ECLI:NL:RBMNE:2026:1287

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
16.039958.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 284 SrArt. 300 SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling zware mishandeling, dwang en wapenbezit binnen intieme terreurrelatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor zware mishandeling van zijn ex-partner, dwang en psychische mishandeling van zijn zoon, en het bezit van meerdere wapens. De feiten vonden plaats binnen een langdurige, gewelddadige relatie die gekenmerkt werd door intieme terreur.

De rechtbank sprak verdachte vrij van mensenhandel omdat het oogmerk van uitbuiting ontbrak, ondanks de ernstige mishandelingen. De bewezenverklaarde mishandelingen omvatten onder meer het gebruik van een taser en soldeerbout, wat leidde tot blijvende littekens en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met voorwaarden, waaronder klinische opname en ambulante behandeling. Tevens werd een contact- en locatieverbod opgelegd ter bescherming van de slachtoffers. De vordering tot immateriële schadevergoeding van de ex-partner werd gedeeltelijk toegewezen, terwijl de zoon niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vordering wegens onvoldoende bepaalbare schade.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, tbs met voorwaarden en contact- en locatieverbod; vrijspraak mensenhandel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.039958.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1978] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats]
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 3 maart 2026. Het onderzoek is gesloten op 31 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M.M. Rademaker;
  • de advocaten van de verdachte: mr. T.G.J. Nevels en mr. F.C.R. Keijzer (hierna: de advocaten);
  • de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 1] : mr. P. van der Geest;
  • de benadeelde partij: [slachtoffer 2] (alleen bij de behandeling van zijn vordering als benadeelde partij aan het begin van de zitting);
  • de bijzonder curator van de benadeelde partij [slachtoffer 2] : mr. D.G. Nagel (alleen bij de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aan het begin van de zitting).

2.Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van – kort gezegd – mensenhandel, zware mishandeling, dwang, psychische mishandeling en wapenbezit. In hoofdstuk 3 staat de beschuldiging uitgebreider beschreven.
De beslissingen die de rechtbank in dit vonnis zal nemen zijn samengevat als volgt.
De officier van justitie mag de verdachte vervolgen voor alle feiten. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 4 uitgelegd.
De beschuldiging van zware mishandeling, dwang, psychische mishandeling en wapenbezit is bewezen. De beschuldiging van mensenhandel is niet bewezen, zodat de rechtbank de verdachte van dit feit zal vrijspreken. In hoofdstuk 5 is te lezen hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
De bewezen feiten zijn strafbare feiten en de verdachte is daarvoor ook strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 6.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden. De tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten, wordt daarvan afgetrokken. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden op en een contact- en locatieverbod. In hoofdstuk 7 wordt uitgelegd waarom deze straf en maatregelen worden opgelegd.
In hoofdstuk 8 staat de beslissing over de in beslag genomen boksbeugel.
De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben om schadevergoeding gevraagd. De rechtbank wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor een deel toe. De rechtbank verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering. In hoofdstuk 9 wordt deze beslissing uitgelegd.
In hoofdstuk 10 worden de wetsartikelen genoemd waarop de beslissingen zijn gebaseerd.
In hoofdstuk 11 staan alle beslissingen in het kort.

