Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1261

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
607284
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing schorsing en toegang tot werk en systemen wegens vertrouwenscrisis

Werknemer, die sinds 2018 in dienst is en sinds 2022 de dagelijkse leiding heeft, is op 9 februari 2026 door de CEO van werkgever geschorst en de toegang tot bedrijfssystemen ontzegd. Werknemer wil deze ordemaatregelen snel opgeheven zien, mede ter voorbereiding op een ontbindingsprocedure die op 9 april 2026 zal worden behandeld.

De voorzieningenrechter constateert een ernstige vertrouwenscrisis tussen werknemer en werkgever, waarbij het MT het vertrouwen in werknemer heeft opgezegd en dreigt op te stappen als werknemer terugkeert. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van werkgever bij ongestoorde voortgang zwaarder weegt dan het belang van werknemer om zijn werkzaamheden te hervatten.

De oorspronkelijk aangevoerde gronden voor schorsing, zoals misleiding en financieel wanbeleid, zijn onvoldoende onderbouwd. Ook de latere verwijten zijn niet concreet genoeg bewezen. De vertrouwenscrisis en angstcultuur binnen de organisatie, bevestigd door verklaringen van medewerkers, maken terugkeer op korte termijn onwenselijk.

Werknemer ontvangt tijdens schorsing loon en kan stukken opvragen ter voorbereiding van de ontbindingsprocedure. De voorzieningenrechter wijst de vordering af, veroordeelt werknemer in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van de schorsing en toegang tot werk en systemen wordt afgewezen vanwege een ernstige vertrouwenscrisis.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607284 / KG ZA 26-85
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.R. Corbeek,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.W. Haverkort.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- dagvaarding met producties 1 t/m 10;
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- de nadere brief van [gedaagde] met productie 2;
- de nadere brief van [eiser] met producties 11 t/m 14;
- de pleitnota van [eiser] ;
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 17 maart 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] , CEO van [gedaagde] , bijgestaan door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] is in dienst bij [gedaagde] als [functie] . Uit hoofde van die functie heeft hij de dagelijkse leiding over de organisatie. Op 9 februari 2026 is [eiser] door [A] , de CEO van [gedaagde] , geschorst/op non-actief gesteld en is hem de toegang tot de bedrijfssystemen ontzegd. [eiser] is het hier niet mee eens en wil met deze procedure bereiken dat deze ordemaatregelen zo snel mogelijk worden opgeheven. [gedaagde] wil dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen helemaal eindigt en heeft daartoe een verzoek tot ontbinding ingediend bij de bevoegde kantonrechter in Arnhem. Dat verzoek zal al op 9 april 2026 mondeling behandeld worden. [eiser] wil die mondelinge behandeling niet afwachten en wil, mede ter voorbereiding van zijn verdediging tegen het ontbindingsverzoek, zo snel mogelijk toegelaten worden tot zijn werkzaamheden en tot de systemen. De voorzieningenrechter moet helaas constateren dat er op dit moment sprake is van een ernstige vertrouwenscrisis tussen partijen. Het is uitgesloten dat partijen daarvoor in de korte tijd die nog rest tot 9 april 2026 al een oplossing kunnen vinden. Dat betekent dat een vruchtbare samenwerking voorlopig niet mogelijk is en dat het belang van [gedaagde] bij een ongestoorde voortgang van de werkzaamheden op dit moment zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om zijn werkzaamheden ter voorkoming van verdere schade aan zijn positie zo snel mogelijk te hervatten.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[eiser] is sinds 1 juli 2018 in dienst bij [gedaagde] op basis van – inmiddels – een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Sinds 2022 bekleedt [eiser] de functie van [functie] ( [functie] ). In die hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de aansturing van de organisatie, het voorzitten van het MT en het nemen van strategische en operationele besluiten binnen het aan hem toekomende mandaat. De direct leidinggevende van [eiser] is [A] , de CEO van [gedaagde] , aan wie [eiser] rapporteert.
3.2.
[A] hield zich zelf niet bezig met de dagelijkse leiding over de organisatie en verkreeg alle voor hem relevante informatie door een maandelijks ingepland bilateraal overleg met [eiser] . [A] nam dus niet deel aan de MT-vergaderingen en ging volledig af op de informatie die hij van [eiser] kreeg. De bilaterale overleggen vonden tot januari 2025 fysiek plaats op het kantoor van [gedaagde] en zijn na die datum gestaakt. Er heeft sindsdien nog wel sporadisch telefonisch overleg plaatsgevonden.
