ECLI:NL:RBMNE:2026:1250

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
11882263 \ UC EXPL 25-7257
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:248 BWRichtlijn 93/13/EEGArtikel 2 Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming geweigerd wegens tenzij-bepaling bij huurachterstand met minderjarig kind

De zaak betreft een vordering van Stichting Portaal tot betaling van huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning door [gedaagde]. De huurder heeft een huurachterstand van meer dan drie maanden, maar betaalt inmiddels weer de huur. Daarnaast heeft zij een minderjarig kind met een beperking.

De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan het consumentenrecht en vernietigt het beding over buitengerechtelijke incassokosten als oneerlijk en onredelijk bezwarend. Hierdoor hoeft de huurder deze kosten niet te betalen.

Hoewel de huurachterstand in principe ontbinding rechtvaardigt, slaagt het beroep van de huurder op de tenzij-bepaling. De belangen van haar kind, dat een lopend behandeltraject heeft en gebaat is bij continuïteit van de woning, wegen zwaarder dan het belang van Portaal bij ontbinding. De kantonrechter wijst daarom de ontbinding en ontruiming af, veroordeelt de huurder tot betaling van de huurachterstand en wettelijke rente, en compenseert de proceskosten.

Uitkomst: Betaling huurachterstand en wettelijke rente toegewezen, ontbinding en ontruiming afgewezen wegens tenzij-bepaling en belangen minderjarig kind.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11882263 \ UC EXPL 25-7257 BJvd/61169
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
STICHTING PORTAAL,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Portaal,
gemachtigde: Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. van Andel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
- de conclusie van antwoord met productie 1
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurt een woning van Portaal en heeft een huurachterstand van meer dan drie maanden. Portaal vordert betaling van de huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten Daarnaast vordert Portaalontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van [gedaagde] uit de woning. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de huurachterstand plus wettelijke rente daarover moet betalen. De ontbinding en ontruiming worden niet toegewezen, omdat het beroep van [gedaagde] op de zogenoemde tenzij-bepaling slaagt. Omdat in de huurovereenkomst een oneerlijk beding staat, hoeft [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen.
3. De beoordeling
Ambtshalve toetsing van de huurovereenkomst
3.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
De huurovereenkomst bevat een oneerlijk beding ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten
3.2.
Portaal vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Op pagina 3 van de huurovereenkomst is een oneerlijk beding opgenomen ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten. Daar staat namelijk dat alle buitengerechtelijke kosten die een partij maakt bij een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst voor rekening komen van de andere partij. De overeengekomen vergoeding is dus niet begrensd in omvang. Met het woord ‘alle’ wordt de suggestie gewekt dat er een hogere vergoeding moet worden betaald dan de vergoeding die op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat de tekst van het beding onbegrijpelijk en onduidelijk is geformuleerd, waardoor het voor consumenten onmogelijk is om te weten waar zij contractueel aan worden gehouden. Het beding is dus onredelijk bezwarend voor consumenten zoals [gedaagde] en wordt daarom vernietigd. Portaal kan in dat geval ook geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
3.3.
Portaal verhuurt sinds 29 december 2021 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 794,42 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.4.
[gedaagde] heeft een deel van de huur niet betaald. Portaal heeft [gedaagde] aangemaand om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. De kantonrechter stelt vast dat Portaal heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Portaal heeft [gedaagde] namelijk schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Portaal heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering. Dat Portaal daarmee te lang heeft gewacht, zoals [gedaagde] heeft gesteld, volgt de kantonrechter niet. Het klopt dat de huidige huurachterstand is ontstaan vanaf januari 2025, maar [gedaagde] heeft de huur over de maanden februari tot en met mei 2025 wel (deels) betaald. Vervolgens is zij in juni 2025 weer gestopt met betalen. Portaal heeft haar direct op 2 juni 2025 aangemeld bij de gemeente. In de gegeven omstandigheden is dat niet te laat.
3.5.
[gedaagde] heeft erkend dat er een huurachterstand van € 2.846,44. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen. Omdat [gedaagde] te laat is met het betalen van de verschillende huurtermijnen zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand ook worden toegewezen. [gedaagde] heeft aangegeven dat zij voor de betaling van dit bedrag graag een betalingsregeling wil treffen, maar het is partijen om dit onderling af te spreken. De kantonrechter kan Portaal niet dwingen een betalingsregeling af te spreken.
De tekortkoming van [gedaagde] rechtvaardigt de ontbinding en ontruiming niet
3.6.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (de tenzij-regeling). [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
3.7.
Op het moment van dagvaarden, bedroeg de huurachterstand meer dan drie maanden. In beginsel rechtvaardigt de hoogte van de huurachterstand daarom de ontbinding van de huurovereenkomst.
3.8.
[gedaagde] doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid [3] en de tenzij-regeling. De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat haar belang bij het behouden van de woning zwaarder weegt dan het belang van Portaal bij ontbinding en ontruiming. De kantonrechter legt dat hieronder uit.
3.9.
Gelet op artikel 3 uit Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij beslissingen van rechterlijke instanties. [gedaagde] heeft uitgelegd dat zij een zoon heeft van vier jaar oud met een beperking. Omdat er een lange wachtlijst was voor een behandeling in de buurt, werd haar zoontje tijdelijk in Zuid-Limburg behandeld. Dat kostte [gedaagde] onverwachts veel extra geld, vanwege de reiskosten. Inmiddels is er een behandeltraject opgestart in [plaats] en ook op school krijgt hij aangepaste tijden. Het zoontje van [gedaagde] heeft dus een groot belang bij het gebruik van de woning als thuisbasis en de voortzetting hiervan, gelet op zijn kwetsbare positie en omdat een verhuizing het lopende hulptraject zal doorbreken.
3.10.
[gedaagde] heeft verder onderbouwd dat zij inmiddels bij budgetbeheer loopt en de gemeente haar inkomen beheert. De lopende huur wordt betaald en [gedaagde] is aan het inlopen op de huurschuld. Volgens [gedaagde] heeft zij geen beschikking meer over haar geld en blijft zij bij budgetbeheer lopen, zodat de betaling van de toekomstige huurtermijnen is gegarandeerd. Bovendien huurt [gedaagde] de woning sinds 2021 en heeft zij nooit eerder betalingsproblemen gehad.
3.11.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zullen op grond van het voorgaande dus worden afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.12.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Portaal € 2.846,44 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag waarop het bedrag volledig is betaald,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)
3.Artikel 6:248 BW Pro.