Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1221

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3547 en UTR 25/3548
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 7:2 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA

Eiser is sinds 22 januari 2008 arbeidsongeschikt en ontving sinds 2010 een WIA-uitkering op basis van 35-80% arbeidsongeschiktheid. Na een verslechtering van zijn medische situatie in 2023, waaronder hoge bloeddruk, spierreuma en slaapapneu, heeft het UWV zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. De primaire verzekeringsarts stelde vast dat eiser per 1 januari 2019 beperkingen had en vanaf 8 maart 2024 volledig arbeidsongeschikt was vanwege peesletsel.

Het UWV besloot in oktober 2024 de uitkering aan te passen en stelde dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen de aanpassing van 2019 gegrond en stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage bij op 88,64%, maar verklaarde het bezwaar tegen de volledige arbeidsongeschiktheid vanaf maart 2024 ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is, mede vanwege de verwachting van verbetering na een geplande maagverkleining. Daarnaast is vastgesteld dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden, maar hier geen gebruik van heeft gemaakt. De beroepen van eiser worden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3547 en UTR 25/3548

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser 80-100% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiser is op 22 januari 2008 ziek uitgevallen voor zijn werk als [functie] voor gemiddeld 43,27 uur per week. Aan eiser is met het besluit van 17 augustus 2010 met ingang van 19 januari 2010 een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-80%.
3. Op 13 oktober 2023 heeft eiser bij het Uwv gemeld dat zijn medische situatie is verslechterd. Eiser heeft last van een te hoge bloeddruk, spierreuma, zware slaapapneu (OSAS), vermoeidheid en vergeetachtigheid.
4. De primaire verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur van 19 september 2024 en heeft vastgesteld dat de belastbaarheid van eiser is gewijzigd. De primaire verzekeringsarts heeft de klachten van eiser vertaald naar beperkingen en vastgelegd in een functionele mogelijkheden lijst (FML) die van toepassing is per arbitraire datum 1 januari 2019. Omdat de linkerarm van eiser vanaf maart 2024 niet meer belastbaar is als gevolg van een ongeval waarbij eiser peesletsel heeft opgelopen, is een separate FML opgesteld per 8 maart 2024. De prognose volgens de primaire verzekeringsarts is dat de medische situatie van eiser gezien de aankomende behandeling naar verwachting nog wel kan veranderen. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage volgt dat eiser destijds op een wachtlijst stond voor een maagverkleining.
5. De primaire arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiser ongeschikt is voor zijn eigen werk als [functie] . Met het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en de FML van 1 januari 2019 heeft de primaire arbeidsdeskundige drie functies geselecteerd die eiser wel kan doen. Door het uurloon in de middelste functie (de functies staan op volgorde van uurloon) af te zetten tegen het inkomen dat eiser had voordat hij ziek werd heeft de arbeidsdeskundige berekend dat eiser 26,71% kan verdienen van het inkomen dat hij had voordat hij ziek werd. Dat betekent dat eiser 73,29% arbeidsongeschikt is. De primaire arbeidsdeskundige heeft slechts één functie kunnen duiden op basis van de FML van 8 maart 2024, zodat de primaire arbeidsdeskundige geen verdiencapaciteit heeft kunnen vaststellen. Om die reden is eiser met ingang van 8 maart 2024 100% arbeidsongeschikt.
6. Met het besluit van 21 oktober 2024 heeft het Uwv beslist dat eiser vanaf 1 januari 2019 toegenomen arbeidsongeschikt is. De uitkering van eiser is om deze reden aangepast vanaf 14 oktober 2022 (het primaire besluit I). Op 21 oktober 2024 heeft het Uwv ook beslist dat eiser vanaf 8 maart 2024 100% arbeidsongeschikt is (het primaire besluit II).
Tegen deze besluiten heeft eiser op 2 december 2024 bezwaar gemaakt.
7. Met het besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I gegrond verklaard, omdat de geduide functies de belastbaarheid van eiser overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft andere functies geselecteerd die eiser wél kan verrichten en berekend dat eiser 88,64% arbeidsongeschikt is. Het beroep hiertegen is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/3548.
8. Met het andere besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/3547.
9. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Als gevolg van verhindering van de gemachtigde van eiser is de zitting op 9 januari 2026 uitgesteld. De rechtbank heeft partijen vervolgens uitgenodigd voor een nieuwe zitting op 11 februari 2026. Aan deze zitting heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

De beroepsgronden

10. Eiser voert aan dat ten onrechte onvoldoende kenbaar en inzichtelijk is gemotiveerd waarom eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is, gelet op de omstandigheid dat hij arbeidsongeschikt is sinds 2019 en niet is gebleken van verbetering. Eiser voert daarnaast aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.

Het wettelijk kader

11. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, maar ook een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. [1]
12. Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een motivering vereist die ziet op een mogelijk resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. [2]

Beoordeling door de rechtbank

13. Met de verzekeringsgeneeskundige rapportages, waaronder de aanvullende verzekeringsgeneeskundige rapportage van 25 september 2025, is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat met de maagverkleining een substantiële verbetering van alle klachten te verwachten is. In de aanvullende rapportage motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser na de ingreep aanzienlijk zal afvallen, waardoor zijn bloedsuiker zal normaliseren. Dit zal een gunstig effect hebben op de slaapapneu, waardoor de verwachting is dat eiser beter zal gaan slapen. De beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zullen daardoor gaan afnemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht dat een jaar na de chirurgie een dusdanige verbetering merkbaar is, dat het zinvol is om een heronderzoek te laten verrichten. De rechtbank kan deze redenering, waar eiser niets tegenover heeft gesteld, goed volgen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
14. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, een belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. [3] Dat heeft het Uwv gedaan. In de brieven van 10 december 2024, 10 en 19 maart 2025 heeft het Uwv aan eiser gevraagd of hij een hoorzitting wil. In deze brieven is medegedeeld dat als niet wordt gereageerd er vanuit wordt gegaan dat eiser geen behoefte heeft aan een hoorzitting. Omdat eiser niet heeft gereageerd op de brieven mocht het Uwv vaststellen dat eiser geen hoorzitting wilde. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat uit de overgelegde telefoonnotities van 18 en 19 februari 2025 blijkt dat de gemachtigde van eiser telefonisch niet bereikbaar was en dat geen voicemailbericht kon worden achtergelaten. Dat geen hoorzitting in bezwaar heeft plaatsgevonden komt ook om deze reden voor rekening en risico van eiser. Bovendien heeft eiser ook in beroep geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser 80-100% niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4 Wet Pro WIA.
2.Uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4072 en de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:219.
3.Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.