3.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Feit 1
in de periode van 1 januari 2022 tot en met 4 februari 2025 in Oudewater zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door uitbuiting van zijn partner [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) door [slachtoffer 1] door middel van dwangmiddelen te huisvesten en op te nemen en/of haar te dwingen zich beschikbaar te stellen en diensten voor hem te verrichten, en/of door voordeel te trekken uit die uitbuiting, welke uitbuiting bestond uit:
  • het laten ondergaan van lijfstraffen door [slachtoffer 1] , en/of
  • het laten verrichten van seksuele activiteiten en als deze seksuele activiteiten niet naar wens waren, genoemde lijfstraffen te laten ondergaan door [slachtoffer 1] , en/of
  • het beschikbaar laten stellen van haar rekening door [slachtoffer 1] en het afstand te laten doen van haar vermogen, waaronder haar aandeel in de woning,
waartoe de verdachte onder andere
  • [slachtoffer 1] voortdurend onder controle heeft gehouden,
  • [slachtoffer 1] al haar contact met familie, vrienden en collega’s heeft laten verbreken,
  • de bankpas van [slachtoffer 1] heeft afgepakt,
  • [slachtoffer 1] buiten de woning heeft gesloten,
  • [slachtoffer 1] heeft bedreigd, en
  • [slachtoffer 1] veelvuldig heeft mishandeld met gebruik van onder andere een taser, een mes en een boksbeugel,
waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk heeft opgelopen;
Feit 2
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 in Oudewater aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten meerdere littekens, door onder andere:
  • [slachtoffer 1] te slaan en te schoppen en daardoor de ribben van [slachtoffer 1] te breken, en/of
  • een taser op het lichaam van [slachtoffer 1] te zetten, en/of
  • door het lichaam van [slachtoffer 1] met een soldeerbout te branden, en/of
  • door de keel van [slachtoffer 1] dicht te knijpen;
Feit 3
op 4 februari 2025 in Oudewater meerdere nepwapens, te weten meerdere gasdrukwapens en/of een airsoftwapen voorhanden heeft gehad;
Feit 4
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 in Oudewater zijn kind [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) wederrechtelijk heeft gedwongen tot het tegen zijn wil doen of dulden van onder andere:
- het aankijken hoe zijn moeder, [slachtoffer 1] , werd mishandeld, en/of
- het leven in een huis zonder stroom op momenten dat hij wel stroom nodig had,
door
- [slachtoffer 2] te dwingen rond bedtijd mee naar zijn slaapkamer te gaan en [slachtoffer 1] vervolgens in zijn slaapkamer te mishandelen en/of,
- de stroom in de woning uit te zetten zodat [slachtoffer 2] naar beneden kwam om mee te praten over de ruzie tussen hem, de verdachte, en [slachtoffer 1] ;
Feit 5
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 in Oudewater,
zijn kind, [slachtoffer 2] , psychisch heeft mishandeld door onder andere:
- [slachtoffer 2] te dwingen te kijken naar hoe hij, de verdachte, zijn moeder, [slachtoffer 1] mishandelde, en/of
- [slachtoffer 2] aan te moedigen zijn moeder, [slachtoffer 1] , aan te vallen, en/of
- [slachtoffer 2] aan te moedigen aan hem, de verdachte, te vertellen als zijn moeder, [slachtoffer 1] ,
zich niet aan zijn regels hield;
Feit 6
op 31 januari 2025 in Oudewater voorhanden heeft gehad:
  • drie nepwapens, te weten gasdrukpistolen, en/of
  • een taser, en/of
  • een boksbeugel, en/of
  • een vlindermes.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

4.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1.
Standpunt van de verdediging
De advocaten stellen zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor de periode van 1 januari 2017 tot 20 mei 2019 van feit 4, de dwang van [slachtoffer 2] . Het recht om de verdachte te vervolgen voor deze periode van feit 4 is volgens de advocaten vervallen door verjaring na 6 jaar, omdat het gaat om een feit waarvoor een gevangenisstraf mag worden opgelegd van niet meer dan 2 jaar. Daarbij gaan de advocaten ervan uit dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 20 mei 2019, de datum waarop dit feit aan de beschuldiging is toegevoegd.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is het niet eens met het standpunt van de advocaten over de verjaring van feit 4.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt anders dan de verdediging. De termijn van verjaring van het recht om de verdachte te vervolgen voor de dwang van [slachtoffer 2] is nog niet aangevangen. Het gaat hier om het misdrijf van dwang (art. 284 Sr Pro) dat is gericht tegen een minderjarig slachtoffer, waarvoor in de wet (art. 71 sub Pro 3 Sr) uitdrukkelijk is bepaald dat de termijn van de verjaring pas begint te lopen op de dag na die waarop het slachtoffer de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. [slachtoffer 2] is nog minderjarig. Dat betekent dat de officier van justitie de verdachte mag vervolgen voor de hele periode van dit feit.
