige] , die zou hebben waargenomen dat de jongen in de blauwe jas iets spoot, stond op afstand. Om die redenen kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] heeft gespoten met de pepperspray. Ook kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] de pepperspray voorhanden had, want het is in de bosjes gevonden. Bovendien ontkent [verdachte] beide feiten.
De rechtbank overweegt dat op de camerabeelden te zien is dat de jongen in de lichtblauwe jas zijn hand in zijn jaszak stopte, zijn hand weer uit zijn jaszak haalde en zijn arm en hand door de deuren van de trein stak. De jongen in de lichtblauwe jas spoot met pepperspray naar binnen en spoot pepperspray in het gezicht van de conducteur [slachtoffer 1] en omstanders [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . [verdachte] en [persoon 5] verlieten daarna het station. Een getuige zag dat de twee jongens een tuin in gingen. Kort daarna zijn twee jongens in die tuin door de politie aangehouden. Ter hoogte van de plek waar [verdachte] stond, werd een busje pepperspray aangetroffen in de heg. [verdachte] heeft verklaard dat hij met [persoon 5] op het station was en dat hij die dag een lichtblauwe jas droeg.
Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, in combinatie met de verklaring van [verdachte] , oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] de pepperspray voorhanden heeft gehad en met de pepperspray in het gezicht van de aangevers heeft gespoten.
In de zaak met parketnummer 16/288654-25
Ten aanzien van feit 1
Op 27 oktober 2025 is er een iPad weggenomen uit een woonboot en was [verdachte] aanwezig in een schuur daar vlakbij. De advocaat voert aan dat [verdachte] heeft verklaard dat hij zich dit incident niet kan herinneren. De advocaat heeft verder geen verweer gevoerd over het bewijs ten aanzien van dit feit. De rechtbank oordeelt dat, op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] op 27 oktober 2025 heeft geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres 4] en heeft geprobeerd de iPad van [benadeelde partij 3] weg te nemen.
Vrijspraak feit 2
De advocaat stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de poging tot diefstal met geweld uit de schuur. Daartoe heeft de advocaat aangevoerd dat het dossier slechts bestaat uit de verklaring van [verdachte] en de verklaring van de aangever, welke verklaringen tegenover elkaar staan. De verklaring van de aangever wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Er kan bijvoorbeeld niet worden achterhaald of het touw waar die fiets aan hing is beschadigd. De verklaring van [verdachte] , dat hij zich schuilhield voor anderen in de schuur van de aangever, past ook in de bewijsmiddelen.
De rechtbank overweegt dat de aangifte van [slachtoffer 4] alleen wordt ondersteund door de verklaring van [verdachte] dat hij aanwezig was in de schuur van de aangever. De aangifte wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Op basis hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het dossier niet voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring van een poging tot diefstal. [verdachte] wordt vrijgesproken van dit feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
in de zaak met parketnummer 16/305076-25
feit 1
op 12 november 2025 te [plaats 1] , in een woning op het adres [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een laptop, een oplader, een sporttas en kledingstukken, die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen laptop, oplader, sporttas en kledingstukken onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
feit 2 subsidiair
op 3 december 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een raam, dat aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield;
in de zaak met parketnummer 16/292548-25
feit 1
op1 november 2025 te Bussum, gemeente Gooise Meren een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 1 november 2025 te Bussum [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door pepperspray in het gezicht van voornoemde slachtoffers te spuiten;
in de zaak met parketnummer 16/288654-25
feit 1
op 27 oktober 2025 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning gelegen aan de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een iPad, die aan [benadeelde partij 3] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, door het raam van de woonkamer open te maken en het voornoemde goed van de eettafel weg te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
in de zaak met parketnummer 16/305076-25
feit 1
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
feit 2 subsidiair
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
in de zaak met parketnummer 16/292548-25
feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 2
mishandeling;
in de zaak met parketnummer 16/288654-25
feit 1
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid.
4.2.
Strafbaarheid feiten en [verdachte]
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 44 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (
hierna: de Raad) geadviseerd.
