ECLI:NL:RBMNE:2026:1256

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
16/201816-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging met geweld en medeplichtigheid aan drugshandel en geneesmiddelenvoorraad

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van bedreiging met geweld, medeplichtigheid aan het aanwezig hebben van verdovende middelen en geneesmiddelen zonder handelsvergunning. De bedreigingen werden via sociale media geuit, waarbij het slachtoffer werd geïntimideerd met het noemen van zijn adres en het sturen van een foto van zijn tuin.

Bij de aanhouding van de verdachte op 2 juli 2025 werd in zijn woning een grote hoeveelheid drugs en geneesmiddelen aangetroffen. De verdachte verhuurde een kamer in zijn woning aan een derde, die deze gebruikte als opslagplaats voor de middelen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte medeplichtig was aan het in voorraad hebben van deze middelen, omdat hij de kamer beschikbaar stelde en wist van het illegale gebruik.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de primaire feiten van het zelf aanwezig hebben van de middelen, omdat geen nauwe samenwerking met de huurder was vastgesteld. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte medeplichtig was aan deze feiten. De bedreigingen werden grotendeels bewezen, met uitzondering van enkele berichten afkomstig van accounts die niet aan de verdachte konden worden toegeschreven.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een bipolaire stoornis en verslavingsproblematiek, en legde een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder behandeling en contactverboden. De in beslag genomen drugs en toebehoren werden onttrokken aan het verkeer, de telefoon verbeurd verklaard en de computer teruggegeven. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens bedreiging en medeplichtigheid aan illegale drugs- en geneesmiddelenvoorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/201816-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1986 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats 1] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. L.H.J. Verheijden;
  • de advocaat van de verdachte: mr. W. van Vliet (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er, samengevat, van dat:
feit 1
hij tussen 29 juni 2025 en1 juli 2025 [slachtoffer] berichten heeft gestuurd waarin hij hem bedreigt met de dood of (zware) mishandeling en daarbij het bij verdachte bekende adres van die [slachtoffer] noemt en een foto van diens tuin stuurt;
feit 2 primair
hij op 2 juli 2025 in Amsterdam samen met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad: 845 gram amfetamine, 378 gram MDMA en 79 gram cocaïne;
feit 2 subsidiair
hij medeplichtig is geweest aan het opzettelijk aanwezig hebben van: 845 gram amfetamine, 378 gram MDMA, 79 gram cocaïne, , door in Amsterdam in de periode van 14 maart 2025 tot en met 2 juli 2025 een kamer van zijn woning ter beschikking te stellen als opslagplaats voor drugs en/of die kamer daarvoor heeft ingericht en/of daarvoor spullen heeft aangeschaft;
feit 3 primair
hij op 2 juli 2025 in Amsterdam samen met een ander, opzettelijk geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten 1.500 tabletten ‘Cenforce-200’ en 2.475 tabletten ‘Valium’ in voorraad heeft gehad;
feit 3 subsidiair
hij medeplichtig is geweest aan het opzettelijk in voorraad hebben van geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten 1.500 tabletten 'Cenforce-200' en 2.475 tabletten 'Valium' door in Amsterdam in de periode van 14 maart 2025 tot en met 2 juli een kamer van zijn woning ter beschikking te stellen als opslagplaats voor geneesmiddelen en/of die kamer daarvoor heeft ingericht en/of daarvoor spullen heeft aangeschaft.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair en 3 primair heeft gepleegd. Wat betreft feit 1 verzoekt de officier van justitie de rechtbank om verdachte partieel vrij te spreken van een tweetal bedreigingen afkomstig van een account en emailadres waarvan niet is gebleken dat die door de verdachte zijn gebruikt.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 2 primair en 3 primair.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feiten 2 primair en 3 primair
De rechtbank oordeelt dat de feiten 2 primair en 3 primair niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De officier van justitie heeft betoogd dat de verboden middelen in de verhuurde kamer zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat hij wist waarvoor de kamer werd gebruikt. Daarom is volgens de officier van justitie sprake van medeplegen (zoals ten laste gelegd in feiten 2 primair en 3 primair).
