Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1258

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/1866
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 3.1 WhtArt. 2.1 WhtArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister wijst ten onrechte verzoek tot overname privaatrechtelijke schulden af

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de overname van haar privaatrechtelijke schulden door Sociale Banken Nederland (SBN). De aanvraag werd op 9 september 2024 afgewezen en het bezwaar op 30 januari 2025 door de minister bevestigd. De schuld van €655,07 betreft mutatiekosten die eiseres had kunnen voorkomen.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen omdat de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) geen grondslag biedt om schulden die voorkomen hadden kunnen worden, uit te sluiten van overname. De minister baseerde zich onterecht op de Memorie van Toelichting, die geen zelfstandige juridische betekenis heeft.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De minister wordt verplicht de schuld van eiseres over te nemen en het griffierecht en proceskosten te vergoeden. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en bepaalt dat de minister de schuld van €655,07 moet overnemen en proceskosten moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1866

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Akkas).

Waar gaat deze zaak over?

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de overname van haar schulden. Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag met het besluit van 9 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanvraag
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen. In dit kader heeft eiseres een schuldenlijst toegezonden aan de Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van haar schulden. De SBN heeft deze aanvraag afgewezen.
Bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft de minister nader toegelicht waarom de schuld niet wordt overgenomen. De schuld van € 655,07 is een restant van een totale schuld van € 10.543,44 bij Woonin. Deze schuld is opgebouwd uit huurachterstanden van € 2.708,84 en mutatiekosten van € 7.834,60, vanwege het meerwerk dat de aannemer heeft verricht om de woning, van waaruit eiseres is verhuisd, weer in de oorspronkelijke (verhuurbare) staat te krijgen. Aangezien een betaling van een schuldenaar eerst in mindering wordt gebracht op de oudste openstaande vordering, ziet het nog openstaande bedrag op de mutatiekosten. Omdat eiseres die mutatiekosten had kunnen voorkomen door zelf de woning weer in oorspronkelijke (verhuurbare) toestand te brengen, voldoet de schuld niet aan de voorwaarden van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en komt deze daardoor niet voor vergoeding in aanmerking, zo stelt de minister.
Gronden van beroep
4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek tot overname van de schulden. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond nader toegelicht. Volgens eiseres kan de minister haar verzoek niet afwijzen om de reden dat zij de schulden had kunnen voorkomen. Dit is namelijk geen afwijzingsgrond in de Wht.
5. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres niet is gebaseerd op de letterlijke tekst van artikel 4.1. van de Wht, maar vooral steunt op de toelichting daarop in de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van de Wht. [1] Daarin is namelijk opgenomen dat schulden die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten, niet worden kwijtgescholden of overgenomen.
Regelgeving
6. In artikel 4.1., tweede lid, van de Wht zijn de voorwaarden opgenomen voor het overnemen van privaatrechtelijke schulden. Geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
7. In het vierde lid van artikel 4.1. van de Wht is opgenomen wanneer geldschulden niet worden overgenomen. Dat gaat om:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming;
e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend; of
f. een geldschuld die al is overgenomen van een aanvrager of diens partner of van een ex-partner.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor de overname van privaatrechtelijke schulden die staan in artikel 4.1., tweede lid, van de Wht. Dat wordt tussen partijen ook niet betwist.
9. In het vierde lid van artikel 4.1. van de Wht worden de privaatrechtelijke schulden genoemd die niet worden overgenomen. De omstandigheid dat eiseres niet de afspraken is nagekomen met haar verhuurder Woonin, waardoor mutatiekosten zijn ontstaan nadat eiseres de woning heeft verlaten, maakt niet dat sprake is van één van deze uitgezonderde schulden. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming Wht is onder het kopje ‘Aanpak voor bestuursrechtelijke schulden’ ook iets opgenomen over privaatrechtelijke schulden. Daarin wordt genoemd dat schulden niet worden overgenomen die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten. Dit is voor de overname van privaatrechtelijke schulden echter niet in de wetstekst zelf opgenomen. Voor het kwijtschelden van publiekrechtelijke schulden is wel een dergelijke bepaling opgenomen in artikel 3.1, vijfde lid, van de Wht. Blijkbaar heeft de wetgever in dit verband een onderscheid willen maken tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke schulden en is dit onderscheid in de Memorie van Toelichting niet op een juiste wijze toegelicht. In ieder geval strookt wat in de Memorie van Toelichting in generieke zin is opgemerkt over het overnemen van privaatrechtelijke schulden en het kwijtschelden van publiekrechtelijke schulden niet met de wetstekst over het overnemen van privaatrechtelijke schulden. Anders dan de minister tijdens de zitting heeft toegelicht komt aan een Memorie van Toelichting geen zelfstandige betekenis toe en kunnen op de enkele grondslag daarvan geen bevoegdheden worden ontleend.
10. Nu er in de wet geen grondslag bestaat voor het weigeren van de overname van de privaatrechtelijke schulden die door de aanvrager voorkomen hadden kunnen worden, had de minister de aanvraag van eiseres niet kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 4.1. van de Wht. Omdat aan alle voorwaarden van artikel 4.1. van de Wht wordt voldaan, zal de rechtbank met het oog op finale geschilbeslechting zelf in de zaak voorzien. De rechtbank geeft toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
12. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank bepaalt dat de minister de schuld van eiseres van € 655,07 moet overnemen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Dus de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. De minister moet alleen feitelijk uitvoering aan deze uitspraak geven.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
14. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 30 januari 2025;
  • herroept het besluit van 9 september 2024;
  • bepaalt dat de minister de schuld van eiseres van € 655,07 overneemt;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.