Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 26 maart 2025 met producties,
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
- periode 1: 1 januari 2019 t/m 31 augustus 2024, en
- periode 2: vanaf 1 september 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen [eiseres] B.V. en [gedaagde] B.V. over de betaling van een managementvergoeding op grond van een managementovereenkomst uit 2016. [eiseres] was tot 2015 aandeelhouder en medebestuurder van [gedaagde] en bleef werkzaamheden verrichten tegen een afgesproken jaarlijkse vergoeding van €125.000 exclusief btw.
Vanaf 2019 ontstond discussie over de hoogte van de vergoeding. De rechtbank onderscheidt twee periodes: van 1 januari 2019 tot 31 augustus 2024 en vanaf 1 september 2024. Voor de eerste periode oordeelt de rechtbank dat [eiseres] recht had op een vergoeding van €125.000 per jaar tot en met 2020 en vanaf 2021 op €96.000 per jaar, omdat de vergoeding in onderling overleg was verlaagd. [eiseres] had onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de lagere vergoeding accepteerde, waardoor zij een bedrag van €32.766,11 exclusief btw te weinig ontving.
Voor de tweede periode mocht [gedaagde] de vergoeding verlagen op grond van artikel 1 lid 2 van Pro de overeenkomst vanwege een zorgwekkende financiële situatie veroorzaakt door onrechtmatig handelen van een aandeelhouder. De rechtbank oordeelt dat de verlaging terecht was en dat er geen achterstallige vergoeding over deze periode is.
De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het achterstallige bedrag van €39.647 inclusief btw, de wettelijke handelsrente vanaf 11 december 2024, buitengerechtelijke incassokosten van €1.171,47 en proceskosten van €2.985,37. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €39.647 inclusief btw aan achterstallige managementvergoeding, rente, incassokosten en proceskosten.