De officier van justitie schaart zich achter het advies van de Raad dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de dagen die [verdachte] reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis en een voorwaardelijk deel van 14 dagen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. Zowel [verdachte] als de samenleving is erbij gebaat als het stevige pakket aan bijzondere voorwaarden aan [verdachte] wordt opgelegd. Gelet op de bepleite vrijspraak voor een aantal feiten verzoekt de advocaat de hoogte van de jeugddetentie te matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten. [verdachte] heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij hij goederen van de bewoner [benadeelde partij 2] heeft weggenomen en een poging daartoe in de woning van [benadeelde partij 3] . Woninginbraken zijn heel nare feiten, waarbij naast financiële schade ook een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dit soort feiten zorgt ervoor dat slachtoffers zich onveilig voelen in hun eigen huis. De woning is bij uitstek een plek waar iedereen zich veilig hoort te voelen. Uit het handelen van [verdachte] blijkt dat hij geen respect heeft voor de eigendommen en de persoonlijke levenssfeer van een ander. [verdachte] heeft zich ook schuldig gemaakt aan vernieling van het raam van de keukendeur van [benadeelde partij] . Ook hieruit blijkt een gebrek aan respect voor andermans eigendommen en heeft hij de benadeelde overlast en financiële schade toegebracht.
Verder heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt mishandeling door conducteur [slachtoffer 1] en omstanders [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] met pepperspray in het gezicht te spuiten, nadat hij de trein werd uitgezet wegens het reizen zonder geldig vervoersbewijs. Door zo te handelen heeft [verdachte] de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en hen pijn toegebracht. De slachtoffers verklaren allemaal dat zij een branderig gevoel ervaarden en veel pijn hadden. Het bezit van pepperspray is bovendien verboden in Nederland.
De rechtbank rekent het [verdachte] aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 30 januari 2026. Daaruit blijkt dat [verdachte] in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Zijn strafblad is daarom geen reden voor een zwaardere straf.
[verdachte] is in oktober 2025 als alleenstaande minderjarige asielzoeker naar Nederland gekomen. [verdachte] komt uit Tunesië en heeft zelf verteld dat hij al sinds zijn twaalfde op straat leeft en op zijn vijftiende naar Europa is vertrokken. Hij is naar Italië gereisd en heeft ook in Frankrijk en Duitsland gewoond. Hij heeft nu asiel gevraagd in Nederland, maar zal vanwege de huidige wachttijden waarschijnlijk nog lang op een beslissing moeten wachten. Omdat Tunesië als veilig land wordt beschouwd, is de kans op een verblijfsvergunning erg klein en heeft [verdachte] weinig perspectief op een legale toekomst in Nederland.
[verdachte] heeft de strafbare feiten in heel korte tijd na zijn aankomst in Nederland gepleegd. Hij heeft twee keer in voorarrest gezeten, eerst enkele dagen en toen ongeveer twee weken, maar heeft steeds direct weer strafbare feiten gepleegd nadat hij vrij kwam. Vervolgens heeft hij bijna 3 maanden in voorarrest gezeten, tot aan de zitting. Dat is een lange tijd voor een minderjarige.
Toen [verdachte] de strafbare feiten pleegde, was hij verslaafd aan pijnmedicatie (onder andere Lyrica). [verdachte] wil niet over zijn vlucht naar Europa praten, maar de Raad vermoedt dat die een grote impact heeft gehad en dat [verdachte] toen traumatische dingen heeft meegemaakt. De deskundigen maken zich grote zorgen over hem.
De Raad heeft geschreven dat het belangrijkste is dat [verdachte] op zijn nieuwe woonplek gaat verblijven, zich daar aan de regels en afspraken houdt, hij de juiste begeleiding en behandeling krijgt en hij zich aan de voorwaarden gaat houden. De Raad schat de kans op herhaling in als zeer groot. [verdachte] heeft begeleiding en behandeling nodig. Tijdens het voorarrest is gebleken dat [verdachte] goed functioneert wanneer hem structuur wordt geboden en dat hij gebaat is bij strakke kaders en controle.
De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf op te leggen, met daaraan verbonden een grote hoeveelheid bijzondere voorwaarden. Daarnaast adviseert de Raad dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, gelet op de zorgen die er om [verdachte] bestaan en het feit dat [verdachte] strakke kaders nodig heeft.