De rechtbank ziet dat anders. Voor medeplegen is vereist dat er een nauwe en bewuste samenwerking is tussen de mededaders. Uit het dossier en uit de behandeling ter terechtzitting is niet gebleken dat voor het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs en de geneesmiddelen sprake is geweest van een dergelijke samenwerking tussen de verdachte en zijn huurder. Want hoewel de verdachte op zitting heeft verklaard dat hij wist dat de huurder “niet sjofel” was, blijkt nergens uit dat de verboden middelen zich in zijn machtssfeer bevonden. Het dossier bevat namelijk geen aanwijzingen dat hij toegang had tot de verhuurde kamer. De verdachte heeft bovendien verklaard geen sleutel te hebben van de kamer van de huurder. Daarnaast blijkt niet uit de chatberichten dat de verdachte op enig moment verdovende middelen heeft verkocht of afgeleverd. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte medepleger is van het aanwezig hebben van drugs of het zonder handelsvergunning in voorraad hebben van geneesmiddelen.
3.3.2.
Partiële vrijspraak feit 1
De verdachte heeft de beschuldiging onder feit 1 grotendeels bekend, maar heeft aangevoerd dat de uitingen ‘Het is over en uit met jou, je staat op de lijst’ en ‘Ik zou maar snel beveiliging regelen mijn jongens en mezelf hebben wel zijn om krav maga in de praktijk te brengen’ niet door hem zijn verstuurd. De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de advocaat, van oordeel dat deze berichten inderdaad afkomstig zijn van accounts die niet van de verdachte zijn. Om die reden spreekt de rechtbank de verdachte vrij van dit deel van het onder feit 1 tenlastegelegde.
3.3.3.
Bewijsmiddelen feit 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage I van dit vonnis staan.
De verdachte heeft bekend dat hij het overige van het onder feit 1 tenlastegelegde, namelijk het bedreigen van [slachtoffer] , heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom in de bijlage ten aanzien van dit feit alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Naar aanleiding van de aangifte van de manager van [slachtoffer] inzake bedreiging, hebben verbalisanten op 2 juli 2025 de verdachte buiten heterdaad aangehouden bij zijn woning. Bij het binnentreden van de woning van de verdachte hebben de verbalisanten een afgesloten binnendeur geopend, waarachter zij een grote hoeveelheid verdovende middelen en geneesmiddelen aantroffen. De verdachte heeft de bedreigingen bekend en hij heeft over de verdovende middelen en de geneesmiddelen verklaard dat hij de betreffende kamer verhuurde aan een huurder genaamd [persoon 1] en dat hij geen toegang had tot de kamer. De subsidiaire beschuldigingen luiden dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het in voorraad hebben van deze verdovende middelen en geneesmiddelen.
Medeplichtigheid feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid middelen die genoemd worden op lijst II van de Opiumwet (feit 2 subsidiair) en medeplichtig is geweest aan het in voorraad hebben van geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt (feit 3 subsidiair).
Zoals in de inleiding vermeld, zijn de betreffende middelen op 2 juli 2025 door de verbalisanten in de woning van de verdachte aangetroffen. Deze middelen zijn in beslag genomen en onderzocht door het NFiDENT. De uitslag van deze rapporten wordt niet betwist.
