ECLI:NL:RBMNE:2026:1195

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
UTR 23/3358
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over informatieverzoek Wet politiegegevens wegens onvoldoende motivering

Eiser heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg) om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar). De minister van Defensie heeft op 11 mei 2023 een besluit genomen waarin werd meegedeeld dat uit een zoekslag in de relevante systemen van de KMar geen persoonsgegevens van eiser naar voren zijn gekomen.

Eiser was het niet eens met dit besluit en stelde beroep in. Hij voerde aan dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat de zoekslag niet was toegelicht in het besluit zelf, maar pas later in het verweerschrift en tijdens de zitting. Daarnaast stelde eiser dat de zoekslag niet volledig was, onderbouwd met zijn ervaringen van hinder bij grenspassages en een sollicitatie bij de KMar in 2013.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De nadere motivering in het verweerschrift en tijdens de zitting was echter toereikend. De rechtbank stelde vast dat de zoekslag volledig was verricht in de systemen BPS en SUMM-IT en dat navraag bij de afdeling Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering geen gegevens opleverde.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toch persoonsgegevens van hem onder de verantwoordelijkheid van de KMar berusten. Zijn stellingen over grensbelemmeringen en screening bij sollicitatie werden onvoldoende onderbouwd. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3358

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en

De Minister van Defensie

(gemachtigde: mr. P. Toonders).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om informatie op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg). Met het bestreden besluit van 11 mei 2023 heeft de minister de hem ter beschikking staande systemen van de Koninklijke Marechaussee (KMar) geraadpleegd en daaruit is niets naar voren gekomen. Dit betekent dat de KMar de persoonsgegevens van eiser niet op grond van de Wpg heeft verwerkt. Eiser is het niet eens met het besluit van de minister en heeft rechtstreeks beroep ingesteld. Daartoe voert eiser een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister heeft voldaan aan het informatieverzoek bij de KMar.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is de zoekslag voldoende gemotiveerd?
2. De minister heeft op 11 mei 2023 een besluit genomen op het informatieverzoek. Het besluit is als volgt gemotiveerd: “Naar aanleiding van uw verzoek heb ik de mij ter beschikking staande systemen laten raadplegen. Daaruit is niets naar voren gekomen. Dit betekent dat de Kmar de persoonsgegevens van uw cliënt niet op grond van de Wpg heeft verwerkt”. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat de KMar uitvoering heeft gegeven aan artikel 25 van Pro de Wpg door een zoekslag te verrichten in de relevante systemen waarin politiegegevens worden verwerkt, te weten het Bedrijfsprocessensysteem (BPS), waarin informatie wordt geregistreerd in het kader van de dagelijkse politietaak op basis van artikel 8 van Pro de Wpg en SUMM-IT, waarin informatie wordt verwerkt in het kader van artikel 9 van Pro de Wpg. Deze zoekslag is verricht door de daartoe bevoegde afdeling Infodesk, aan de hand van de naam en geboortedatum van eiser. Voor de volledigheid heeft de minister daarnaast navraag gedaan bij de afdeling Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) van de KMar. Deze afdeling heeft ook gemeld dat er bij hen niks bekend is. [1] Tijdens de zitting heeft de minister bovendien toegelicht dat informatie die in BPS en SUMM-IT staat na acht jaar achter schot geplaatst wordt, en in principe na tien jaar vernietigd wordt. Bij zoekslagen wordt de achter schot gestelde informatie ook onderzocht.
3. Eiser voert tijdens de zitting aan dat de minister ten onrechte niet in het bestreden besluit heeft toegelicht hoe de zoekslag is uitgevoerd. De zoekslag is pas in het verweerschrift en tijdens de zitting inzichtelijk gemaakt. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
4. De rechtbank is het met eiser eens. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd omdat de minister de zoekslag die naar aanleiding van het informatieverzoek is verricht onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb, genomen. Om die reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven en zal het worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het verweerschrift van 24 november 2025 en hetgeen tijdens de zitting is toegelicht, een toereikende nadere motivering heeft gegeven. Gelet daarop zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.
Is de zoekslag volledig geweest?
5. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde informatie niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. [2]
6. Eiser voert aan dat de zoekslag niet volledig is geweest en dat er wel degelijk informatie is verwerkt door de KMar. Eiser onderbouwt dit met zijn eigen ervaringen. Eiser voert aan dat hij hinder en beperkingen ondervindt bij het reizen naar het buitenland. Hij wordt continu aangehouden, ondervraagd en hem wordt toegang geweigerd. Zo is hem de toegang geweigerd in Turkije. Ook wordt eiser anders bejegend bij een douanecontrole. Toen eiser met de auto in Kroatië aankwam is hij door de douane aan de kant gezet. Vervolgens is eiser ruim een uur verhoord en zijn hem vragen gesteld over zijn mening en de situatie in Syrië. Uiteindelijk mocht eiser doorrijden. Tijdens de zitting voert eiser aan dat hij in 2013 als [functie] op Schiphol heeft gesolliciteerd waarbij hij door de KMar is gescreend. Eiser is er gezien deze ervaringen van overtuigd dat de KMar gegevens van hem heeft verwerkt.
7. De rechtbank oordeelt dat de zoekslag volledig is geweest. De minister heeft gezocht in BPS, waarin informatie wordt geregistreerd in het kader van de dagelijkse politietaak en SUMM-IT. De minister heeft op de zitting uitgelegd dat zowel de politie als de KMar gebruikmaken van het systeem SUMM-IT. Ook het deel van SUMM-IT waar de KMar verantwoordelijk voor is, is door de minister onderzocht. Deze zoekslag is verricht door de daartoe bevoegde afdeling Infodesk, aan de hand van de naam en geboortedatum van eiser. Ook heeft de KMar bij de afdeling Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering navraag gedaan, zonder succes. Op basis van deze zoekactie is vastgesteld dat er door de Kmar geen politiegegevens van eiser zijn verwerkt.
8. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er toch gegevens over eiser onder de verantwoordelijkheid van de KMar berusten. Eiser heeft namelijk niet gesteld of onderbouwd dat hij op enig moment voorafgaand aan het bestreden besluit in Nederland en met name op een luchthaven, daadwerkelijk in aanraking is geweest met de KMar. Eiser heeft op de zitting verklaard dat de weigering aan de grens in Turkije niet op een luchthaven, maar in de auto heeft plaatsgevonden. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse autoriteiten contact hebben gezocht met de KMar. Eiser heeft voor het eerst tijdens de zitting gesteld dat hij in 2013 op Schiphol gesolliciteerd heeft en daarbij door de KMar is gescreend. Eiser had dit eerder in de procedure kunnen aanvoeren. Bovendien heeft hij zijn stelling niet met stukken onderbouwd, zodat ook onduidelijk is of de screening door de Kmar heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling van eiser.
9. Hoewel de gevolgen van de problemen die eiser ondervindt bij grenspassages zeer ingrijpend voor hem zijn, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er meer gegevens zijn die onder de verwerkingsverantwoordelijkheid van de minister berusten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
11. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 mei 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verweerschrift, pagina 4.