3.3.
Vanaf juni 2025 tot en met 31 december 2025 heeft [eiser] in overleg met [A] een deel van zijn werkzaamheden als [functie] neergelegd en elders binnen de organisatie ondergebracht. Volgens [eiser] is dat gebeurd omdat hij verschillende neventaken binnen het bedrijf had en hij door ziekte en verloop van medewerkers moest bijspringen in de uitvoering om de continuïteit van de betreffende afdeling (ISO-certificering) te garanderen. Volgens [A] was de reden er juist in gelegen dat [eiser] thuis hard nodig was voor zijn jonge kinderen. Ondanks dat de exacte reden partijen verdeeld houdt, staat wel vast dat [eiser] in onderling overleg zijn taken als [functie] vanaf 1 januari 2026 weer volledig heeft hervat.
3.4.
Op 14 januari 2026 heeft er een gesprek tussen [eiser] en [A] plaatsgevonden, waarin zij hebben gesproken over een wijziging van de functie van [eiser] . [eiser] heeft dit gesprek opgevat als een voornemen om zijn functie eenzijdig te wijzigingen. In een e-mail van 2 februari 2026 heeft [eiser] daarom aan [A] bericht dat hij daar niet mee instemt. Als reactie daarop heeft [A] met een e-mail van 4 februari 2026 toegelicht dat sprake is van een bedrijfseconomische herstructurering en dat zijn rol van [functie] daarom niet langer passend is binnen de organisatie. [A] heeft in diezelfde e-mail daarom een voorstel gedaan om de arbeidsovereenkomst van [eiser] met wederzijds goedvinden te beëindigen. [eiser] is niet op dat voorstel ingegaan.
3.5.
[A] heeft [eiser] vervolgens met een e-mail van 9 februari 2026 geschorst/op non-actief gesteld en de toegang tot de bedrijfssystemen ontzegd. Als reden hiervoor is gegeven dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan:
  • misleiding en valsheid in geschifte;
  • verduistering en het blokkeren van rechtsbescherming;
  • financieel wanbeleid en verwaarlozing van toezicht.
3.6.
Op 13 februari 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] de schorsing/non-actiefstelling schriftelijk nader toegelicht. Die toelichting houdt in dat [gedaagde] jarenlang een succesvol bedrijf is geweest dat een gestage groei liet zien en dat de organisatie in een neerwaartse spiraal is terechtgekomen sinds [eiser] de dagelijkse leiding over de organisatie heeft gekregen. Uit de toelichting volgt verder dat [A] een langere tijd geen volledig beeld heeft gehad van de oorzaken van deze neerwaartse spiraal, maar dat dit inmiddels wel (steeds meer) het geval is. Zo is volgens [A] gebleken van zeer onverstandige investeringen in een nieuw pand, ‘recruiting fees’, leaseauto's en hogere salarissen voor [eiser] en de MT-leden. Ook verwijt [A] aan [eiser] dat hij het afgelopen jaar nauwelijks productief is geweest en dat hij veel informatie bij [A] heeft weggehouden. Bij dit laatste wordt met name gedoeld op een conflict dat speelt met een Sales Manager, waartegen veel klachten zijn ingediend en waar [eiser] volgens [A] niets mee heeft gedaan. Verder heeft [eiser] ook allerlei oude medewerkersbestanden geopend die niet relevant waren voor zijn werkzaamheden als [functie] .
3.7.
Omdat [gedaagde] heeft geweigerd om de schorsing/non-actiefstelling op te heffen en de toegang tot de bedrijfssystemen te herstellen, is [eiser] deze procedure begonnen.

4.De beoordeling

Toetsingskader in kort geding
4.1.
In een kort geding kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval [eiser] , hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Er is sprake van een spoedeisend belang
4.2.
Gelet op de aard van de vordering heeft [eiser] een spoedeisend belang. Het gaat namelijk om een vordering tot toelating tot het werk. De spoedeisendheid ligt in een dergelijke vordering besloten.
De vorderingen tot toelating tot het werk en de bedrijfssystemen worden afgewezen
4.3.