Bij de aanhouding van de verdachte is ook een telefoon onder hem in beslag genomen. Uit deze telefoon zijn veel chatberichten naar voren gekomen en deze zijn onderzocht. Zo blijkt hieruit dat de verdachte op 14 maart 2025 de afspraak heeft gemaakt met huurder [persoon 1] om een kamer in zijn woning aan hem beschikbaar te stellen. De verdachte heeft dit ook verklaard gedurende de zitting. Uit de chatberichten blijkt dat de verdachte de kamer voor de huurder heeft ingericht. Hij heeft daartoe een bureau en een stoel gekocht. Verder heeft de verdachte op zitting verklaard dat hij wist dat het gebruik van de verhuurde kamer “niet helemaal kosjer“ was. Daarnaast is op pagina 94 van het dossier een chatbericht van 14 maart 2025 opgenomen waarin de verdachte aan zijn nieuwe huurder het volgende stuurt: ‘Zitten en vouwen pik’.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit zijn verklaring op zitting en zijn chatberichten dat de verdachte weet heeft gehad van de druggerelateerde handelingen van zijn huurder. Daarom is sprake van het opzettelijk behulpzaam zijn bij en van het opzettelijk gelegenheid en middelen verschaffen tot het plegen van de genoemde tenlastegelegde feiten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
in de periode van 29 juni 2025 tot en met 1 juli 2025 te [plaats 2] ,
[slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
en enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling
door die [slachtoffer] dreigend (via meer berichten) de woorden toe te voegen
- " Misch dat 1 van deze mensen bosje kan brengen" en
- " Nie zo handig schat om dit te doen als Amsterdammer tegen Amsterdam Hooligans. We
hebben echt het beste met je voor dus kies ff welk boeketje wil en bel 112" en
- " We komen ff op de koffie" en
- " Halve kanker Amsterdam wil je hoofd op een stoeptegel" en
- " we have your adress",
terwijl hij bij meerdere van voornoemde berichten
het bij verdachte bekende adres van die [slachtoffer] noemt en een foto van zijn tuin stuurt;
feit 2 subsidiair
een (onbekend gebleven) mededader op 2 juli 2025 te Amsterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 845 gram, en
- ongeveer 378 gram, en
- ongeveer 79 gram, zijnde amfetamine en MDMA en cocaïne,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode
van 14 maart 2025 tot en met 2 juli 2025 te Amsterdam,
opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, een kamer van de door
hem gehuurde woning ter beschikking gesteld als zijnde opslagplaats voor drugs
en die kamer daarvoor ingericht en daarvoor spullen aangeschaft;
feit 3 subsidiair
een (onbekend gebleven) mededader op 2 juli 2025 te Amsterdam,
opzettelijk
geneesmiddelen, als bedoeld in artikel 1 sub b van Pro
de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten
-1.500 tabletten 'Cenforce-200', bevattende de
werkzame stof Sildenafil en
-2.475 tabletten 'Valium', bevattende de
werkzame stof diazepam,
in voorraad heeft gehad,
bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode
van 14 maart 2025 tot en met 2 juli 2025 te Amsterdam,
opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, een kamer van de door
hem gehuurde woning ter beschikking gesteld als zijnde opslagplaats voor die
geneesmiddelen en die kamer daarvoor ingericht en daarvoor spullen
aangeschaft.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: bedreiging met geweld, enig misdrijf tegen het legen gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;
feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair:
eendaadse samenloop van medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
en
medeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd: meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling gedurende een jaar, ambulante behandeling en meewerken aan de beheersing van het middelengebruik.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 jaar, te vervangen door 3 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet.
De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat het onvoorwaardelijk deel van de eventueel op leggen straf gelijk dient te zijn aan het voorarrest van de verdachte. De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het voorwaardelijk strafdeel en de duur van de proeftijd, en verzoekt daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen: klinische behandeling zodra mogelijk, toezicht van de reclassering, een contact- en locatieverbod met de aangever en meewerken aan het beheersen van middelengebruik. De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte in de tussenliggende periode kan doorgaan met de ambulante behandeling.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer] , door hem via sociale media dreigende woorden toe te sturen, onder andere ‘Halve kanker Amsterdam wil je hoofd op een stoeptegel’ en ‘We have your address’. In de gestuurde berichten heeft de verdachte het bij hem bekende adres van [slachtoffer] genoemd en heeft hij een foto van de tuin van [slachtoffer] meegestuurd. Dit betreffen grove bedreigingen en door zich zo te uiten heeft de verdachte gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en zijn familie.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet en medeplichtigheid aan het overtreden van artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet. De verdachte is opzettelijk behulpzaam geweest bij het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen en geneesmiddelen zonder vergunning, door een kamer in zijn huis te verhuren en te laten gebruiken als opslag voor de drugs en geneesmiddelen. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met nadelige gevolgen voor de gebruikers zelf en voor de samenleving. De legale handel in geneesmiddelen is verbonden aan allerlei voorschriften en vergunningen, onder andere omdat op het voorschrijven en gebruik van bepaalde geneesmiddelen controle nodig is in het belang van de volksgezondheid. Zo kunnen geneesmiddelen heftige bijwerkingen hebben en ook verslavend zijn. Verkeerd gebruik hiervan kan zelfs fatale gevolgen hebben. Door medeplichtig te zijn aan het illegaal in voorraad hebben van deze verdovende middelen en geneesmiddelen, heeft de verdachte de volksgezondheid in gevaar gebracht.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij deze risico’s voor lief heeft genomen en zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zich op het moment van de bedreiging in een manische en depressieve fase bevond. Hij heeft verklaard dat hij openstaat voor verdere behandeling om uiteindelijk een zo goed mogelijk leven te kunnen leiden. De verdachte heeft aangegeven de wens te hebben om klinisch te worden opgenomen en ondergaat graag ambulante behandeling tot aan het moment dat deze opname kan worden gerealiseerd.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 18 februari 2026. Uit dit document blijkt dat de verdachte zich eerder, maar niet gedurende de afgelopen vijf jaren, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van de deskundige C.M. Gouverneur, psychiater, van 29 oktober 2025. Daaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een bipolaire 1 stoornis, laatste episode manisch, een stoornis in het gebruik van cocaïne, alcohol en benzodiazepines en een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken.