Op de zitting heeft de raadsonderzoeker [persoon 3] naar voren gebracht dat [verdachte] per 2 maart 2026 terecht kan bij ‘ [instelling] ’ in [plaats 2] . Daar kunnen alle bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad uitgevoerd en nageleefd worden. De jeugdreclasseringswerkers [persoon 1] en [persoon 2] hebben op de zitting verklaard dat zij het advies van de Raad ondersteunen en dat zij ‘ [instelling] ’ een passende plek vinden voor [verdachte] .
Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens de zitting. [verdachte] heeft verklaard dat het beter met hem gaat nu hij geen middelen meer gebruikt. Hij wil graag een beter leven, zich bezighouden met positieve dingen en heeft zich bereid verklaard tot naleving van alle geadviseerde voorwaarden.
Strafkader
Gelet op de hoeveelheid feiten die [verdachte] heeft gepleegd in een zeer kort tijdbestek, waarbij hij het feit van 3 december 2025 heeft gepleegd terwijl hij in een schorsing van zijn voorarrest liep, en gelet op de aard en de ernst van de feiten, kan naar het oordeel van de rechtbank met geen andere straf worden volstaan dan met jeugddetentie. De rechtbank zal aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest van 111 dagen. Dat betekent dat [verdachte] niet opnieuw naar de jeugdinrichting moet als hij zich aan de hierna te noemen, strenge, bijzondere voorwaarden houdt. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaar opleggen. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zullen algemene en de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de Raad adviseert en die de rechtbank ook nodig vindt. Daarmee beoogt de rechtbank [verdachte] de strakke kaders, behandeling en hulpverlening die hij nodig heeft te bieden en hem op die manier te motiveren om zich te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De voorwaardelijke taakstraf is daarbij van belang als stok achter de deur voor [verdachte] .
Alles afwegende acht de rechtbank dus een gevangenisstraf van 111 dagen, met aftrek van de tijd die [verdachte] voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals hierna omschreven, passend en geboden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] , als hij niet de benodigde structuur, behandeling en begeleiding krijgt, weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
De voorlopige hechtenis
Op de zitting is al beslist dat het voorarrest met ingang van 2 maart 2026 werd geschorst en sindsdien woont [verdachte] bij ‘ [instelling] ’. De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen. De bijzondere voorwaarden die met dit vonnis worden opgelegd, zijn gelijk aan de eerdere schorsingsvoorwaarden.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ruitentikker moet worden onttrokken aan het verkeer en de schoenen moeten worden teruggegeven aan [verdachte] .
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op hetzelfde standpunt als de officier van justitie.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen ruitentikker (PL0900-2025385895-3617948) onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met behulp van dit voorwerp is het bewezen verklaarde feit 1 onder parketnummer 16/305076-25 begaan.
De rechtbank zal de teruggave aan [verdachte] gelasten van de inbeslaggenomen schoenen (PL0900-2025385895-3618014), die aan [verdachte] toebehoren, omdat deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde partij] – feit 2 onder parketnummer 16/305076-25
[benadeelde partij] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 327,80, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade bestaat uit een noodreparatie en het vervangen van de ruit van de achterdeur.
[slachtoffer 1] – feit 2 onder parketnummer 16/292548-25
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 250,00 voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[slachtoffer 3] – feit 2 onder parketnummer 16/292548-25
[slachtoffer 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 372,05, bestaande uit € 122,05 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit:
- T-shirt: € 35,00;
- reiskosten OV heenreis: € 26,60;
- reiskosten ophalen en thuisbrengen: € 5,50;
- festivalticket: € 54,95
Alle benadeelde partijen verzoeken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 3] niet-ontvankelijk zijn, gelet op de bepleite vrijspraak voor dat feit. Subsidiair voert de advocaat ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] aan dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk is in dat deel van de vordering.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
[benadeelde partij] – feit 2 onder parketnummer 16/305076-25
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en namens [verdachte] niet gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 3 december 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 327,80 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Materiële schade [slachtoffer 3] – feit 2 onder parketnummer 16/292548-25
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd. De vordering van de benadeelde partij bevat geen bewijsstukken of anderszins een toelichting op de gevorderde kostenposten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] – feit 2 onder parketnummer 16/292548-25
Vergoeding van immateriële schade is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Ook het ervaren van pijn valt hieronder.