De rechtbank concludeert dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

5.Bewijs

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat zij de rechtbank wellicht vraagt de grenzen van het bekende iets op te rekken.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 5.3.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaten verzoeken de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 2, 4 en 5.
De advocaten voeren verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 5.3.
De advocaten voeren geen verweer over het bewijs van de feiten 3 en 6.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat feit 1, mensenhandel, niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 2), het bezit van 2 airsoftwapens (feit 3), de dwang en psychische mishandeling van [slachtoffer 2] (feiten 4 en 5) en het bezit van 2 gasdrukpistolen, een taser, een boksbeugel en een vlindermes (feit 6) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
5.3.3.
Bewijsoverwegingen
5.3.4.
Inleiding
In deze zaak staat de relatie tussen de verdachte en zijn inmiddels ex-echtgenote [slachtoffer 1] centraal. Deze relatie heeft geduurd van ongeveer 2005 tot aan de aanhouding van de verdachte op 4 februari 2025. Tijdens de relatie is vanaf het begin sprake geweest van drugsgebruik. In 2011 hebben de verdachte en [slachtoffer 1] een zoon, [slachtoffer 2] , gekregen.
De verdachte en [slachtoffer 1] zijn het erover eens dat hun relatie op enig moment minder goed is gaan lopen en uiteindelijk onhoudbaar is geworden. Het was een relatie van aantrekken en afstoten. Veelzeggend is in dat verband de verklaring van [slachtoffer 1] dat ze nog nooit zoveel van iemand heeft gehouden, maar tegelijkertijd ook nog nooit zo bang voor iemand is geweest. Dat het een ongezonde relatie met veel ruzie was, wordt ook door de verdachte erkend, net als dat hij geweld tegen [slachtoffer 1] heeft gebruikt. De verdachte en [slachtoffer 1] zijn het er ook over eens dat [slachtoffer 2] veel van de ruzies heeft meegekregen en soms bij het geweld aanwezig was.
Over de mate van het door de verdachte gepleegde geweld en de context waarbinnen het geweld plaatsvond, lopen de verklaringen echter uiteen. Het is aan de rechtbank om hierover een oordeel te geven. Ook is het aan de rechtbank om te beoordelen welke strafbare feiten dit dan oplevert. Daarbij is zij gebonden aan de juridische kaders die gelden voor de feiten waarvan de officier van justitie de verdachte beschuldigt.
5.3.5.
De verklaringen van [slachtoffer 1]
De beschuldiging van een groot deel van de feiten is in belangrijke mate gebaseerd op de verklaringen van [slachtoffer 1] . De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of zij de verklaringen van [slachtoffer 1] mag gebruiken als bewijs. Daarvoor moet zij eerst beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn. Daarna moet de rechtbank beoordelen of er ander bewijs is dat de verklaringen van [slachtoffer 1] ondersteunt (steunbewijs) en of er juist aanwijzingen zijn dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet kloppen (contra-indicaties).
Betrouwbaarheid
[slachtoffer 1] heeft een groot aantal verklaringen afgelegd. Na het telefoongesprek dat de politie op 4 februari 2025 met [slachtoffer 1] heeft gevoerd naar aanleiding van een crisismelding, volgden nog aanvullende verhoren door de politie op dezelfde dag en een dag later. Op 13 februari 2025 vond een informatief gesprek plaats en op 20 en 21 maart 2025, 1 april 2025 en 23 september 2025 nog meer aanvullende verhoren. Op 18 november 2025 heeft de rechter-commissaris [slachtoffer 1] ten slotte nog gehoord. Het waren langdurige verhoren, waarin [slachtoffer 1] steeds over een groot aantal gebeurtenissen en onderwerpen is ondervraagd die gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden. De verklaringen die zij naar aanleiding van die ondervraging heeft afgelegd, zijn zeer uitgebreid. De rechtbank oordeelt dat die uitgebreide verklaringen in de kern steeds consistent, gedetailleerd en authentiek zijn.