Ten aanzien van het eerste feit, de bedreigingen, bevond de verdachte zich in een hypomane ontregeling, wat zorgde voor een versnelling in zijn denken, een toename van impulsiviteit en verminderde slaapbehoefte. Daarnaast waren in deze fase kenmerken van zijn persoonlijkheid uitvergroot en was er sprake van snellere emotionele ontregeling (affectlabiliteit), toegenomen grootheidsideeën en een versterkte gevoeligheid voor krenking. Gelet op de invloed van zowel de symptomen van de hypomane ontregeling, gecombineerd met symptomen voortkomend uit zijn persoonlijkheidsstoornis, waarbij de symptomen ook een cumulerend effect op elkaar hebben, is het advies van de deskundige het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Ten aanzien van de drugs in de woning ziet de onderzoeker geen grondslag voor een doorwerking van de vastgestelde stoornissen in dit feit en adviseert dit volledig toe te rekenen. Hoewel betrokkene in deze periode eveneens hypomaan ontregeld was en teruggevallen in middelengebruik, beïnvloedden de stoornissen zijn gedrag bij dit feit niet op vergelijkbare wijze.
Gelet op de beschreven stoornissen wordt het risico op recidive van een vergelijkbaar
geweldsdelict ingeschat als matig-hoog in periodes van middelengebruik en/of psychische
ontregeling. In periodes van psychische stabiliteit en abstinentie daalt het risico naar een
matig niveau.
De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater ten aanzien van de mate van toerekenbaarheid van de feiten over.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het reclasseringsadvies van Inforsa van 5 maart 2026, opgemaakt door [persoon 2] . De verdachte is in het verleden meermaals opgenomen geweest voor verslavingsproblematiek, maar het middelengebruik is telkens teruggekeerd. De verdachte heeft in gesprek met de reclassering laten weten dat hij graag klinisch wil worden opgenomen, waarbij zowel zijn verslavingsproblematiek alsook psychiatrische problematiek worden behandeld. De reclassering is van mening dat een klinische opname geïndiceerd is, maar geeft daarbij de kanttekening dat de wachttijd kan oplopen tot een aantal maanden. Zij schatten het recidiverisico als gemiddeld tot hoog in, het risico op letsel wordt geschat op gemiddeld en het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt eveneens beoordeeld als hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, contactverbod met [slachtoffer] , locatieverbod voor [plaats 2] en beheersing middelengebruik.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor een bedreiging (feit 1) is een geldboete van € 350,-. Het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van harddrugs (feit 2 subsidiair) tussen de 1.000 en 1.500 gram is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden. De verdachte is, naast medeplichtig aan het hiervoor genoemde misdrijf, ook medeplichtig aan het in voorraad hebben van een groot aantal geneesmiddelen zonder handelsvergunning. Op dit moment is er geen oriëntatiepunt voor het overtreden van artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet.
