Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1260

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/4472
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5:1 AwbArt. 21 HuisvestingswetArt. 49 Huisvestingsverordening gemeente Utrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom en bestuurlijke boete wegens illegale exploitatie seksbedrijf in huurwoning

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan eiser een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete op vanwege het (laten) exploiteren van een seksbedrijf in zijn huurwoning zonder vergunning. Eiser betwistte zijn status als overtreder en de hoogte van de boete.

De rechtbank oordeelt dat eiser als functioneel dader kan worden aangemerkt omdat hij beschikkingsmacht had over de woning en onvoldoende zorg heeft betracht om het illegale gebruik te voorkomen. Ondanks persoonlijke omstandigheden en het onderverhuren aan derden, heeft eiser geen schriftelijke afspraken gemaakt en geen toezicht gehouden.

De boete is conform de geldende verordening opgelegd en niet onevenredig. De beroepsgronden van eiser worden verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom en boete in stand blijven en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en bestuurlijke boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: C. Rietveld).

Inleiding

1. Bij besluit van 6 november 2024 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd kort gezegd vanwege het (laten) exploiteren van een seksbedrijf in zijn huurwoning. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
2. Met het bestreden besluit van 16 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt en daarmee terecht een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete heeft opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Context
6. Eiser woont op het adres [adres] in [plaats] . Hij huurt deze woning van Woonin. Twee toezichthouders van de gemeente Utrecht hebben in 2024 een controle uitgevoerd bij de woning van eiser. Over deze controle hebben zij op 12 juli 2024 een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. Kort gezegd volgt uit het proces-verbaal dat in de woning seksuele diensten werden aangeboden tegen vergoeding.
Het bestreden besluit
7. Het college heeft op basis van het proces-verbaal van bevindingen geconstateerd dat zonder vergunning een seksinrichting is geëxploiteerd. Dat is een overtreding van artikel 3:4 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (APV). Daarnaast is door dit gebruik van de woning het bestemmingsplan overtreden, wat een overtreding is van artikel 5.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). Het college heeft in verband met deze overtredingen een last onder dwangsom opgelegd om het illegale gebruik van de woning per direct te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per geconstateerde overtreding per dag met een maximum van € 30.000,-.
8. Ook heeft het college een boete opgelegd van € 7.500,- [1] voor het onttrekken van de woning aan de woningvoorraad. Doordat de woning niet werd gebruikt als woning maar als seksinrichting, heeft namelijk een overtreding plaatsgevonden van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 49, eerste lid en onder a, van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht (Huisvestingsverordening).
Omvang van het geschil
9. Eiser betwist niet dat sprake is van de hiervoor omschreven drie overtredingen.
In geschil is de vraag of eiser als overtreder (in de zin van functioneel daderschap) kan worden aangemerkt. Daarnaast is eiser het niet eens met de hoogte van de opgelegde boete. De rechtbank beoordeelt deze punten aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Functioneel daderschap

10. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Kort samengevat heeft eiser aangevoerd dat hij zijn woning in goed vertrouwen heeft onderverhuurd aan twee Roemeense mannen, toen hij zelf naar familie in Oeganda was zou vertrekken. Hij wist niet dat zij de woning zouden laten gebruiken als seksbedrijf, hij kon dat ook niet weten en had dit niet kunnen voorkomen. Hij stelt wel duidelijke afspraken gemaakt te hebben voordat hij de woning heeft onderverhuurd. Eiser moest snel naar Oeganda omdat zijn ouders werden bedreigd. Hij heeft de woning onderverhuurd zodat hij de financiële middelen had om terug te gaan Oeganda. De eerste huurder vertoonde onacceptabel gedrag en toen heeft hij de huur snel weer opgezegd. Vervolgens heeft eiser de woning verhuurd aan twee Roemeense huurders die betrouwbaar leken. Toen hij het bericht kreeg dat zijn vader was vermoord en zijn moeder ernstige brandwonden had opgelopen, is hij zo snel mogelijk teruggereisd naar Oeganda. Gelet op deze bijzondere omstandigheden kan van eiser niet worden verwacht dat hij de woning naar behoren zou kunnen controleren of invloed had op het gebruik van zijn woning.
11. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak is een overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Dit laatste wordt juridisch aangeduid met de term functioneel daderschap. Ten aanzien van dat functioneel daderschap heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overwogen dat zowel voor de bestuurlijke boete als voor herstelsancties (de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom) moet worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. De rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad houdt, voor zover het gaat om natuurlijke personen, in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend, indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [2]
12. Het college merkt eiser niet aan als degene die de overtreding zelf heeft begaan, maar als functionele dader. Dit betekent dat de vraag aan de orde is of eiser beschikkingsmacht had én of is voldaan aan het aanvaardingsvereiste.
13. De rechtbank stelt vast dat eiser beschikkingsmacht had over de woning. Eiser is immers enig huurder van de woning kon daarom beschikken over de woning.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is ook voldaan aan het aanvaardingsvereiste. Eiser heeft kort gezegd te weinig gedaan om het gebruik van zijn huurwoning als seksbedrijf te voorkomen. Eiser heeft zijn woning illegaal onderverhuurd aan twee Roemeense mannen. Juist bij illegale onderverhuur is naar het oordeel van de rechtbank extra voorzichtigheid geboden. Daarbij zijn geen afspraken op papier gezet, er is geen schriftelijke overeenkomst gesloten. Daarnaast is niet gebleken dat eiser op enige wijze toezicht heeft gehouden of heeft laten houden op het gebruik van de woning. De persoonlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd maken niet dit niet anders, eiser had er immers ook voor kunnen kiezen zijn woning niet illegaal onder te verhuren. Daarbij komt dat eiser naar eigen zeggen al was gewaarschuwd door eerder overlast gevend gebruik van zijn woning, toen hij de woning illegaal had onderverhuurd.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dus niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden verlangd ter voorkoming van het illegale gebruik van zijn woning. Daarvoor is ook van belang dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij met de huurders had afgesproken dat er geen bezoek mocht worden ontvangen, de woning netjes zou worden gebruikt en hij via Whats-app contact onderhield om te controleren of alles goed ging in de woning, maar eiser heeft geen van deze stellingen op enige wijze onderbouwd. Daar tegenover staat dat de verklaringen van eiser over de feitelijke gang van zaken onduidelijk, tegenstrijdig en lastig te begrijpen zijn. Zo heeft eiser in eerste instantie weersproken dat de woning in januari of februari 2024 al door derden werd gebruik, maar heeft hij dit in beroep wel erkend. Daarnaast is moeilijk te begrijpen hoe het kan dat dezelfde prostituee in zijn woning in het werk is geweest in periodes dat hij aan verschillende personen zijn woning had onderverhuurd. Ook heeft eiser geen duidelijkheid kunnen scheppen over de vraag hoe de twee Roemeense mannen bij hem terecht zijn gekomen voor de huur van de woning.
14. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser als overtreder kan worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
14. De beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd over de controle, namelijk de vraag of de vrouwen die tijdens de controle hebben gepraat met de toezichthouders de Engelse taal wel voldoende beheersten en de omstandigheid dat volgens eiser wel persoonlijke eigendommen in de woning aanwezig waren, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. De inhoud van de verklaringen wordt in beroep, voor zover van belang, niet langer betwist, terwijl de omstandigheid dat er spullen van eiser in de woning aanwezig waren geen rol speelt bij de vraag of er sprake was van een overtreding of functioneel daderschap.
Hoogte van de boete
18. Over de hoogte van de boete heeft eiser kort gezegd aangevoerd dat hij die niet kan betalen.
19. De rechtbank stelt vast dat de boete is opgelegd conform de in de bijlage 1 van de Huisvestingsverordening gevoegde tabel. De hoogte van deze boete, conform deze tabel, is in algemene zin niet onevenredig. Eiser heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat de hoogte van de boete in zijn geval onevenredig uitpakt. Het college heeft dus geen aanleiding hoeven zien om de hoogte van de boete te matigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde last onder dwangsom en de bestuurlijke boete in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 35 van Pro de Huisvestingswet en artikel 74 van Pro de Huisvestingsverordening.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071.