De verdediging heeft in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] onder andere aangevoerd dat [slachtoffer 1] bij het eerste verhoor op 4 februari 2025 mogelijk nog onder invloed was van drugs, wat invloed kan hebben gehad op de inhoud van haar verklaringen. Voor zover dat al zo zou zijn, zou dat tot inconsistenties in de verschillende verklaringen hebben moeten leiden. De verschillende verklaringen zijn namelijk verspreid over een lange periode afgelegd. Deze inconsistenties ziet de rechtbank niet.
Zo heeft [slachtoffer 1] steeds consistent verklaard over de voorwerpen die de verdachte gebruikte bij de gewelddadige handelingen tegen haar: het mes, waarmee hij haar prikte, de taser, die de verdachte op haar lichaam zette, het luchtdrukpistool, waarmee de verdachte rubberen 9mm balletjes op haar afschoot, de boksbeugel, waarmee de verdachte haar sloeg en de soldeerbout waarmee de verdachte haar bewerkte. Wat ook steeds terugkomt in de verklaringen van [slachtoffer 1] is dat de verdachte het geweld op haar uitoefende als boete, omdat de seks in zijn beleving niet goed genoeg was. Ook heeft [slachtoffer 1] herhaaldelijk verklaard dat de verdachte haar buiten het huis zette tijdens ruzies.
Over al die onderwerpen heeft [slachtoffer 1] veel details genoemd. Over het taseren heeft ze verklaard dat de verdachte dat eerst 10 keer deed, toen 20 keer en op een gegeven moment 150 keer. Ze kreeg daardoor veel brandpuntjes verspreid over haar hele lichaam. De verdachte ging haar hele lichaam af, van boven naar beneden. Over de soldeerbout heeft ze verklaard dat de verdachte deze eerst liet opwarmen op het gas, dat de verdachte dan het gas uitzette en dat hij haar vervolgens met de soldeerbout bewerkte. De verdachte heeft ook geprobeerd met de soldeerbout zijn naam op haar bovenbeen te schrijven. Dat is mislukt. Ze heeft daar wel brandwonden aan overgehouden. Ze heeft verder over de soldeerbout verklaard dat deze bij de seksspeeltjes in het nachtkastje op de slaapkamer lag.
Een voorbeeld van details die [slachtoffer 1] heeft genoemd is ook dat ze op een gegeven moment één van de puntkogels die de verdachte met de luchtbuks op haar afschoot niet meer konden vinden. Ze dachten toen dat die kogel nog in haar zat. Ook aan het schieten met de rubberen balletjes heeft ze veel littekens overgehouden.
[slachtoffer 1] heeft verder in detail verklaard over de tiewraps die de verdachte tijdens de seks om haar nek deed. Het is wel eens gebeurd dat de verdachte een tiewrap te strak deed en dat hij hem toen snel los moest knippen. Dat ging maar net goed, zo staat in de verklaring. Over het prikken met het mes heeft [slachtoffer 1] in detail verklaard dat de verdachte het mes dan zo tussen zijn vingers hield dat hij maar een centimeter of een halve centimeter haar been in kon gaan. En dan ging hij haar overal zitten prikken. Maar hij prikt nooit zo hard dat er een ambulance voor hoeft te komen.
[slachtoffer 1] is bovendien authentiek op de rechtbank overgekomen door de manier waarop zij over haar eigen rol heeft verklaard. Zo heeft ze verklaard dat ze soms deed alsof ze meer pijn had dan daadwerkelijk het geval was. Het bewerken met de soldeerbout deed volgens haar bijvoorbeeld minder zeer dan je zou denken. Ze ging dan toch overdreven hard gillen of schreeuwen. Ze was heel luidruchtig. Ook heeft ze de rol van de verdachte om bepaalde punten juist genuanceerd. Zo heeft ze bijvoorbeeld verklaard dat de controle door de verdachte van haar uitgaven in haar ogen niet zo erg is geweest.
