Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1241

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/16/607682 / KG ZA 26-99
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag op g-rekening wegens belangenafweging

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de opheffing van conservatoir beslag dat gedaagde ten laste van haar heeft gelegd onder de banken ING en Bunq. Gedaagde baseert het beslag op een vordering voortvloeiend uit een geschil over een 15%-aandelenbelang dat als vergoeding voor advieswerkzaamheden zou zijn toegezegd.

De voorzieningenrechter beoordeelt of summierlijk blijkt van ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht en of het beslag onnodig is. Eiseres voert aan dat de vordering ondeugdelijk is en dat de beslagrechter onjuist is voorgelicht, maar deze stellingen worden onvoldoende aannemelijk gemaakt. De waardering van het aandelenbelang is betwist, maar een nadere waardering past niet in de kortgedingprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beslag op de g-rekening moet worden opgeheven vanwege de bijzondere aard van deze rekening, die uitsluitend bestemd is voor belastingafdracht. Het beslag op deze rekening belemmert eiseres in haar wettelijke verplichtingen en brengt risico's met zich mee. Voor de overige beslagen weegt het belang van gedaagde zwaarder.

Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot mededeling van de opheffing aan ING en tot betaling van dwangsommen bij niet-naleving. Het verbod om opnieuw beslag te leggen geldt alleen voor de g-rekening. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitkomst: Het conservatoir beslag op de g-rekening wordt opgeheven, de overige beslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607682 / KG ZA 26-99
Vonnis in kort geding van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C.J. van der Have te Den Haag,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] (België),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. K.C.M. van der Meule en mr. D.P. Schalken te Den Bosch.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 2 maart 2026 met producties 1 tot en met 11
- de door [gedaagde] op 4 maart 2026 ingediende producties 1 en 2.1. tot en met 2.54
- de door [eiseres] op 5 maart 2026 ingediende productie 12
- de door [eiseres] op 6 maart 2026 ingediende akte wijzigen eis met productie 13.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling van 6 maart 2026 zijn namens [eiseres] verschenen: de heer [A] ( statutair bestuurder ) en mr. Van der Have. Namens gedaagde zijn verschenen: [gedaagde] , mr. Van der Meule en mr. Schalken.
De advocaat van [eiseres] en de advocaten van [gedaagde] hebben spreekaantekeningen voorgelezen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De zittingsgriffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat uiterlijk 20 maart 2026 vonnis wordt gewezen. Het vonnis is bij vervroeging uitgesproken op 18 maart 2026.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft na verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [eiseres] conservatoir beslag laten leggen onder de banken ING Bank N.V. (hierna: ING) en Bunq B.V. (hierna: Bunq). [eiseres] wil dat deze beslagen worden opgeheven, omdat de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd ondeugdelijk is. Ook vindt [eiseres] dat de beslagrechter door [gedaagde] onjuist en onvolledig is voorgelicht. De voorzieningenrechter oordeelt anders. Alleen een deel van het onder ING gelegde beslag wordt opgeheven, namelijk voor zover dat betrekking heeft op de g-rekening die [eiseres] aanhoudt bij ING. Voor dat deel geldt dat het belang van [eiseres] bij opheffing zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.