Ten aanzien van de door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] door het bewezen geachte feit 2 onder parketnummer 16/292548-25 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Zij hebben immers als gevolg van de pepperspray lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van pijnlijke en branderige ogen en gezicht, moeite met ademen en het tijdelijk niet kunnen zien. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij dan recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,00 per persoon.
[slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De behandeling van dit deel van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vorderingen voor het overige onvoldoende zijn onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] kunnen dit deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding deels worden toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel inzake [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]
De rechtbank legt in beide gevallen de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] inzake [slachtoffer 3] een bedrag van € 200,00 aan de Staat moet betalen en dat [verdachte] inzake [slachtoffer 1] een bedrag van €200,00 aan de Staat moet betalen.
Deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 300, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 26, 55 van de Wet wapens en munitie

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 2 primair onder parketnummer 16/305076-25 en feit 2 onder parketnummer 16/288654-25 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] feit 1 en feit 2 subsidiair onder parketnummer 16/305076-25, feit 1 en feit 2 onder parketnummer 16/292548-25 en feit 1 onder parketnummer 16/288654-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
oplegging straf
  • veroordeelt [verdachte] tot een
  • bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (te weten, 111 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt [verdachte] tot een
  • beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;
  • bepaalt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
  • stelt daarbij een
- als
algemene voorwaardengelden dat [verdachte] :
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als
bijzondere voorwaardengelden dat [verdachte] :
- [verdachte] zal meewerken aan Elektronische Monitoring, met locatiegebod bij ‘ [instelling] ’, van 19:00 - 07:00 uur, met uitzonderingen in overeenstemming met de jeugdreclasseringsmedewerker;
- [verdachte] zal verblijven bij en zich houden aan de regels zoals gesteld in de woonvoorziening ' [instelling] ' op het adres [adres 1] , of een soortgelijke woonvoorziening waar [verdachte] op dat moment verblijft, onder andere te controleren middels Elektronische Monitoring;
- [verdachte] zal gedurende de proeftijd meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- [verdachte] zal meewerken aan het vormgeven en behouden van positieve dagbesteding in de vorm van school/werk, onder andere te controleren middels Elektronische Monitoring;
- [verdachte] zal meewerken aan het vormgeven en behouden van positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van sport of iets anders soortgelijks, onder andere te controleren middels Elektronische Monitoring;
- [verdachte] zal meewerken aan hulpverlening/ behandeling onder andere gericht op trauma, indien en zolang de jeugdreclasseringsmedewerker dit nodig acht;
- [verdachte] zal openheid geven over middelengebruik en verslaving en meewerken aan hulpverlening die hierop gericht is zolang de jeugdreclasseringsmedewerker dit nodig acht;
- [verdachte] zal meewerken aan de buddycoaching zolang de jeugdreclasseringsmedewerker dit noodzakelijk acht;
- [verdachte] zal meewerken aan de 1-op-1 begeleiding zolang de jeugdreclasseringsmedewerker dit noodzakelijk acht;
- [verdachte] zal meewerken aan de jeugdreclassering, waarvan minimaal voor de duur van zes maanden, maar waar wenselijk wordt geacht door de jeugdreclasseringsmedewerker langer, in de vorm van ITB Harde Kern;
- [verdachte] zal zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
- geeft aan de gecertificeerde instelling. te weten Samen Veilig Midden-Nederland te Utrecht, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
- ruitentikker (PL0900-2025385895-3617948)
- gelast de teruggave aan [verdachte] van de volgende voorwerpen;
- twee schoenen (PL0900-2025385895-3618014)
vordering tot schadevergoeding
benadeelde partij [benadeelde partij] – feit 2 onder parketnummer 16/305076-25
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij] geheel toe tot een bedrag van € 327,80 aan materiële schade;
  • veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde partij] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 327,80 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