De rechtbank concludeert, net als de officier van justitie, dat de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn.
Steunbewijs
Zoals gezegd, moet de rechtbank voor de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] niet alleen beoordelen of de verklaringen betrouwbaar zijn, maar ook of er voldoende steunbewijs is. De rechtbank beantwoordt ook die vraag bevestigend.
De voorwerpen waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard, zijn aangetroffen in de woning waar de verdachte en [slachtoffer 1] hebben samengewoond en waar de gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden. De specifieke locaties waar de voorwerpen zijn aangetroffen, komen bovendien overeen met de locaties waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard. De rechtbank wijst in het bijzonder op de locatie van de soldeerbout: bij de seksspeeltjes in het nachtkastje op de slaapkamer. De rechtbank merkt dit aan als steunbewijs.
Ook is er steunbewijs voor de letsels waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard. Op 4 februari 2025 is [slachtoffer 1] onderzocht door een GGD arts. Deze arts heeft naar aanleiding van het onderzoek 33 letsels beschreven die hij op het lichaam van [slachtoffer 1] heeft waargenomen. Van deze letsels zijn ook foto’s gemaakt. Over de letsels in het geheel heeft de arts verklaard dat deze goed passen bij de toedracht die [slachtoffer 1] heeft omschreven.
Over het gewelddadige gedrag van de verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft de zus van de verdachte, [getuige] , ook nog verklaringen afgelegd die als steunbewijs kunnen dienen. [getuige] heeft onder andere verklaard dat [slachtoffer 1] veel geslagen is door de verdachte. In een chat tussen [getuige] en [slachtoffer 1] schrijft [getuige] dat ze ervan is geschrokken hoe ver een ruzie kan gaan. Ze schrijft ook dat [verdachte] , de verdachte, ‘dit’ nog nooit heeft gedaan in haar bijzijn. Ze doelt hierbij op een voorval waarbij de verdachte [slachtoffer 1] zo hard heeft geslagen, dat haar ribben zijn gebroken. Ze heeft bovendien in een brief aan de verdachte geschreven dat ze niet kan aanzien wat hij doet, dat geweld. Ze sluit de brief af met de woorden dat [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ), niet weet dat ze dit schrijft. Die laatste woorden bevestigen naar het oordeel van de rechtbank de indringendheid van haar boodschap. De verdachte spreekt over deze brief in een telefonisch gesprek dat hij vanuit de PI met [getuige] voert. Hij zegt dan: ‘Weet je nog die ene brief die jij mij had geschreven, toen [B] die shocker aan mij had verkocht? Je had toen geschreven dat geweld niet werkt en al die dingen. Nou, die hebben ze dus ook gevonden’. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte met ‘die’ de shocker (taser) bedoelt. Gelet op de context van deze woorden, ziet de rechtbank hierin steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat de taser ook als geweldmiddel werd gebruikt.
Als steunbewijs voor het gebruik van de taser als boetemiddel is er ook nog een chat tussen [slachtoffer 1] en de verdachte. [slachtoffer 1] vraagt in die chat aan de verdachte of er geen andere oplossing is dan die shocker. Ze schrijft onder andere: ‘Dat boeten is het enige wat jou wat zegt zeker. (…). Ik wilde nu iets bedenken wat jou veel meer zou zeggen dan een paar minuten shockeren’.
In het verlengde van het voorgaande schrijft ze dat ze alleen maar littekens erbij krijgt. Deze chat vormt dus ook steun voor de verklaring dat [slachtoffer 1] door het gebruik van de taser littekens heeft opgelopen.