De vraag of een werkgever gehouden is om een werknemer in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden uit te voeren moet worden getoetst aan de norm van goed werkgeverschap van artikel 7:611 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Goed werkgeverschap brengt mee dat een werkgever een werknemer in beginsel in de gelegenheid moet stellen de overeengekomen werkzaamheden uit te kunnen voeren. Een werknemer heeft daarbij een zwaarwegend belang. Alleen als de werkgever een redelijke, voldoende zwaarwegende grond heeft om van dit uitgangspunt af te wijken, kan zij besluiten om de werknemer niet tot het werk toe te laten. Van belang voor de beoordeling zijn in dit verband de aard van de arbeidsovereenkomst, de overeengekomen arbeid en de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarbij moet de vrijheid van de werkgever om de organisatie in te richten naar eigen wensen worden afgewogen tegen het gerechtvaardigde belang van een werknemer bij tewerkstelling.
De standpunten van partijen
4.4.
[gedaagde] stelt dat er zwaarwegende gronden zijn om [eiser] niet toe te laten tot zijn werk. Die gronden zijn erin gelegen dat de verhoudingen op de werkvloer diepgaand zijn verstoord en dat die verstoring zo ernstig is dat, als [eiser] wordt toegelaten tot zijn werk, vertrek van medewerkers uit de organisatie dreigt en de continuïteit van de organisatie in het geding komt. [eiser] betwist dat: hij heeft een zwaarwegend belang om zijn werkzaamheden zo snel mogelijk weer te verrichten, zodat hij de door hem al geleden schade kan beperken nu zijn goede naam en reputatie door [gedaagde] is aangetast.
4.5.
[gedaagde] heeft voor de onderbouwing van haar stelling over de ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen verwezen naar de gronden voor de schorsing/non-actiefstelling zoals genoemd in de e-mails van 9 februari 2026 en 13 februari 2026. In deze procedure heeft [gedaagde] deze verwijten ook nog verder aangevuld, omdat er naar haar zeggen steeds meer boven water is gekomen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] ook het aan hem toekomende (financiële) mandaat zonder toestemming van [A] verruimd en bleek er na uitvraag onder huidig en oud medewerkers dat sprake was van – wat zich samengevat laat vertalen in – een angstcultuur binnen de organisatie en het bestaan van belangenverstrengeling. Die angstcultuur heeft [eiser] volgens [gedaagde] in stand gehouden door de betreffende Sales Manager het hand boven het hoofd te houden en de tegen deze Sales Manager ingediende klachten niet serieus te nemen en/of daar voortvarend actie op te ondernemen. Hierbij is volgens [gedaagde] een onoverbrugbaar meningsverschil ontstaan tussen [A] en het MT enerzijds en [eiser] anderzijds. Dit wordt volgens [gedaagde] ondersteund door zeventien overgelegde schriftelijke verklaringen van huidig en oud medewerkers.
4.6.
[eiser] kan zich hier niet in vinden. [eiser] herkent het bestaan van een angstcultuur niet en ziet zijn schorsing/non-actiefstelling enkel en alleen als het door [A] gekozen middel om zijn ontslag te forceren en langs die weg zo snel mogelijk kosten te besparen. Ook vindt [eiser] dat bij de beoordeling of zijn schorsing/non-actiefstelling rechtmatig is geweest alleen de oorspronkelijk door [gedaagde] in de e-mail van 9 februari 2026 gegeven gronden moeten worden betrokken. Die zouden volgens [eiser] sowieso geen stand houden.
De voorzieningenrechter houdt rekening met alle aangevoerde omstandigheden
4.7.
De voorzieningenrechter dient alle door [gedaagde] aangevoerde gronden voor de schorsing/non-actiefstelling en de ontzegging tot de bedrijfssystemen, zowel voorafgaand als tijdens deze procedure aangevoerd, bij de beoordeling te betrekken. De voorzieningenrechter zal zich dus niet beperken tot de door [gedaagde] in de e-mail van 9 februari 2026 aangevoerde gronden, zoals door [eiser] verzocht. Alle omstandigheden zijn namelijk van belang voor de vraag of een schorsing/non-actiefstelling moet worden opgeheven of dat deze rechtmatig kan worden voortgezet.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van [gedaagde]
4.8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] een veelvoud aan gronden heeft aangevoerd op grond waarvan de schorsing/non-actiefstelling gehandhaafd moet blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn veel van die gronden onvoldoende onderbouwd, maar staat inmiddels wel vast dat alle leden van het MT het vertrouwen in [eiser] hebben opgezegd en hebben gedreigd op te stappen als [eiser] weer tot de werkzaamheden zal worden toegelaten. Daarmee is sprake van een serieuze vertrouwenscrisis. Dat is voor de vraag of [eiser] nu tot zijn werk als [functie] moet worden toegelaten zeer van belang omdat een [functie] zonder voldoende vertrouwen van de CEO en het MT niet vruchtbaar kan functioneren. De voorzieningenrechter komt daarom tot het oordeel dat het belang van [eiser] bij toelating tot de werkzaamheden op dit moment niet opweegt tegen het belang van [gedaagde] om de werkzaamheden zo ongestoord mogelijk te kunnen laten verlopen in afwachting van de behandeling van het ontbindingsverzoek. Dit zal hieronder worden uitgelegd.