benadeelde partij [slachtoffer 1] – feit 2 onder parketnummer 16/292548-25
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van €200,00 aan immateriële schade;
  • veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat €200,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
benadeelde partij [slachtoffer 3] – feit 2 onder parketnummer 16/292548-25
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van €200,00 aan immateriële schade;
  • veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat €200,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en
mr. K. de Meulder, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/305076-25
feit 1
hij op of omstreeks 12 november 2025 te [plaats 1] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning op het adres [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een laptop, een oplader, een sporttas en/of kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen laptop, oplader, sporttas en/of kledingstukken onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
feit 2
hij op of omstreeks 3 december 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, een woning op het adres [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meer (onbekend gebleven) goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel met een baksteen het raam van de keukendeur heeft ingegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te [plaats 1] opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
in de zaak met parketnummer 16/292548-25
feit 1
hij op of omstreeks 1 november 2025 te Bussum, gemeente Gooise Meren een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij op of omstreeks 1 november 2025 te Bussum, gemeente Gooise Meren [slachtoffer 2] ,
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door pepperspray in het gezicht van voornoemde slachtoffers te spuiten;
in de zaak met parketnummer 16/288654-25
feit 1
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een iPad/tablet, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel het raam van de woonkamer heeft opengemaakt en/of het voornoemde goed van de eettafel weg te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 5] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een (race)fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, voornoemde goed uit de schuur van een touw los heeft geknipt en/of heeft vastgepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zijn vuisten te ballen en/of die
[slachtoffer 4] daarbij de woorden "fight, fight", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, toe te voegen.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
in de zaak met parketnummer 16/305076-25:
feit 1 [2]
-
het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kwam 12 november 2025 omstreeks 02.45 uur aan bij mijn woning aan de [adres 2] . Ik zag op dat moment een man uit mijn tuin komen. Mijn tuin grenst aan mijn kamer. Via de tuin kan je via de deur mijn kamer inkomen. Ik kan de man als volgt omschrijven:
- Man;
- een getinte huidskleur;
- een hoedje of pet op zijn hoofd.
Ik ging naar binnen. [3] Ik liep mijn kamer in en zag direct dat mijn kledingrek een rommeltje was. De lades onder mijn bed stonden allemaal open. Ik heb een laptop van het merk HP met twee stickers erop van ‘futuro’. Ik zag dat mijn laptop weg was. Ik zag dat de oplader van mijn laptop ook weg was. Ik liep naar de deur welke naar mijn tuin grenst. Ik zag toen dat er glas op de grond lag in mijn kamer. De politie kwam later naar mij toe. De politie vroeg aan mij of ik een Adidas shopper tas had. Ik zei dat ik die had. Even later kwamen er andere politieagenten met mijn Adidas tas. Ik zag dat er drie kledingstukken van Adidas in zaten welke van mij waren en dat mijn laptop in de tas zat. [4]
-
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstreeks 02:52 uur op 12 november 2025 kregen wij een melding om te gaan naar de [adres 2] . Aldaar zouden de bewoners een inbreker hebben overlopen in hun woning. Toen wij ter hoogte van de [straat 3] reden zag ik op de [straat 4] te zijn, een manspersoon lopen. Ik zag dat het een donker getinte man was en dat deze een zwarte tas bij zich droeg. Ik zag de man met versnelde pas weglopen. Ik zag dat de man uit het zicht verdween waarop ik snel richting de [straat 4] reed en om de hoek de genoemde man aantrof. Ik zag dat de man een oranje ruitentikker in zijn linkerhand vast hield. Tevens zag ik dat de man de tas die hij eerder wel bij zich droeg niet meer vast had. Ik zag verder dat de man aan het signalement voldeed welke was opgegeven. Ik zag namelijk dat de persoon een pet op had. [5] Tevens zag ik dat de man donker getint was.
