Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1269

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
26/1194
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om bouwstop afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid door ontbreken bezwaarprocedure

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd om een bouwstop op te leggen voor verbouwingswerkzaamheden aan een woning. Zij stellen dat de werkzaamheden illegaal zijn omdat nog geen besluit is genomen op hun handhavingsverzoek. Het college heeft echter aangegeven dat het verzoek in behandeling is en binnen de wettelijke termijn een besluit zal nemen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk is indien er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt tegen een besluit. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen en er geen sprake is van een schriftelijke weigering die als besluit kan worden aangemerkt, ontbreekt het aan het connexiteitsvereiste.

Verzoekers konden hun verzoek niet baseren op een fictieve weigering, omdat het college expliciet heeft aangegeven binnen de termijn te zullen beslissen. Ook de verwijzing naar een andere uitspraak waarin het connexiteitsvereiste wel was vervuld, is niet relevant voor deze zaak.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot bouwstop wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van bezwaar- of beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1194

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [plaats] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: M. Bos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Zij verzoeken de voorzieningenrechter om een bouwstop op te leggen voor de (ver)bouwwerkzaamheden aan de woning [adres 1] in [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?
3. Verzoekers wonen aan de [adres 2] te [plaats] . Op 3 februari 2026 hebben verzoekers een handhavingsverzoek ingediend bij het college vanwege verbouwingswerkzaamheden aan de woning [adres 1] t [plaats] . Volgens verzoekers zijn de werkzaamheden illegaal, omdat nog niet beslist is op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen en het realiseren van zeven onzelfstandige wooneenheden. Verzoekers hebben uiteengezet dat een toezichthouder van het college telefonisch heeft laten weten dat geen sprake is van illegale bouwwerkzaamheden en dat is afgesproken dat binnen vijf werkdagen op het verzoek zal worden beslist. Verzoekers hebben hun handhavingsverzoek daarna uitgebreider gemotiveerd. Op 6 februari 2026 hebben verzoekers een e-mailbericht van het college ontvangen waarin staat dat het handhavingsverzoek in behandeling is genomen en dat binnen de wettelijke termijn van acht weken een besluit wordt genomen. Vervolgens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat, indien tegen een besluit beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Met een brief van 17 februari 2026 is aan verzoekers kortgezegd uitgelegd dat het verzoek betrekking moet hebben op een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Niet in geschil is dat het college op dit moment nog geen besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek. Verzoekers vinden dat dit gezien moet worden als fictieve weigering om een besluit te nemen. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Het college heeft juist met een e-mailbericht laten weten dat binnen de wettelijke termijn een besluit zal worden genomen. Deze reactie van het college is daarom niet te kwalificeren als schriftelijke weigering die op grond van de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb gelijkgesteld kan worden met een besluit.
6. Daarbij komt dat, zoals hiervoor is vermeld, een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar of beroep loopt. Dit is het zogenoemde ‘connexiteitsvereiste’. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Omdat geen sprake is van een schriftelijke weigering van het college, volgt de voorzieningenrechter verzoekers niet in hun standpunt dat hun reactie op het e-mailbericht van het college van 6 februari 2026 als bezwaarschrift tegen de weigering kan worden aangemerkt. Ook de verwijzing van verzoekers naar de uitspraak van rechtbank Overijssel van 9 januari 2026 [2] treft geen doel. In die uitspraak werd wel aan het connexiteitsvereiste voldaan, omdat het verzoek om voorlopige voorziening tegelijk met een beroep wegens niet tijdig beslissen was ingediend. Dat de rechtbank Overijssel dit beroep in overweging 3.25, waar verzoekers naar wijzen, ook heeft aangemerkt als bezwaar tegen de weigering om een preventief handhavingsbesluit te nemen, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat aan het connexiteitsvereiste is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.