Gelet op de aard en de ernst van het feiten, de impact van de bedreiging op het slachtoffer en de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen en geneesmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende straf is. De rechtbank legt een lagere gevangenisstraf op dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het onder feit 2 primair en feit 3 primair tenlastegelegde en van oordeel is dat er in de zaak sprake is van medeplichtigheid. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat de bedreigingen zoals ten laste gelegd onder feit 1 aan de verdachte in verminderde mate zijn toe te rekenen.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 10 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de straf verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geformuleerd door de reclassering in haar advies van 5 maart 2026. De rechtbank acht, gelet op de bewezenverklaarde feiten een contact- en locatieverbod in de vorm van een 38v-maatregel, zoals door de officier van justitie is gevorderd, een te ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
In beslag genomen voorwerpen
Onder de verdachte zijn, volgens de beslaglijst, de volgende goederen in beslag genomen:
STK Telefoontoestel (voorwerpnummer 3552652);
1 STK Computer (voorwerpnummer 3552654);
1 STK Pil (voorwerpnummer 3552676);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552775);
3 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552690);
2 STK Weegschaal (voorwerpnummer 3552777);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552697);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 355261);
1 STK Hashish (voorwerpnummer 3552698);
1 STK Bijl (voorwerpnummer 3552787);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552683);
1 STK Snoep (voorwerpnummer 3552764);
1 STK Snoep (voorwerpnummer 3552750);
1 STK Weegschaal (voorwerpnummer 3552792);
36 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552687);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552754);
64 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552681);
1 STK Weegschaal (voorwerpnummer 3552798);
460 STK Pil (voorwerpnummer 3552675);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552783);
42 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552799);
20 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552779);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552774);
1 STK Keukenartikel (voorwerpnummer 3552804);
5 STK Pil (voorwerpnummer 3552810);
285 STK Pil (voorwerpnummer 355812);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552811);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552814);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552817);
127 STK Pil (voorwerpnummer 3552824);
1 STK Pil (voorwerpnummer 3552825);
90 STK Pil (voorwerpnummer 3552826);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552835);
1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552759).
6.2.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen drugs en toebehoren moeten worden onttrokken aan het verkeer. Dat gaat om de nummers 3 tot en met 34 van de beslaglijst. Ten aanzien van het telefoontoestel, beslaglijst nummer 1, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd moet worden verklaard. Met dit goed heeft de verdachte de feiten gepleegd. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de computer, genoemd onder nummer 2 van de beslaglijst, aan de beslagene mag worden teruggegeven.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht de telefoon en de computer (beslaglijst nrs. 1 en 2) aan de verdachte terug te geven.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Verdovende middelen, weegschalen, bijl, snoep, keukenartikel
De rechtbank zal de verdovende middelen (beslaglijst nrs. 3 tot en met 5, 7 tot en met 9, 11, 15 tot en met 17, 19 tot en met 23, 25 tot en met 34) op grond van artikel 13a van de Opiumwet onttrekken aan het verkeer. Deze middelen staan in lijst II van de Opiumwet of betreffen geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning bestaat en zijn daarom voor onttrekking aan het verkeer vatbaar.
De rechtbank zal ook de weegschalen (beslaglijst nrs. 6, 14 en 18), een bijl (beslaglijst nr. 10), snoep (beslaglijst nrs. 12 en 13) en een keukenartikel (beslaglijst nr. 24) aan het verkeer onttrekken, nu deze goederen verband houden met de voornoemde verdovende middelen.
Telefoon
Met behulp van dit voorwerp is het onder 2 en 3 bewezen verklaarde feit begaan. Met deze telefoon heeft de verdachte namelijk contact gehad met de huurder van de kamer waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. De rechtbank zal daarom deze telefoon (beslaglijst nr. 1) verbeurd verklaren.
