RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
zaaknummers: UTR 25/3547 en UTR 25/3548
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser 80-100% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiser is op 22 januari 2008 ziek uitgevallen voor zijn werk als [functie] voor gemiddeld 43,27 uur per week. Aan eiser is met het besluit van 17 augustus 2010 met ingang van 19 januari 2010 een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-80%.
3. Op 13 oktober 2023 heeft eiser bij het Uwv gemeld dat zijn medische situatie is verslechterd. Eiser heeft last van een te hoge bloeddruk, spierreuma, zware slaapapneu (OSAS), vermoeidheid en vergeetachtigheid.
4. De primaire verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur van 19 september 2024 en heeft vastgesteld dat de belastbaarheid van eiser is gewijzigd. De primaire verzekeringsarts heeft de klachten van eiser vertaald naar beperkingen en vastgelegd in een functionele mogelijkheden lijst (FML) die van toepassing is per arbitraire datum 1 januari 2019. Omdat de linkerarm van eiser vanaf maart 2024 niet meer belastbaar is als gevolg van een ongeval waarbij eiser peesletsel heeft opgelopen, is een separate FML opgesteld per 8 maart 2024. De prognose volgens de primaire verzekeringsarts is dat de medische situatie van eiser gezien de aankomende behandeling naar verwachting nog wel kan veranderen. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage volgt dat eiser destijds op een wachtlijst stond voor een maagverkleining.
5. De primaire arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiser ongeschikt is voor zijn eigen werk als [functie] . Met het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en de FML van 1 januari 2019 heeft de primaire arbeidsdeskundige drie functies geselecteerd die eiser wel kan doen. Door het uurloon in de middelste functie (de functies staan op volgorde van uurloon) af te zetten tegen het inkomen dat eiser had voordat hij ziek werd heeft de arbeidsdeskundige berekend dat eiser 26,71% kan verdienen van het inkomen dat hij had voordat hij ziek werd. Dat betekent dat eiser 73,29% arbeidsongeschikt is. De primaire arbeidsdeskundige heeft slechts één functie kunnen duiden op basis van de FML van 8 maart 2024, zodat de primaire arbeidsdeskundige geen verdiencapaciteit heeft kunnen vaststellen. Om die reden is eiser met ingang van 8 maart 2024 100% arbeidsongeschikt.
6. Met het besluit van 21 oktober 2024 heeft het Uwv beslist dat eiser vanaf 1 januari 2019 toegenomen arbeidsongeschikt is. De uitkering van eiser is om deze reden aangepast vanaf 14 oktober 2022 (het primaire besluit I). Op 21 oktober 2024 heeft het Uwv ook beslist dat eiser vanaf 8 maart 2024 100% arbeidsongeschikt is (het primaire besluit II).
Tegen deze besluiten heeft eiser op 2 december 2024 bezwaar gemaakt.
7. Met het besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I gegrond verklaard, omdat de geduide functies de belastbaarheid van eiser overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft andere functies geselecteerd die eiser wél kan verrichten en berekend dat eiser 88,64% arbeidsongeschikt is. Het beroep hiertegen is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/3548.
8. Met het andere besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/3547.
9. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Als gevolg van verhindering van de gemachtigde van eiser is de zitting op 9 januari 2026 uitgesteld. De rechtbank heeft partijen vervolgens uitgenodigd voor een nieuwe zitting op 11 februari 2026. Aan deze zitting heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.