De man stond ten tijde dat wij hem staande hielden ter hoogte van perceelnummer [nummer 1] . Toen ik in die voortuin keek zag ik de zwarte sporttas, welke van het merk Adidas bleek te zijn, liggen, welke ik even daarvoor nog in de hand van de verdachte had gezien. Ik opende de tas en trof daarin meerdere jassen aan evenals een laptop van het merk HP en een oplader. Op deze laptop zag ik twee opvallende stickers waarop stond ‘futuro’. Ik hoorde dat er bij de inbraak was weggenomen een zwarte Adidas sporttas, een laptop met daarop twee stickers en meerdere jassen. Ik zag dat dit exact overeenkwam met de door mij aangetroffen buit. [6]
feit 2 subsidiair [7]
-
het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon aan de [adres 3] . Op 3 december 2025 was ik in de woning. Ik liep naar beneden vanaf de eerste verdieping naar de begane grond. Toen hoorde ik een harde klap en gerinkel van glaswerk. Ik hoorde dat dit vanuit de keuken kwam die gelegen is aan de achterzijde van de woning. Ik zag een voor mij onbekende man. Ik zag dat zijn rechterarm gestrekt was naar voren alsof hij net iets gegooid had. Ik zag dat het glaswerk van de deur van de keuken gebroken was. Ik zag glasscherven op de grond liggen. Ik zag dat er een baksteen ter grootte van een vuist op de grond in de keuken lag. Ik herken de baksteen als de baksteen die uit mijn tuin komt.
Ik kan de persoon als volgt omschrijven:
- man;
- zwart krullend haar;
- lichtkleurige gewatteerde jas;
- witte broek. [8]
-
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 3 december 2025 hoorde ik dat er op de [adres 3] een man in de achtertuin van melder een baksteen door de ruit had gegooid. [9] Op het moment dat ik de aangifte startte hoorde ik een nieuwe melding. Ik hoorde dat er een man een stoeptegel uit de grond haalde en over het hek van melder probeerde heen te klimmen. Ik hoorde dat dit bij de woning aan de [adres 6] zou plaatsvinden. Ik hoorde dat de melder zei dat het de straat achter zijn woning zou zijn. Hierop ben ik met mijn collega [verbalisant 3] naar de steeg achter de [adres 6] gerend. Ik hoorde een vrouw het volgende zeggen: "Ik ben de melder van [adres 6] , hij heeft een groene jas en lichte broek aan". Ik vroeg waar de man heen was gelopen. Ik zag dat de vrouw in de richting van de [straat 5] wees. Ik ben vervolgens door de steeg in de richting van de [straat 5] gelopen. Ik zag vervolgens dat er een man ter hoogte van nummer [nummer 2] uit een achtertuin kwam gelopen. Ik zag dat de man er als volgt uit zag:
-man;
-donker krullend haar;
-groene jas met capuchon;
-witte broek;
Dit signalement kwam overeen met het signalement van de melding. [10]
in de zaak met parketnummer 16/292548-25: [11]
feit 1 en feit 2
-
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 1 november 2025, omstreeks 20:10 uur, was ik aan het werk als conducteur van de Nederlandse Spoorwegen. Voordat ik aankwam op station Naarden-Bussum, was ik vervoersbewijzen aan het controleren. Ik kwam twee jongens tegen. Ik vroeg ze om een vervoerbewijs en ik hoorde ze zeggen dat ze niets bij zich hadden. [12] Ik heb de machinist gevraagd om hulp en die is komen helpen en hij heeft ze uit de trein gezet. Ik zag toen de deur dicht ging dat één van de personen een zwart busje met een rood sprietje, vermoedelijk pepperspray, vasthield. Ik zag een vloeibare straal uit het busje komen. Ik voelde dat de vermoedelijke pepperspray in mijn gezicht kwam, het brandde erg op mijn gezicht en ik voelde mij benauwd. Ik voelde extreme pijn in mijn keel. Ik had het gevoel dat ik niet meer kon ademen. [13]
-
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was vandaag, op 1 november 2025, op het station Naarden Bussum. Uiteindelijk hebben we beide jongens uit de trein geduwd. Ik zag dat de jongens op het perron stonden. Ik zag dat een van de jongens met zijn hand in zijn zak reikte en er iets uitpakte. Ik zag dat het een zwart busje was met in het Duits Phefferspray. Ik zag dat hij zijn linkerarm strekte en vervolgens van links naar rechts bewoog en hiermee in onze richting spoot. Ik voelde nattigheid in mijn gezicht en vooral bij mijn ogen. Op hetzelfde moment voelde ik mijn ogen branden en prikken. [14]
-
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 1 november 2025 nam ik de trein. Ik zag dat de 2 jongens voor de conducteur gingen staan. Ik zag dat de machinist aan kwam lopen en zag hem de jongens uit de trein zetten. Ik zag dat de deuren dicht gingen. Ik zag dat een van de jongens wat uit zijn zak pakte. Ik zag dat er een vloeibare straal door de deur kwam. Ik voelde dat het mijn gezicht raakte en ik voelde dat alles heel erg brandde op mijn gezicht en ik kon niets meer zien. Ik voelde mij benauwd en kon moeilijk ademen. Ik voelde echt mijn hele gezicht branden. Ik heb veel pijn ervaren. [15]
-
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat er camerabeelden beschikbaar waren vanuit de Nederlandse Spoorwegen.
