Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1235

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/16/600686 / BE ZA 25-52
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:211 BWArt. 3:171 BWArt. 4 Erfrechtverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot betrekken vereffenaar in procedure over verdeling nalatenschap

In deze zaak staat de verdeling van een goed uit de nalatenschap van erflater centraal. De echtgenote van erflater, die ook erfgenaam was, is inmiddels overleden en haar nalatenschap wordt beheerd door een vereffenaar. Gedaagden vorderen in een incident dat eiser wordt gelast deze vereffenaar in het geding te betrekken.

De rechtbank overweegt dat een vereffenaar belast is met het beheer en de vereffening van een nalatenschap, waaronder het behoud en onderhoud van goederen en het betalen van schulden. Het meewerken aan de verdeling van een goed uit de nalatenschap van erflater behoort niet per definitie tot de taak van de vereffenaar van de nalatenschap van de echtgenote, tenzij dit noodzakelijk is voor het beheer of de vereffening.

Omdat niet is gesteld dat het betrekken van de vereffenaar noodzakelijk is voor diens taak, wijst de rechtbank de vordering af. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af om de vereffenaar in het geding te betrekken omdat dit niet tot diens taak behoort.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600686 / BE ZA 25-52
Vonnis in incident van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub1] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
hierna: [eiseres sub1] ,
2.
[eiseres sub2],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna: [eiseres sub2] ,
3.
[vennootschap sub3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de vennootschap,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. B. van Zanten,
tegen

1.[gedaagde sub1] ,

wonende in [woonplaats 3] ,
hierna: [gedaagde sub1] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. M.C. Willems-Muller,
2.
[gedaagde sub2],
wonende in [woonplaats 4] (Frankrijk),
hierna: [gedaagde sub2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. M.C. Willems-Muller,
3.
[gedaagde sub3],
wonende in [woonplaats 5] ,
hierna: [gedaagde sub3] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
4.
[gedaagde sub4],
wonende in [woonplaats 5] ,
hierna: [gedaagde sub4] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
5.
[gedaagde sub5],
wonende in [woonplaats 6] (Frankrijk),
hierna: [gedaagde sub5] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
6.
[gedaagde sub6],
wonende in [woonplaats 6] (Frankrijk),
hierna: [gedaagde sub6] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 30;
  • de verstekverlening tegen [gedaagde sub3] , [gedaagde sub4] , [gedaagde sub5] en [gedaagde sub6] ,
  • de incidentele conclusie met productie 1;
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten voor zover van belang voor het incident

2.1.
Op [datum overlijden [1]] 2014 is de heer [erflater 1] (hierna: erflater) overleden.
Erflater had in zijn testament zijn echtgenote, mevrouw [erflaatster] , en zijn kinderen [gedaagde sub1] , [gedaagde sub2] en [erflater 2] (hierna: [erflater 2] ) als erfgenamen benoemd, de kinderen ieder voor 33/100e deel, zijn echtgenote voor 1/100e deel. Zij hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.
2.2.
[erflater 2] is op [datum overlijden [2]] 2018 overleden. [eiseres sub1] (zijn echtgenote) en [eiseres sub2] (zijn dochter) zijn de erfgenamen van [erflater 2] en hebben zijn nalatenschap zuiver aanvaard.
2.3.
De echtgenote van erflater (hierna: erflaatster) is op [datum overlijden [3]] 2022 overleden. Zij heeft in haar testament haar twee (nog levende) kinderen ( [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] ) en vijf kleinkinderen ( [eiseres sub2] , [gedaagde sub3] , [gedaagde sub4] , [gedaagde sub5] en [gedaagde sub6] ) als erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. In een beschikking van deze rechtbank van 11 september 2025 is de heer mr. [vereffenaar] tot vereffenaar van de nalatenschap benoemd.
2.4.
Erflater heeft in 1972 de vennootschap [vennootschap sub3] B.V. opgericht. De onderneming die erflater middels deze vennootschap dreef, heeft hij in 1993 aan [erflater 2] en [eiseres sub1] overgedragen. Zij hebben die onderneming voortgezet in de vorm van een vennootschap onder firma, die later is ingebracht in de vennootschap.
2.5.
De nalatenschap van erflater bevatte een recht van erfpacht dat betrekking heeft op een perceel grond in [vestigingsplaats] . In de bedrijfshal op dit perceel drijven [eiseres sub1] en (inmiddels) [eiseres sub2] de hiervoor genoemde onderneming. Dit recht van erfpacht is tot op heden onverdeeld.