Contra indicaties
De rechtbank ziet ten slotte geen contra-indicaties voor het gebruik van de verklaringen van [slachtoffer 1] , ook niet als het gaat om de toedracht van de letsels. De advocaten hebben als alternatief scenario voor de waargenomen letsels aangevoerd dat [slachtoffer 1] deze zelf heeft toegebracht. Dat scenario vindt volgens de advocaten steun in de conclusie van nader forensisch onderzoek naar de letsels. In die conclusie staat dat op basis van de uiterlijke wondkenmerken geen uitsluitsel kan worden gegeven op de vraag of de verwondingen door [slachtoffer 1] zelf of door een ander kunnen zijn toegebracht.
De rechtbank moet dit scenario beoordelen op aannemelijkheid en die aannemelijkheid ziet zij niet. Daarbij betrekt de rechtbank in de eerste plaats de grote hoeveelheid littekens. Ook betrekt de rechtbank de locatie van een deel van de littekens, namelijk op de rug. Ondanks dat de forensisch arts van het NFI heeft geconcludeerd dat geen uitsluitsel kan worden gegeven op de vraag of de verwondingen door [slachtoffer 1] zelf of door een ander kunnen zijn toegebracht, ligt het niet voor de hand dat [slachtoffer 1] dit in deze mate heeft gedaan. De conclusie van de forensisch arts van het NFI levert dan ook geen contra indicatie op voor de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] .
5.3.6.
Mensenhandel, feit 1
De rechtbank stelt voorop dat de gewelddadige gedragingen die in de beschuldiging staan, in ieder geval vallen onder een zeer ernstige vorm van huiselijk geweld: intieme terreur. De gewelddadige gedragingen van de verdachte leveren ook zonder meer strafbare handelingen op. Dat zal onder meer blijken uit de bewezenverklaring van een aantal feiten in dit vonnis.
De officier van justitie heeft de gewelddadige gedragingen van de verdachte ook geplaatst in de context van andere gedragingen en geconcludeerd dat sprake is van mensenhandel. Dat is een juridisch ingewikkelde beschuldiging.
Zoals eerder in dit vonnis te lezen, deelt de rechtbank die conclusie niet, ook niet als zij uitgaat van de verklaringen van [slachtoffer 1] . Om dat uit te leggen, zal de rechtbank hieronder eerst ingaan op het juridisch kader van mensenhandel. Dit juridisch kader zal de rechtbank vervolgens toepassen op deze zaak, waarbij zij zoveel mogelijk de feiten en omstandigheden zal betrekken die de officier van justitie in de tekst van de beschuldiging heeft opgenomen.
Juridisch kader
Mensenhandel is strafbaar gesteld in art. 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII van het Wetboek van Strafrecht. Deze titel gaat over ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Art. 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan.
In deze zaak gaat het (onder meer) om de vraag of sprake is van mensenhandel in de zin van art. 273f, eerste lid en onder 1 en/of onder 4 en/of onder 6 Sr.
Art. 273f, eerste lid, onder 1 Sr
Om te komen tot een veroordeling voor mensenhandel in de zin van artikel 273f lid 1 onder 1 Sr, moet vaststaan dat de verdachte door bepaalde dwangmiddelen een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk die ander uit te buiten. Niet is vereist dat de ander daadwerkelijk is uitgebuit.
Art. 273f, eerste lid, onder 4 Sr
Art. 273f, eerste lid, onder 4 Sr gaat over het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het gaat hier om handelingen waarbij iemand een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid. De handelingen moeten zijn verricht met toepassing van de onder 1 genoemde dwangmiddelen of onder de onder 1 genoemde omstandigheden. Niet vereist is dat de arbeid of diensten daadwerkelijk zijn verricht. Oogmerk van uitbuiting is ook niet vereist, maar de verweten gedragingen kunnen alleen als ‘mensenhandel’ worden gekwalificeerd als uit het bewijs blijkt dat sprake is van omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. ‘Uitbuiting’ is daarmee een impliciet bestanddeel van 273f, eerste lid, onder 4 Sr.
Art. 273f, eerste lid, onder 6 Sr
Strafbaar op grond van art. 273f, eerste lid, onder 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. De Hoge Raad heeft bepaald dat het opzet van de verdachte gericht moet zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. Het gebruik van een dwangmiddel is geen vereiste.