Op de camerabeelden zag ik dat:
- Er één deur van de trein open ging, waarbij twee personen, NN1 en NN2, uit de trein stapten. Ik kan NN1 als volgt omschrijven: man, lichtkleurige pet, blauwe jas, zwarte broek, witte schoenen; [16]
- NN1 zijn rechterhand uit zijn zak haalde, zijn rechterarm omhoog bewoog en zijn
rechterarm volledig strekte richting de dichtslaande deuren, waarbij NN1 zijn
rechterhand ter hoogte van de deuropening van de trein hield;
- De deuren van de trein dichtsloegen, waarna NN1 en NN2 een aantal stappen achteruit
deden, zich omdraaide en over het perron liepen. [17]
-
het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 1 november 2025 kwam ik aan op station Naarden-Bussum vanuit Utrecht. Ik zag dat er twee mannen bij de trein stonden en probeerde om de trein binnen te dringen. Ik zag dat de deuren van de trein dichtgingen. Ik zag dat op het allerlaatste moment de jongen met de lichtblauwe jas zijn hand door de deur stak en wat in de trein spoot, wat heel ver spoot en bij mensen in het gezicht kwam. Toen renden de mannen van het station weg. Ik ben de mannen achterna gegaan. Ik zag dat zij een tuin binnen liepen. Ik heb de politieagenten aangewezen waar de jongens de tuin in zijn gegaan. Ik zag dat de jongens werden aangehouden. Ik heb bevestigd dat het die jongens waren. [18]
-
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 1 november 2025 kwamen wij aan op het treinstation Naarden-Bussum. Daar werden wij aangesproken door een getuige. Ik hoorde dat zij zei dat zij de twee mannen de tuin van de [adres 7] in zag lopen. Wij zijn naar de [adres 7] gelopen. In de voortuin zagen wij twee mannen staan, de verdachten. [19]
-
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben de tuin in gelopen en zag dat, ter hoogte van waar de verdachte in de lichtblauwe jas
stond, een busje pepperspray in de heg lag. [20]
-
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Dit voorwerp is op zaterdag 1 november 2025 in beslag genomen bij de verdachte.
Onderzoek en beschrijving:
- Ik zag dat er op de voorkant van het voorwerp de tekst "Pfeffer-Ko JET" stond.
- Ik zag dat er op de achterkant van het busje de volgende tekst stond: "das knallharte pfeffer-ko zum schutz vor angriffen". Ik vertaalde deze Duitse woorden naar het Nederlands, de vertaling betrof "De krachtige peper knock-out voor bescherming tegen aanvallen".
- Ik schudde het busje. Ik hoorde en voelde dat het busje was gevuld met een hoeveelheid vloeistof.
- Ik zag dat de werkzame stof in het spuitbusje volgens het etiket 'capsaicin' was. Ik deed via openbronnen onderzoek naar deze werkzame stof. Ik las dat deze stof 'Capsaïcine' een branderig en pijnlijk gevoel op de huid en hevige irritatie in de ogen veroorzaakt, leidend tot tranen en het onvrijwillig sluiten van de oogleden.
Definitie:
Pepperspray is een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende, dan wel soortgelijke stof.