Computer
De rechtbank zal gelasten dat de in beslag genomen computer (beslaglijst nr. 2) terug wordt gegeven aan de rechthebbende. De rechtbank ziet geen aanwijzing dat dit goed enig verband houdt met de gepleegde strafbare feiten. Dit voorwerp behoort aan de verdachte toe. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.097,89. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ten gevolge van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het voegingsformulier is ondertekend door [persoon 3] , maar de vereiste machtiging ontbreekt. Ook is er geen onderbouwing bij het voegingsformulier gevoegd.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk, alleen al omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Zo ontbreken bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering eventueel aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder zijn of haar eigen kosten draagt.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 48, 49, 55, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;
  • artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 2 primair en 3 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feiten 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
  • stelt daarbij een
  • als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat:
* de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres Vlaardingenlaan 5, te Amsterdam;
* de verdachte zich tijdens de proeftijd voor maximaal 1 jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zodra de verdachte is geaccepteerd door de zorginstelling. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
* zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg van Inforsa, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is al van start gegaan gedurende het schorsingstoezicht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1992. Zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp:
o 1 STK Computer (voorwerpnummer 3552654);
- gelast onttrekking aan het verkeer van de volgende voorwerpen:
o 1 STK Pil (voorwerpnummer 3552676);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552775);
o 3 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552690);
o 2 STK Weegschaal (voorwerpnummer 3552777);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552697);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 355261);
o 1 STK Hashish (voorwerpnummer 3552698);
o 1 STK Bijl (voorwerpnummer 3552787);
o 11 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552683);
o 1 STK Snoep (voorwerpnummer 3552764);
o 1 STK Snoep (voorwerpnummer 3552750);
o 1 STK Weegschaal (voorwerpnummer 3552792);
o 36 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552687);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552754);
o 64 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552681);
o 1 STK Weegschaal (voorwerpnummer 3552798);
o 460 STK Pil (voorwerpnummer 3552675);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552783);
o 42 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552799);
o 20 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552779);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552774);
o 1 STK Keukenartikel (voorwerpnummer 3552804);
o 5 STK Pil (voorwerpnummer 3552810);
o 285 STK Pil (voorwerpnummer 355812);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552811);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552814);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552817);
o 127 STK Pil (voorwerpnummer 3552824);
o 1 STK Pil (voorwerpnummer 3552825);
o 90 STK Pil (voorwerpnummer 3552826);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552835);
o 1 STK Verdovende Middelen (voorwerpnummer 3552759).
- gelast de verbeurdverklaring van het volgende voorwerp:
o 1 STK Telefoontoestel (voorwerpnummer 3552652);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] , feit 1
  • verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2025 tot en met 1 juli 2025 te [plaats 2] , althans
in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling
door die [slachtoffer] dreigend (via een of meer bericht(en)) de woorden toe te voegen
- " Misch dat 1 van deze mensen bosje kan brengen" en/of
- " Nie zo handig schat om dit te doen als Amsterdammer tegen Amsterdam Hooligans. We
hebben echt het beste met je voor dus kies ff welk boeketje wil en bel 112" en/of
- " We komen ff op de koffie" en/of
- " Halve kanker Amsterdam wil je hoofd op een stoeptegel" en/of
- " Het is over en uit met jou, je staat op de lijst" en/of
- " ik zou maar snel beveiliging regelen mijn jongens en mezelf hebben wel zijn om krav
maga in de praktijk te brengen" en/of
- " we have your adress",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
terwij^hij bij een/meerdere van voornoemde berichten het adres van die [slachtoffer] en/of
het bij verdachte bekende adres van die [slachtoffer] noemt en/of een foto van zijn tuin stuurt;
2.
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 845 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine en/of
- ongeveer 378 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA
en/of
- ongeveer 79 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een (onbekend gebleven) mededader op of omstreeks 2 juli 2025 te Amsterdam,
althans in Nederland,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 845 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
amfetamine en/of
- ongeveer 378 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
MDMA en/of
- ongeveer 79 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of cocaïne,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode
van 14 maart 2025 tot en met 2 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, een kamer van de door
hem gehuurde woning ter beschikking gesteld als zijnde opslagplaats voor drugs
en/of die kamer daarvoor ingericht en/of daarvoor spullen aangeschaft;
3.
