Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen;
- het verweerschrift van [verweerster] , met bijlagen;
- de brief van 13 februari 2026 van [verzoekster] , met bijlagen;
- de brief van 16 februari 2026 van [verzoekster] , met één bijlage;
- de brief van 18 februari 2026 van [verweerster] , met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekster] ;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verweerster] .
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
contractueelheeft verbonden ten opzichte van [verweerster] of omgekeerd. [verzoekster] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij opdracht of instructies kreeg van [verweerster] . Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt juist dat [verweerster] niet precies wist welke werkzaamheden [verzoekster] verrichtte en dat [verzoekster] zelf - in overleg met [A] - bepaalde of en wanneer zij werkzaamheden ten behoeve van [verweerster] verrichtte. Zo heeft [verzoekster] begin 2025 een opleiding gevolgd in het buitenland, waarvoor zij enkele maanden afwezig is geweest, zonder dat daar enige afstemming over is geweest met [verweerster] . Dat [verweerster] enige bemoeienis had met door [verzoekster] verrichte werkzaamheden is niet gebleken.