(Oogmerk van) uitbuiting
Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd. Wel is in art. 273f, tweede lid Sr een niet-limitatieve opsomming gegeven van situaties die in ieder geval uitbuiting opleveren. Bepaald is dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’. Bij het oogmerk op uitbuiting moet de verdachte vol opzet hebben gehad op die uitbuiting. Het gaat er daarbij om dat het handelen van de verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg, meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van uitbuiting zijn er meerdere factoren die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - in aanmerking kunnen/moeten worden genomen en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van (een oogmerk van) uitbuiting sprake is zijn: de aard en duur van bijvoorbeeld de gedwongen of verplichte arbeid of diensten, de beperkingen die dit meebrengt voor degene die de arbeid of diensten verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de ander, de verdachte, wordt behaald. Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een situatie te onttrekken. Het slachtoffer hoeft niet daadwerkelijk een materieel nadeel te hebben geleden.
Toepassing op deze zaak
De rechtbank oordeelt dat mensenhandel niet kan worden bewezen. De rechtbank legt dat hierna uit.
Geen (oogmerk van) uitbuiting
Vanaf ongeveer 2005 hebben de verdachte en [slachtoffer 1] een relatie. Duidelijk is dat die relatie met verloop van tijd steeds slechter en uiteindelijk onhoudbaar is geworden. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de verdachte ernstige vormen van geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] en dat zij bang was voor de verdachte.
Zowel de verdachte als [slachtoffer 1] beschrijft een opvallend en zorgelijk patroon dat week in, week uit zichtbaar was. In het weekend voerden ruzies, drugsgebruik en seks de boventoon en doordeweeks was de situatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] ‘normaler’. [slachtoffer 1] noemt die doordeweekse dagen dan ook de ‘leuke dagen’.
De rechtbank leidt uit het dossier onder meer af dat de verdachte met verloop van tijd steeds meer bepaalde in huis. Het salaris van [slachtoffer 1] werd, net als het salaris van de verdachte, op de gezamenlijke rekening gestort. Vanaf die gezamenlijke rekening betaalden zij alle vaste lasten, waaronder de hypotheekkosten, de boodschappen en de drugs die zij samen gebruikten. De verdachte was streng naar [slachtoffer 1] als het ging om de financiële uitgaven. Hij stelde onder andere regels over het budget dat aan boodschappen mocht worden uitgegeven. Na het doen van de boodschappen moest [slachtoffer 1] ook de bonnetjes aan hem laten zien. Zo kon hij controleren of zij zich aan de regels had gehouden. Het is ook wel eens voorgekomen dat de verdachte de bankpas van [slachtoffer 1] heeft afgepakt.
Anders dan de officier van justitie voorstaat, kan de rechtbank echter niet vaststellen dat [slachtoffer 1] geen enkele beschikking had over haar geld. Dit blijkt niet uit het financiele onderzoek. Daaruit blijkt dat er veel pintransacties met haar pinpas zijn gedaan en dat daarvan ook een deel op haar eigen werk (in een winkel was. Ze beschikte dus in ieder geval geregeld over een eigen bankpas. En het feit dat zij verantwoording moest afleggen over haar uitgaven leidt ook nog niet tot de conclusie dat zij geen beschikking had over haar geld.
Als de verdachte niet thuis was, voelde [slachtoffer 1] zich genoodzaakt zeer regelmatig wat aan de verdachte te laten horen, bijvoorbeeld door het sturen van sms-berichten met hartjes en andere emoji’s. Zij liet de verdachte ook regelmatig weten wat zij aan het doen was en het kwam voor dat de verdachte ’s avonds haar berichtenverkeer met anderen controleerde. Buren hebben verklaard dat zij ook vaak hoorden dat [slachtoffer 1] buiten met de verdachte telefoneerde en dan precies liet weten wat zij had gedaan en nog ging doen.