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk (een) geneesmiddel(en), als bedoeld in artikel 1 sub b van Pro
de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten
-1.500 tabletten 'Cenforce-200', althans een hoeveelheid tabletten, bevattende de
werkzame stof Sildenafil en/of
-2.475 tabletten 'Valium', althans een hoeveelheid tabletten, bevattende de
werkzame stof diazepam,
in voorraad heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een (onbekend gebleven) mededader op of omstreeks 2 juli 2025 te Amsterdam,
althans in Nederland,
opzettelijk
(een) geneesmiddel(en), als bedoeld in artikel 1 sub b van Pro
de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten
-1.500 tabletten 'Cenforce-200', althans een hoeveelheid tabletten, bevattende de
werkzame stof Sildenafil en/of
-2.475 tabletten 'Valium', althans een hoeveelheid tabletten, bevattende de
werkzame stof diazepam,
in voorraad heeft gehad,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode
van 14 maart 2025 tot en met 2 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, een kamer van de door
hem gehuurde woning ter beschikking gesteld als zijnde opslagplaats voor die
geneesmiddelen en/of die kamer daarvoor ingericht en/of daarvoor spullen
aangeschaft.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
ten aanzien van feit 1
-
de verklaring van de verdachte op de zitting van 17 maart 2026;
-een proces-verbaal van aangifte van 30 juni 2025 door [aangever] [2] ;
ten aanzien van feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair
-
de verklaring van de verdachte op de zitting van 17 maart 2026:
Ik heb die kamer verhuurd aan [persoon 1] . Ik kreeg daar 550 euro cash per maand voor. Ik heb geen sleutel van die kamer. Ik had op een gegeven moment door dat het niet helemaal koosjer was wat er in die kamer gebeurde. Ik ben erachter gekomen dat het om drugs ging.’
-
een proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2025 met fotobijlagen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven [3] :
Op 2 juli 2025 was ik belast met de aanhouding van [verdachte] ter zake een bedreiging. Wij hebben het pand betreden en ‘geschoond’. Achter een afgesloten deur troffen wij een bureau met daarop doorzichtige bakjes met verschillende soorten verdovende middelen, weegschalen, veel verpakkingsmateriaal. En er stond een doos, open, met daarin doosjes met opschrift Valium.
-
een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2025 met bijlagen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven [4] :
Ik zag dat de iPhone ingelogd was met het e-mailadres: [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . [5]
Ik zag een contact opgeslagen met de naam ‘ [contactnaam] ’
(de rechtbank begrijpt: de huurder van de kamer), dit betrof het volgende telefoonnummer: ‘ [telefoonnummer 1] ’. [6]
Chat 224-225 op 14 maart 2025
[telefoonnummer 2] [gebruiker van de in beslag genomen gegevensdrager]: Heb bureau gefixt die komt zondag. Huissleutel gekopieerd voor je. [7]
Chat 231 op 14 maart 2025
[telefoonnummer 2] : Heb bureaustoel. [8]
Chat 249 op 14 maart 2025
[telefoonnummer 2] : Zitten en vouwen pik. [9]
-
een proces-verbaal van bevindingen van 3 juli 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Deze verdovende middelen waren aangetroffen in de woning van verdachte [verdachte] .
Goednummer 3552775:
1x Sealbag met wit poeder/brokken
Netto Gewicht: 825,4 gram
Indicatief: Amfetamine
Goednummer 3552675:
93x gripzakje met totaal 465 bronskleurige tabletten (Punisher) in diepvriesbakje
Netto Gewicht: 184,04 gram
Indicatief: MDMA
Goednummer 3552799:
42x zilverkleurige wikkel (Pony-Pak) met wit poeder/brokjes in diepvriesbakje
Netto Gewicht: 31,72 gram
Indicatief: Cocaïne
Goednummer 3552681
64x witkleurige wikkel (Pony-Pak) met wit poeder/brokjes in diepvriesbakje
Waarvan 1 met opdruk 0,3
Netto Gewicht: 47,4 gram
Indicatief: Cocaine
Goednummer 3552825
1x Sealbag met ca. 490 bronskleurige tabletten (Punisher)
Netto Gewicht: 194,6 gram
Indicatief: MDMA
Goednummer 3552814
1x Gripzak met wit poeder/brokjes
Netto Gewicht: 19,99 gram
Indicatief: Amfetamine.
-
een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFiDENT) van 8 juli 2025: [10]
Zaaknummer 2025.07.07.177 (aanvraag 004)
AARM3346NL, poeder, wit, uit 47,7 gram bevat cocaïne.