Categorisering:
Dit voorwerp is een spuitbus gevuld met een weerloosmakende stof. Dit voorwerp is niet een medisch hulpmiddel. Het voorwerp is niet een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver of een pistool, bestemd voor het afschieten van munitie met een weerloosmakende of traanverwekkende stof. [21] Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid Pro 1, Categorie II onder 6° van de Wet wapens en munitie. [22]
-
de verklaring van [verdachte] op de zitting van 27 februari 2026:
Ik was op 1 november 2025 op het perron in Naarden-Bussum met [persoon 5] . Ik herken mijzelf op de foto’s die de verbalisant van mij heeft gemaakt op het politiebureau en die in het procesdossier zitten. Ik had die dag die kleding aan, waaronder een lichtblauwe jas.
in de zaak met parketnummer 16/288654-25: [23]
-
het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 27 oktober 2025, was ik thuis. Ik woon op de [adres 4] . Ik zag door het raam dat er een man in de tuin stond. Ik sprak de man aan. Ik zag dat hij wegliep. Even later hoorde ik weer dat er een rommelig geluid klonk. Ik liep naar mijn woonkamer en ik zag dat dezelfde man wederom in de tuin stond. Vervolgens zag ik dat mijn raam ook openstond. Dit had ik zelf niet gedaan. Vervolgens zag ik dat de man weer wegliep.
Ik kan de man als volgt omschrijven:
- man;
- licht getint;
- Noord-Afrikaans uiterlijk;
- leeftijd tussen 20 en 30 jaar;
- ongeveer 170-180 centimeter lang;
- donker, krullend haar; [24]
- lichtgekleurde pet;
- zwarte pufferjas;
- donker gekleurde schoudertas;
- lichtgekleurde broek.
De politie kwam. De politieagenten vroegen of de tablet die bij het hek van mijn tuin lag, van mij was. Ik zag dat er een witte tablet van Apple op de grond lag en herkende deze als mijn tablet. Ik weet dat ik de tablet op de hoek van mijn eettafel had gelegd. Dit is precies de plek grenzend aan het raam die openstond. [25]
-
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 27 oktober 2025 gingen wij naar de [adres 8] (
de rechtbank begrijpt: nummer [nummer 3]). Aldaar zou zijn ingebroken in een woning. Op het moment dat mijn collega en ik, het toegangshek naderden, zagen wij een iPad op de grond liggen, naast de paal waar het toegangshek aan vast was gemonteerd. Wij vroegen de aangeefster of de aangetroffen iPad van haar was. Wij hoorden dat zij bevestigend antwoordde dat de iPad van haar was. [26]
Terwijl wij daar waren, hoorden wij een spoedmelding in verband met een diefstal fiets uit schuur heterdaad aan de [adres 9] . Wij haastten ons naar het adres, welke op enkele meters van ons vandaan was. Op 27 oktober 2025 troffen wij een verdachte aan in de tuin van een woning, welke volledig overeenkwam met het door de aangever genoemde signalement. [27]
-
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 8] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 27 oktober 2025 liepen wij in de richting van de [adres 9] in verband met een spoedmelding. Wij hoorden dat de man het volgende signalement had:
- man;
- getinte huidskleur;
- ongeveer 180 centimeter lang;
- zwarte bomberjas;
- lichte spijkerbroek.
Wij liepen de tuin in en zagen dat hier een persoon stond die voldeed aan signalement dat eerder was doorgegeven. Wij spraken de persoon aan. [28] De verdachte betrof:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 2009
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Tunesië [29]

Voetnoten

1.Op de Informatiestaat SKDB-persoon staat de naam van de verdachte geregistreerd als: [verdachte] . Op zitting is kenbaar gemaakt dat de juiste naam [verdachte] is. Derhalve wordt in dit vonnis [verdachte] gehanteerd.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025385895, doorgenummerd pagina 1 tot en met 58. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
3.Pagina 6.
4.Pagina 7.
5.Pagina 15 en 16.
6.Pagina 16.
7.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025412879, pagina 1 tot en met 59. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
8.Pagina 17.
9.Pagina 29.
10.Pagina 30.
11.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025373447, pagina 1 tot en met 122. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
12.Pagina 26.
13.Pagina 27.
14.Pagina 33.
15.Pagina 36.
16.Pagina 98.
17.Pagina 99.
18.Pagina 44.
19.Pagina 13.
20.Pagina 16.
21.Pagina 88.
22.Pagina 89.
23.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025367100, pagina 1 tot en met 57. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
24.Pagina 6.
25.Pagina 7.
26.Pagina 9.
27.Pagina 10.
28.Pagina 18.
29.Pagina 19.