3.Het geschil en de beoordeling in incident

3.1.
[eiseres sub1] , [eiseres sub2] en de vennootschap vorderen in de hoofdzaak, kort gezegd, een veroordeling van de erfgenamen van erflater om het recht van erfpacht aan de vennootschap te verkopen, een verklaring voor recht dat de erfgenamen van erflater een vergoeding aan de vennootschap verschuldigd zijn wegens ongerechtvaardigde verrijking en een verklaring voor recht dat de vennootschap de koopprijs grotendeels door verrekening heeft voldaan. Subsidiair vorderen zij toedeling van het recht van erfpacht aan [eiseres sub1] en [eiseres sub2] tegen betaling van een overbedelingsschuld aan de andere erfgenamen en veroordeling van de andere erfgenamen om aan de vennootschap een vergoeding te voldoen wegens ongerechtvaardigde verrijking.
3.2.
Omdat drie van de gedaagden in Frankrijk wonen heeft deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank stelt vast dat zij op grond van artikel 4 van Pro de Erfrechtverordening bevoegd is om uitspraak te doen in dit geschil, aangezien erflater zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. In zijn testament heeft hij Nederlands recht van toepassing verklaard op de erfopvolging en de afwikkeling van zijn nalatenschap.
3.3.
[gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] vorderen in incident om [eiseres sub1] , [eiseres sub2] en de vennootschap te gelasten om de vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster als partij in het geding op te roepen, met veroordeling van hen in de kosten in het incident. De erfgenamen van erflaatster hebben haar nalatenschap beneficiair aanvaard. Deze nalatenschap moet nog worden vereffend. Bij beschikking van 11 september 2025 is op verzoek van [gedaagde sub1] een vereffenaar benoemd, de hiervoor genoemde heer [vereffenaar] . De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen van erflaatster sindsdien in en buiten rechte. [eiseres sub1] , [eiseres sub2] en de vennootschap hebben hem echter niet in de procedure betrokken. Dat moeten zij volgens [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] alsnog doen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, waarbij zij moeten worden veroordeeld in de kosten in het incident.
3.4.
[eiseres sub1] , [eiseres sub2] en de vennootschap zijn het hiermee niet eens. Een vereffenaar is volgens hen niet bevoegd om beschikkingshandelingen te verrichten die verband houden met de verdeling van een nalatenschap. Omdat het hier gaat om een verdeling van een goed uit de nalatenschap van erflater, heeft de vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster in dit verband geen taak. Als dat anders zou zijn, geldt dat een vereffenaar de erfgenamen van erflaatsters slechts kan vertegenwoordigen als dat nodig is voor de vervulling van zijn taak. De vereffenaar kan daarom alleen beschikkingshandelingen verrichten als dat nodig is om schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen. [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] hebben niet gesteld dat dat nodig is. Tot slot geldt dat er proceseconomisch geen belang bestaat bij oproeping van de vereffenaar. Alle deelgenoten van de nalatenschap van erflater zijn namelijk in het geding betrokken, waarbij nog geldt dat het aandeel van erflaatster in deze nalatenschap slechts 1/100ste deel betrof, aldus [eiseres sub1] , [eiseres sub2] en de vennootschap.
3.5.
Een vereffenaar heeft als taak om de nalatenschap te beheren en te vereffenen (artikel 4:211 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Onder beheer moet op grond van artikel 3:171 lid 1 en Pro 2 BW worden verstaan: handelingen tot behoud of onderhoud van een goed, alle andere handelingen die voor de normale exploitatie van een goed dienstig kunnen zijn en het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties. Onder vereffening moet worden verstaan: het betalen van de (opeisbare) schulden. Bij de vervulling van deze taak vertegenwoordigt de vereffenaar de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW Pro). [eiseres sub1] en [eiseres sub2] vorderen in de hoofdzaak verdeling van een goed dat tot de nalatenschap van erflater behoorde, waarin de nalatenschap van erflaatster een aandeel heeft. Het meewerken aan een verdeling van een gemeenschappelijk goed behoort niet per definitie tot de taken van een vereffenaar. Dat is alleen het geval als deze verdeling nodig is in verband met het beheer van de nalatenschap of de vereffening daarvan. [eiseres sub1] , [eiseres sub2] en de vennootschap hebben er terecht op gewezen dat [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] niet hebben gesteld dat dit zo is. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de vereffenaar bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen van erflaatster in deze procedure moet vertegenwoordigen. Dit betekent dat de vordering in incident zal worden afgewezen.
3.6.
Gelet op de familierechtelijke relatie tussen partijen, zal de rechtbank de proceskosten in het incident compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

4.De beslissing

in het incident
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van
15 april 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.