3.De beoordeling

Niet summierlijk gebleken van ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht
3.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. [1]
3.2.
[eiseres] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht. Daarbij ligt het op de weg van degene die de opheffing vordert (in dit geval [eiseres] ) om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. [2] De beslissing neemt de voorzieningenrechter aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door haar naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Uitgangspunt daarbij is dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, als een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
3.3.
De voorzieningenrechter heeft deze maatstaf toegepast en is van oordeel dat niet summierlijk blijkt van ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht. [gedaagde] vermeldt over dat recht in het beslagrekest onder meer:
  • dat hij en [A] (die toen handelde namens [eiseres] ) in februari 2023 zijn overeengekomen dat [gedaagde] voor zijn voor [eiseres] uitgevoerde en uit te voeren advieswerkzaamheden niet in geld zou worden betaald maar met 15% van de aandelen in [eiseres] (deze gestelde toezegging hierna: de 15%-afspraak);
  • dat [eiseres] de 15%-afspraak niet nakomt;
  • dat het 15% aandelenbelang in [eiseres] per 31 december 2024 een waarde had van € 258.635,00;
- dat [gedaagde] op 10 februari 2026 [eiseres] heeft bericht dat hij niet langer aanspraak maakt op het 15%-aandelenbelang in [eiseres] , maar in plaats daarvan € 258.635,00 eist bij wijze van vervangende schadevergoeding.
In het beslagverlof is de vordering waarvoor het verlof wordt gevraagd begroot op € 336.225,50. Dat is de al genoemde € 258.635,00 vermeerderd met de gebruikelijke opslag voor rente en kosten.
3.4.
Het eerste punt dat [eiseres] met betrekking tot de ondeugdelijkheid aanvoert is dat de onderhandelingen en gestelde afspraken uitsluitend op aandeelhoudersniveau plaatsvonden, zodat het 15% aandelenbelang hooguit door [onderneming 1] B.V. (de aandeelhouder van [eiseres] hierna: [onderneming 1] ) kan zijn toegezegd, maar nooit door [eiseres] . In dit verband wijst [eiseres] op de conceptovereenkomst voor de uitgifte van aandelen en de concept aandeelhoudersovereenkomst waarin de primaire partijen een nog op te richten [onderneming 2] B.V.B.A. van [gedaagde] en [onderneming 1] zijn. [eiseres] staat wel genoemd, maar alleen omdat zij de betreffende aandelen moet uitgeven.
3.5.
Met dit betoog miskent [eiseres] dat uit het beslagrekest blijkt (en ter zitting door [gedaagde] is bevestigd) dat de vervangende schadevergoeding die [gedaagde] vordert niet zozeer in plaats komt van de conceptovereenkomst tot uitgifte van aandelen of de concept aandeelhoudersovereenkomst maar van de daarboven liggende afspraak tussen [gedaagde] en [eiseres] dat [gedaagde] advieswerkzaamheden voor [eiseres] zou verrichten en [eiseres] hem daarvoor zou betalen met 15% aandelen in zichzelf. Het is voldoende aannemelijk dat die afspraak is gemaakt door [eiseres] , die immers opdrachtgever en onderwerp van de adviezen van [gedaagde] was, en niet met [onderneming 1] , die in februari 2023 nog niet was opgericht. Dat de uitwerking van die afspraak vervolgens op aandeelhoudersniveau moest plaatsvinden (zowel voor de overdracht van 15% als voor de uitgifte omdat dat de aandeelhouder(s) van [eiseres] daarover moest(en) beslissen), maakt niet dat [eiseres] geen of niet langer contractspartij was. Datzelfde geldt voor [gedaagde] als schuldeiser: het feit dat is onderzocht is of het fiscaal aantrekkelijker was om de aandelen niet aan [gedaagde] zelf over te dragen maar aan een aan hem verbonden Belgische ( [onderneming 2] ) vennootschap, maakt niet dat [gedaagde] geen of niet langer contractspartij was bij de bovenliggende 15%-afspraak die [gedaagde] ten grondslag legt aan zijn vordering.
3.6.
Het tweede punt van [eiseres] voor wat betreft de ondeugdelijkheid is dat volgens haar nooit overeenstemming is bereikt over de essentialia van de 15%-afspraak. Zij wijst op de voorbehouden in de eerdergenoemde conceptovereenkomsten en benadrukt dat deze overeenkomsten uiteindelijk nooit zijn getekend. Volgens [eiseres] verkeerden partijen dan ook nog in de onderhandelingsfase. Ook op dit punt is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] de ondeugdelijkheid onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De 15%-afspraak blijkt voor het eerst schriftelijk uit de e-mail van 6 februari 2023 waarin [A] aan [gedaagde] schrijft:

Verder ben ik bezig met het formeel maken van onze afspraak over het aandelen pakket ter ruil voor jouw werkzaamheden (15%). Hier heb ik wat zaken voor opgevraagd bij de mijn accountant. Je hoort van me!
3.7.
In de tweeëneenhalf jaar daarna is de afspraak ook meerdere keren benoemd in de correspondentie tussen partijen en ook in de considerans van de conceptovereenkomsten wordt de 15%-afspraak expliciet genoemd als onderliggende afspraak. [gedaagde] heeft in die tweeëneenhalf jaar ook daadwerkelijk advieswerkzaamheden uitgevoerd zonder daarvoor een geldelijke vergoeding te ontvangen en partijen hebben gedurende die periode onderzocht hoe het 15% aandelenbelang in [eiseres] zo fiscaal gunstig mogelijk aan [gedaagde] kon worden overgedragen. In dat kader zijn er besprekingen geweest met en tussen de adviseurs van partijen en zijn de conceptovereenkomsten opgesteld om uitwerking te geven aan de 15%-afspraak. Dat partijen er voor wat betreft de uitwerking nog niet helemaal uit waren doet niet af aan het feit dat er overeenstemming was over de essentialia. In dat licht is ook van belang dat [eiseres] in haar mail van 15 mei 2025, waarin zij meedeelt tot de conclusie te zijn gekomen dat het passend is om de zakelijke relatie af te sluiten, het bedrag van het 15%-aandeel van [gedaagde] waardeert op circa € 41.325,00 en dit bedrag aan hem wil betalen. Partijen zijn daarna verder gaan kijken wat de waarde was van het 15%-aandeel. Omdat de waarderingen erg uiteen liepen, is dat uiteindelijk stukgelopen.
3.8.
[eiseres] heeft verder aangevoerd dat
de begrotingvan de vordering door [gedaagde] ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit onvoldoende aannemelijk is geworden. Dat komt omdat er in het dossier twee zeer verschillende waarderingen van het 15% aandelenbelang zitten. De waardering waar [eiseres] zich op beroept gaat uit van een waarde van € 41.235,00 en de waardering waar [gedaagde] haar vordering op gebaseerd stelt de waardering vast op € 258.635,00 Partijen hebben elkaars waardering betwist. Het zou voor de hand liggen om een nieuwe (onafhankelijke) waardering te laten uitvoeren, maar daar leent deze kortgedingprocedure zich niet voor. Datzelfde geldt voor het standpunt van [eiseres] dat de advieswerkzaamheden van [gedaagde] qua waarde in geen verhouding staan tot een 15% aandelenbelang. [eiseres] beroept zich daarbij op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft het standpunt van [eiseres] gemotiveerd betwist en voert aan dat de omzet en winst van [eiseres] door zijn adviezen juist sterk zijn gestegen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de huidige standpunten onvoldoende aannemelijk is dat de begroting van de vordering door [gedaagde] ondeugdelijk is en dit kort geding leent zich niet voor een nader (feiten)onderzoek. Dat betekent dat de subsidiaire vordering tot het herbegroten van de vordering van [gedaagde] tot nihil en het (deels) opheffen van het beslag wordt afgewezen.
Geen schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro
3.9.
[eiseres] betoogt ten tweede dat het verlof voor de beslagen is verleend op basis van onjuiste en onvolledige informatie in het beslagrekest. Dat levert volgens haar een schending op van de in artikel 21 Rv Pro opgenomen verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [eiseres] bepleit dat de schendingen zo ernstig zijn dat de voorzieningenrechter de beslagen moet opheffen.
3.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] artikel 21 Rv Pro niet heeft geschonden, althans niet in een mate die zou moeten leiden tot opheffing van het beslag.
Het eerste punt dat volgens [eiseres] duidelijker in het beslagrekest had moeten staan, is het onder 3.4 en 3.5 behandelde punt dat [gedaagde] en [eiseres] de verkeerde partijen zijn omdat de gestelde afspraken en onderhandelingen over het 15%-aandelenbelang plaatsvonden op aandeelhoudersniveau. Dat verwijt is alleen al niet terecht omdat [eiseres] die betwisting pas in de kortgedingdagvaarding voor het eerst duidelijk en uitgewerkt naar voren heeft gebracht. Uit de correspondentie tussen partijen tot 18 februari 2026, toen het beslagrekest is ingediend, is die betwisting niet – of in ieder geval niet voldoende duidelijk – af te leiden.
3.11.
Het tweede verwijt van [eiseres] is dat in het beslagrekest duidelijk had moeten staan dat zij betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Die betwisting [4] wordt in het beslagrekest echter wel genoemd, onder 49 en 51. Ook op dat punt heeft [gedaagde] artikel 21 dus Pro niet geschonden.
3.12.
Het derde verwijt is dat in het beslagrekest in de alinea’s over de proportionaliteit en subsidiariteit (alinea’s 62 en 63) wordt vermeld dat er fusiegesprekken zijn tussen [eiseres] en [onderneming 3] , terwijl [gedaagde] al op 18 december 2025 is bericht dat [onderneming 3] die gesprekken heeft opgeschort, vanwege het conflict met [gedaagde] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet vermelden van die opschorting in het – het twee maanden later ingediende – beslagrekest geen schending van artikel 21 Rv Pro oplevert.