-
een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFiDENT) van 8 juli 2025: [11]
Zaaknummer 2025.07.07.177 (aanvraag 007)
AARM3345NL, poeder, wit, uit 19,99 gram bevat amfetamine.
-
een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFiDENT) van 7 juli 2025: [12]
Zaaknummer 2025.07.07.177 (aanvraag 001)
AARM3347NL, poeder, wit, uit 825,4 gram bevat amfetamine.
-
een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFiDENT) van 8 juli 2025: [13]
Zaaknummer 2025.07.07.177 (aanvraag 006)
AARM3343NL, tablet, bronskleurig, uit 184,04 gram bevat MDMA.
-
een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFiDENT) van 7 juli 2025: [14]
Zaaknummer 2025.07.07.177 (aanvraag 002)
AARM3342NL, tablet, bronskleurig, uit 194,6 gram bevat MDMA
-
een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFiDENT) van 8 juli 2025: [15]
Zaaknummer 2025.07.07.177 (aanvraag 005)
AARM3348NL, poeder en brokvormig, wit, uit 31,72 gram bevat cocaïne.
.
-
een geschrift, te weten een bevoegdheidsbeoordeling 25-149 met bijlagen, van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, van 25 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [16]
Op verzoek van heb ik een bevoegdheidsbeoordeling opgesteld betreffende
• [verdachte] , geboren [geboortedag 1] 1986 te [geboorteplaats] ,
woonachtig [adres] ,
in verband met op 2 juli 2025 op [adres]
aangetroffen en inbeslaggenomen vermoedelijke geneesmiddelen (zie bijlage bij
productbeoordeling).
De verdachte beschikt niet over enige bevoegdheid tot het bedrijfsmatig
verrichten van activiteiten met een geneesmiddel als bedoeld in de
Geneesmiddelenwet en/of met een middel als bedoeld in lijst I of II behorende bij
de Opiumwet.
Bijlage 1 [17]
Soort/naam product
Werkzame stof(fen)
Fabrikant
Lijst I / II Ow
Geneesmiddel ja/nee
Vorm
Aantal doosjes
Aantal blisters per doosje
Aantal per blister
Totaal:
Valium
Diazepam 10 mg
Roche Farma S.A.
II
Ja
Tablet
99
1
25
2.475
Cenforce-200
Sildenafil 200 mg
Centurion
Ja
Tablet
15
10
10
1.5
ConclusieDe producten Cenforce-200 en Valium voldoen aan de omschrijving van het begrip geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Geneesmiddelenwet.
Voor de producten Cenforce-200 en Valium zijn geen handelsvergunningen verleend voor de Nederlandse markt.
De producten vallen niet onder de uitzonderingsbepalingen als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Geneesmiddelenwet.
De werkzame stof in het product Valium staat vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet. [18]
-
een geschrift, te weten een kvi met registratienummer PL0900-2025217723-21, losbladig: [19]
Goednummer: PL0900-2025217723-3552672
Object: Pillen
Aantal/eenheid: 15 stuks
Inhoud/specificatie: Lag in ruimte 1 in bureau la
Bijzonderheden: 15 doosjes sildenafil tablets bp 200 mg.
-
een geschrift, te weten een kvi met registratienummer PL0900-2025217723-58, losbladig: [20]
Goednummer: PL0900-2025217723-3552843
Object: Verdovende mid
Aantal/eenheid: 99 stuks
Merk/type: Valium
Inhoud/specificatie: 99 doosjes totaal 2.475 pillen
Bijzonderheden: 99 doosjes valium aangetroffen in ruimte 1 voor het bureau.

Voetnoten

2.Pagina 16, ‘Ontbrekende documenten in einddossier’.
3.Pagina 38.
4.Pagina 68.
5.Pagina 68.
6.Pagina 70.
7.Pagina 93.
8.Pagina 93.
9.Pagina 94.
10.Pagina 312.
11.Pagina 313.
12.Pagina 314.
13.Pagina 315.
14.Pagina 316.
15.Pagina 312.
16.Pagina 318.
17.Pagina 328.
18.Pagina 331.
19.Pagina 431.
20.Pagina 454.