De op 9 februari 2026 genoemde gronden bieden onvoldoende onderbouwing voor schorsing/non-actiefstelling
4.9.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de oorspronkelijk genoemde gronden voor de schorsing/non-actiefstelling in de e-mail van 9 februari 2026 niet de conclusie dragen dat er op 9 februari 2026 voldoende aanleiding bestond om [eiser] op grond daarvan per direct te schorsen/op non-actief te stellen. In deze kort gedingprocedure is niet gebleken van een redelijk vermoeden van misleiding en valsheid in geschifte, verduistering en het blokkeren van rechtsbescherming en financieel wanbeleid en verwaarlozing van toezicht. Daarvoor bestond naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op 9 februari 2026 onvoldoende aanleiding. Uit de correspondentie voorafgaand aan de e-mail van 9 februari 2026 blijkt namelijk niet dat deze verwijten eerder al op enige wijze speelden. Uit de correspondentie blijkt alleen dat [A] de functie van [functie] , maar niet het functioneren van [eiser] daarin, ter discussie stelde. Dat deze verwijten zouden spelen strookt verder ook niet met het feit dat [eiser] zijn taken als [functie] in onderling overleg met [A] kort daarvoor, namelijk vanaf 1 januari 2026, weer volledig had hervat. Dat duidt juist op bestaand vertrouwen tussen hen beiden. Uit overige documenten die dateren van vóór of op 9 februari 2026, en waarover [A] toen de beschikking had, volgen deze verwijten verder evenmin en blijkt ook geen langlopend verschil van inzicht.
Een groot deel van de na 9 februari 2026 genoemde gronden bieden ook onvoldoende onderbouwing voor schorsing/non-actiefstelling
4.10.
De nadere toelichting van [gedaagde] in de e-mail van 13 februari 2026 en op de zitting is voor een groot deel evenmin voldoende om de conclusie te dragen dat een zorgvuldig handelend werkgever voldoende aanleiding had om [eiser] per direct te schorsen/op non-actief te stellen. Op de zitting heeft [A] toegelicht dat de directe aanleiding voor de schorsing was gelegen in het gegeven dat de organisatie in een neerwaartse financiële spiraal was geraakt en dat dit naar zijn mening grotendeels is veroorzaakt door zeer onverstandige investeringen van [eiser] en doordat er binnen de organisatie sprake was van een (door de Sales Manager veroorzaakte) angstcultuur die [eiser] niet voortvarend heeft aangepakt. Ook is volgens [A] gebleken dat [eiser] in 2025 nauwelijks productief is geweest, dat hij allerlei oude medewerkersbestanden heeft geopend die niet relevant waren voor zijn werkzaamheden als [functie] en dat [eiser] het aan hem toekomende (financiële) mandaat zonder toestemming van [A] heeft verruimd. Al deze verwijten zijn volgens [A] niet eerder geuit, omdat het voor hem niet duidelijk was wat er allemaal binnen zijn organisatie speelde. Hier is hij pas later achter gekomen. Dit kwam volgens [A] doordat [eiser] bewust relevante informatie bij hem weg heeft gehouden. Op 9 februari 2026 heeft [A] uiteindelijk besloten gevolg te geven aan de informatie die tot hem was gekomen door [eiser] te schorsen/op non-actief te stellen.
4.11.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat [eiser] relevante informatie voor [A] heeft achtergehouden. Dit heeft [gedaagde] in deze procedure op geen enkele wijze concreet genoeg onderbouwd. De onwetendheid bij [A] is mogelijk (mede) het gevolg geweest van de keuze van [A] om zichzelf niet bezig te houden met de dagelijkse leiding over de organisatie en de bilaterale overleggen met [eiser] vanaf januari 2025 te staken. Hierdoor heeft [A] het risico genomen dat hij niet meer van alles op de hoogte zou zijn en daarmee een kwetsbare situatie voor zichzelf gecreëerd. Feit blijft dat [A] de direct leidinggevende van [eiser] was en vanuit die hoedanigheid, alsmede vanuit zijn hoedanigheid als CEO, een verantwoordelijkheid jegens de organisatie had om – zonodig ook via andere wegen dan via [eiser] – op de hoogte te zijn van wat daar speelde. In dit verband speelt ook een rol dat [A] geen zogenoemde ‘CEO op afstand’ was. [A] heeft op de zitting namelijk verklaard dat hij vrijwel elke dag op het kantoor van [gedaagde] aanwezig was. Dat [A] door toedoen van [eiser] niet eerder van de aan [eiser] gemaakte verwijten op de hoogte kon zijn, is daarom niet aannemelijk.