De belangenafweging brengt mee dat (alleen) het beslag op de g-rekening wordt opgeheven
3.13.
Tot slot heeft [eiseres] aangevoerd dat de beslagen zouden moeten worden opgeheven op grond van een belangenafweging. [eiseres] heeft in het kader van de belangenafweging aangevoerd:
- dat het onder ING gelegde beslag zich ook uitstrekt over het positieve saldo op de door [eiseres] bij ING aangehouden g-rekening met [rekeningnummer] (hierna: de g-rekening), waarvan het positieve saldo volgens [eiseres] op het moment van beslaglegging € 50.842,85 bedroeg;
- dat zij vanaf haar andere ING rekening doorgaans de salarissen uitbetaalt, maar dat de salarissen voor deze maand inmiddels van een andere rekening zijn betaald;
- dat [eiseres] de rekening die zij bij Bunq aanhoudt nauwelijks nog gebruikt, alleen voor enkele incasso’s.
3.14.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eiseres] bij opheffing alleen voor wat betreft de g-rekening opweegt tegen het belang van [gedaagde] bij instandhouding. Voor de rest van de beslagen weegt het belang van [gedaagde] bij instandhouding wel zwaarder dan het belang van [eiseres] bij opheffing. Bij het oordeel dat het belang van [eiseres] bij opheffing op de g-rekening zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij instandhouding is van belang:
- dat tegoeden op de g-rekening exclusief bedoeld zijn voor afdracht aan de belastingdienst en dat de rekening om die reden ook is geblokkeerd in de zin dat de bank alleen betalingsopdrachten uitvoert als aan de belastingdienst moet worden betaald;
- dat de belastingdienst een pandrecht op deze tegoeden heeft;
- dat het daarom onwaarschijnlijk is dat uitwinning van het beslag tot (substantiële) uitbetaling aan [gedaagde] zal leiden;
- dat de nadelige gevolgen van de beslagen voor [eiseres] daarentegen groot zijn: zij kan niet aan haar (wettelijke) verplichting tot afdracht voldoen, haar bestuurders lopen aansprakelijkheidsrisico’s en in contracten met opdrachtgevers is het niet afdragen aan de belastingdienst door [eiseres] een van de opzeggingsgronden voor de opdrachtgevers.
De conclusie van de voorzieningenrechter is dat het beslag voor [gedaagde] niet zo waardevol is, maar het beslag voor de belangen van [eiseres] wel zeer nadelige gevolgen heeft. Dat vormt reden om het beslag op de g-rekening op grond van deze belangafweging op te heffen. [gedaagde] heeft nog gesuggereerd dat [eiseres] er dan maar voor moet zorgen dat de belastingdienst met andere tegoeden wordt voldaan. Dat betoog volgt de voorzieningenrechter niet. Van [eiseres] kan niet worden verlangd dat zij het beslag op deze wijze alsnog ‘waardevol’ voor [gedaagde] moet maken.
3.15.
De vordering tot het doen van een mededeling van de opheffing is niet betwist en zal daarom worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal aan die veroordeling ook en dwangsom verbinden. De voorzieningenrechter ziet wel in de betwisting van de hoogte van die dwangsom door [gedaagde] voldoende aanleiding om deze dwangsom naar beneden bij te stellen naar een hoogte zoals in het dictum vermeldt.
3.16.
Ook het verbod om opnieuw beslag te leggen wordt alleen toegewezen ten aanzien van de g-rekening bij ING. Ook aan die veroordeling verbindt de voorzieningenrechter een dwangsom, die echter lager is dan gevorderd.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten
3.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er bestaat geen grond om één van de partijen in de daadwerkelijke proceskosten van de ander te veroordelen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
heft op het krachtens het beslagverlof van 18 februari 2026 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland door [gedaagde] ten laste van [eiseres] onder ING gelegde conservatoire derdenbeslag voor zover dit ziet op tegoeden op de g-rekening met [rekeningnummer] ,
4.2.
gebiedt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis mededeling van de opheffing op de g-rekening met [rekeningnummer] te doen aan ING en een afschrift van die mededeling te verstrekken aan (de advocaat van) [eiseres] ,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat niet aan de veroordeling onder 4.2 is voldaan, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
4.4.
verbiedt [gedaagde] om opnieuw (derden)beslag op (tegoeden op) de g-rekening met [rekeningnummer] bij ING te laten leggen uit hoofde van verlofbeslag van 18 februari 2026 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 50.000,00 per overtreding van het verbod onder 4.4, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,
4.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
JO/4972

Voetnoten

1.Lid 2 van artikel 705 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
2.Zie: Hoge Raad 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105
3.Dat bedrag is gebaseerd op de indicatieve waardebepaling van 2 maart 2026 die in opdracht van [gedaagde] is uitgevoerd door het bureau [onderneming 4] .
4.Zie 3.6 tot en met 3.7.