ECLI:NL:RBMNE:2026:1252

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
11943838 \ LC EXPL 25-2272
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewindvoerder aansprakelijk voor huurachterstand en proceskosten

In deze civiele procedure vordert Woonstichting Centrada betaling van een huurachterstand van €1.191,92 en proceskosten van de bewindvoerder van een onderbewindgestelde. De kantonrechter stelt vast dat de bewindvoerder formeel partij is en verantwoordelijk is voor de onder bewind gestelde goederen.

De huurachterstand is onbetwist en ontstaat doordat de onderbewindgestelde niet tijdig betaalde. De bewindvoerder voert financiële problemen aan, waaronder een miscommunicatie met de Belastingdienst en beslag op uitkering, maar dit ontslaat haar niet van de betalingsverplichting.

De kantonrechter toetst ambtshalve de algemene voorwaarden en vernietigt het rentebeding in combinatie met het boetebeding als onredelijk bezwarend, waardoor de gevorderde rente wordt afgewezen. De proceskosten worden toegewezen, met een beperking op de kosten voor oproeping. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand en proceskosten, rentevordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11943838 \ LC EXPL 25-2272
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
WOONSTICHTING CENTRADA, handelend onder de naam CENTRADA,
statutair gevestigd te Lelystad,
eisende partij,
hierna te noemen: Centrada,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
[gedaagde] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [onderbewindgestelde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 februari 2026 met de daarin genoemde stukken;
- de oproeping van [gedaagde] bij exploot van 11 februari 2026;
- de akte van [gedaagde] .
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 4 februari 2026
2.1.
In de eerste plaats wordt verwezen naar wat in het tussenvonnis van 4 februari 2026 al is overwogen. Bij dit tussenvonnis heeft de kantonrechter beslist dat Centrada in de gelegenheid wordt gesteld om [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) als formele procespartij op te roepen tegen de rolzitting van 18 februari 2026. Dit heeft Centrada bij exploot van 11 februari 2026 gedaan. [gedaagde] is in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde] verschenen.
[gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is de formele procespartij
2.2.
Centrada heeft [onderbewindgestelde] gedagvaard. Gedurende deze procedure zijn de goederen van [onderbewindgestelde] onder bewind gesteld. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende – [onderbewindgestelde] – , maar aan de bewindvoerder – [gedaagde] . Ingevolge artikel 1:441 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vertegenwoordigt tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] , zonder dat daarvoor bijzondere formaliteiten zijn vereist, ter zake de onder bewind staande goederen optreedt als formele procespartij ten behoeve van [onderbewindgestelde] . Het vonnis wordt daarom gewezen op naam van [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] en niet op naam van [onderbewindgestelde] , die in deze procedure niet langer de formele procespartij is.
2.3.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is verschenen.
De conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek van [onderbewindgestelde] worden buiten beschouwing gelaten
2.4.
Omdat [gedaagde] zich niet heeft geconformeerd aan de eerder ingediende conclusie van antwoord en conclusie van dupliek van [onderbewindgestelde] worden die conclusies buiten beschouwing gelaten.
Waarom moet [gedaagde] de huurachterstand van € 1.191,92 betalen?
2.5.
Vaststaat dat [onderbewindgestelde] op grond van de huurovereenkomst maandelijks de huur bij vooruitbetaling moet betalen. Dat heeft [onderbewindgestelde] niet gedaan, waardoor er tot en met oktober 2025 een huurachterstand van € 1.191,92 is ontstaan. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde hoofdsom niet betwist. De hoofdsom van € 1.191,92 is dan ook toewijsbaar. [gedaagde] moet het bedrag van € 1.191,92 aan Centrada betalen.
Waarom leiden de door [gedaagde] gestelde (financiële) omstandigheden van [onderbewindgestelde] niet tot een ander oordeel?
2.6.
[gedaagde] heeft gesteld dat [onderbewindgestelde] een tijdje geen toeslagen heef gekregen door een miscommunicatie tussen [onderbewindgestelde] en de Belastingdienst. Hierdoor kon [onderbewindgestelde] niet voldoen aan haar betalingsverplichtingen, waardoor de eerste achterstanden zijn ontstaan, waaronder de achterstand bij Centrada. Sinds december 2025 staat [onderbewindgestelde] onder bewind. [gedaagde] is gestart met het overnemen van de financiën van [onderbewindgestelde] en zorgt ervoor dat [onderbewindgestelde] krijgt waar zij recht op heeft. Ook ligt er geruime tijd beslag op de uitkering van [onderbewindgestelde] . [gedaagde] is op dit moment bezig de beslagvrije voet goed vast te stellen en een schuldenregeling op te starten.
2.7.
De kantonrechter heeft begrip voor de gestelde omstandigheden en de inzet van [gedaagde] om de situatie van [onderbewindgestelde] te stabiliseren, maar de door [gedaagde] gestelde omstandigheden ontslaat [onderbewindgestelde] / [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting tegenover Centrada. Dit is dan ook geen grond om de vordering van Centrada af te wijzen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.8.
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (Centrada) en een consument ( [onderbewindgestelde] ).
Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo een overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige belangrijke consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen, naar Europees recht oneerlijk en daarmee naar Nederlands recht onredelijk bezwarend zijn voor consumenten, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen. In deze procedure gaat het met name om het beding over rente. Ook het boetebeding is relevant.
Waarom hoeft [gedaagde] de gevorderde rente niet te betalen?
2.9.
Centrada wil dat [gedaagde] de verschenen rente tot 22 oktober 2025 van € 34,39 en de rente vanaf 22 oktober 2025 over de huurachterstand betaalt. De kantonrechter wijst de gevorderde rente af en wel om het volgende.
2.10.
Centrada heeft in de artikelen 6.1 en 12.3. van de algemene voorwaarden een rentebeding opgenomen. De rentebedingen zijn in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW Pro. Deze bedingen zijn daarom op zichzelf niet onredelijk bezwarend. In combinatie met het boetebeding in artikel 12.4 van de algemene voorwaarden is het rentebeding wel onredelijk bezwarend. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. De rentebedingen worden daarom vernietigd. Dit betekent dat [gedaagde] de gevorderde rente over de huurachterstand niet aan Centrada hoeft te betalen.
Waarom moet [gedaagde] de proceskosten betalen?
2.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten voor het oproepen van [gedaagde] worden tot het bedrag van € 12,00 (gemiddelde kosten voor aangetekend versturen) toegewezen, omdat in het tussenvonnis Centrada was opgedragen [gedaagde] per (aangetekend) schrijven op te roepen. Centrada heeft er echter voor gekozen om bij exploot op te roepen, wat meer kosten met zich brengt. Die extra kosten blijven voor rekening van Centrada. De proceskosten van Centrada worden daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,49
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- overige kosten
12,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
858,49
Waarom wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard?
2.12.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] om aan Centrada tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.191,92,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] in de proceskosten van € 858,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
HHt/37278