4.12.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] – in ieder geval – de afgelopen twee jaar verlies heeft gedraaid, waarbij het verlies voor het jaar 2025 beperkt was tot ongeveer € 10.000,-. Volgens [A] was het echter gebruikelijk dat er per jaar € 500.000,- aan winst werd behaald. De voorzieningenrechter leidt uit de door partijen gegeven toelichting af dat het verlies voor 2025 weliswaar beperkt was, maar dat wel sprake lijkt van een neerwaartse financiële spiraal ten opzichte van eerdere jaren.
4.13.
De beantwoording van de vraag of die neerwaartse spiraal ook het gevolg is geweest van onverstandige investeringen door [eiser] en de (door de Sales Manager veroorzaakte) angstcultuur, waar [eiser] onvoldoende tegen zou hebben opgetreden, leent zich echter niet voor de behandeling in kort geding. Dit geldt ook voor de gemaakte verwijten dat [eiser] nauwelijks productief is geweest, er zonder goede reden oude medewerkersbestanden zouden zijn geopend en het aan [eiser] toekomende (financiële) mandaat zonder toestemming van [A] zou zijn verruimd. Wel constateert de voorzieningenrechter op basis van de door [gedaagde] overgelegde verklaringen van huidige en oud werknemers dat bij [gedaagde] sprake lijkt te zijn geweest van een angstcultuur en dat [eiser] in de beleving van de bevraagde werknemers een rol bij de instandhouding daarvan heeft gespeeld. Ook leidt de voorzieningenrechter uit de afgelegde verklaringen af dat alle leden van het MT vanwege de gemaakte verwijten inmiddels het vertrouwen in [eiser] hebben opgezegd en hebben gedreigd om op te stappen als [eiser] weer tot de werkzaamheden zal worden toegelaten. Daarmee is sprake van een serieuze breuk in vertrouwen met [eiser] , iets wat voor de vraag of [eiser] nu tot zijn werk moet worden toegelaten zeer van belang is.
4.14.
Voor terugkeer van [eiser] in zijn functie is het dus nodig dat er (eerst) wordt gewerkt aan herstel van vertrouwen. Ook als [eiser] wel bereid is geweest om de angstcultuur aan te pakken, zoals volgens hem zou blijken uit een Whatsappbericht naar een HR-medewerker van 16 januari 2026, kan vanwege de inhoud van de overgelegde schriftelijke verklaringen niet worden aangenomen dat voor de vertrouwenscrisis op korte termijn een oplossing kan worden gevonden. Het is voor de voorzieningenrechter verder niet mogelijk om in kort geding, zonder nader onderzoek, in te schatten of herstel van vertrouwen tussen partijen überhaupt nog mogelijk is. Wel is duidelijk dat met een dergelijk herstel van vertrouwen, indien mogelijk, de nodige tijd zal zijn gemoeid. Tegen deze achtergrond, en gelet op de mededeling van partijen dat de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek al op 9 april 2016 zal plaatsvinden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [eiser] bij toelating tot de werkzaamheden niet opweegt tegen het belang van [gedaagde] om de werkzaamheden zo ongestoord mogelijk te kunnen laten verlopen. Zwaarwegend daarbij is ook dat het loon van [eiser] gedurende zijn schorsing door [gedaagde] wel wordt doorbetaald. Daarbij komt verder dat een cultuurverandering een tijdrovend proces is, waarbij veel mensen – waaronder de [functie] en de CEO – gezamenlijk en in onderling vertrouwen betrokken moeten zijn.
Conclusie
4.15.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. De kantonechter realiseert zich dat [eiser] ook graag toegang tot de systemen had gekregen ter voorbereiding van zijn verdediging tegen de gevraagde ontbinding. In die behoefte kan ook op andere wijze worden voorzien. [eiser] kan zijn werkgever om bepaalde stukken vragen. Die dient daarop in beginsel welwillend te reageren.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.16.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
4.17.
De voorzieningenrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] B.V. in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
LHJ/63796