Anders dan de officier van justitie leidt de rechtbank hieruit niet af dat de verdachte aan [slachtoffer 1] voortdurend instructies gaf over wat zij dagelijks moest doen. De berichten in de telefoons laten op dat gebied geen vast patroon zien, terwijl wel heel veel berichten tussen beiden zijn aangetroffen. Bovendien heeft [slachtoffer 1] zelf ook niet met zoveel woorden verklaard dat zij continu taken kreeg van de verdachte wat zij die dag of dat uur moest doen.
[slachtoffer 1] beschikte over een eigen huissleutel waarmee ze naar binnen en naar buiten kon wanneer zij wilde. Dat ze wel eens buiten werd gezet door de verdachte, soms ook zonder sleutel, ziet de rechtbank vooral binnen de context van de vele ruzies tussen beiden. Daarbij gaat de rechtbank uit van de verklaring van [slachtoffer 1] zelf. Ze verklaart dat ze soms ook uit zichzelf naar buiten ging, omdat de verdachte bleef zeuren. Ze voelde zich daar dan prettiger bij. Dat geldt ook voor het slapen op de gang. De verdachte heeft haar wel eens naar de gang gestuurd, maar ze koos er ook zelf voor om daar te slapen, omdat ze dan juist de mogelijkheid had om weg te gaan. Het was ook niet zo dat [slachtoffer 1] niet tegen de verdachte in durfde te gaan. Tijdens de ruzies liet ze goed van zich horen. Ze kon overdreven hard schreeuwen, zo heeft ze zelf verklaard.
Verder had ze nog steeds haar eigen werk buitenshuis en was zij juist degene die de zakelijke administratie deed en daarmee invloed kon uitoefenen. Ook kon ze met de buitenwereld communiceren door middel van haar eigen telefoon of op het werk.
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 1] gedurende de relatie met de verdachte een beperkt sociaal leven had. Haar sociale kring bestond, zo geeft [slachtoffer 1] zelf aan, vanaf het begin af aan uit mensen die ook drank en drugs gebruikten. Ze heeft tegen hun vaarwel gezegd toen ze uit Woerden verhuisden en ze vervolgens ook niet meer uitgenodigd, omdat ze drank en drugsgebruikers waren. Ook met haar familie had ze nagenoeg geen contact, maar dat was ook al zo op het moment dat ze de relatie met de verdachte aanging. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat de verdachte [slachtoffer 1] in een isolement heeft gebracht.
Verder blijkt uit het dossier dat het seksuele contact tussen de verdachte en [slachtoffer 1] in de loop van de tijd is veranderd. [slachtoffer 1] verklaart hierover dat zij geen gedwongen seks heeft gehad, maar dat zij er geen plezier meer in had. Ze geeft aan dat ze dingen maar is gaan accepteren, om er vanaf te zijn. De rechtbank stelt ook vast dat [slachtoffer 1] vergaande lijfstraffen moest ondergaan als zij niet aan de seksuele wensen van de verdachte voldeed. Ze moest dan ‘boete doen’ en de verdachte paste daartoe gewelddadige handelingen toe. Daarin ziet de rechtbank een ernstige vorm van dwang.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of op grond van bovenstaande, in samenhang bezien, (een oogmerk van) uitbuiting kan worden vastgesteld. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Bovenstaande levert, ook in samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank geen (oogmerk van) uitbuiting op zoals de wetgever heeft bedoeld strafbaar te stellen in art. 273f Sr.
Zonder (oogmerk van) uitbuiting is geen sprake van mensenhandel. Het is daarom niet nodig nader in te gaan op de afzonderlijke handelingen van art. 273f, eerste lid en onder 1, 4 en 6 Sr, die de officier van justitie in de beschuldiging heeft opgenomen.
De rechtbank wil niet bagatelliseren wat de verdachte [slachtoffer 1] heeft aangedaan. De intieme terreur die [slachtoffer 1] jarenlang heeft meegemaakt ziet de rechtbank als een ernstige vorm van huiselijk geweld. Deze intieme terreur valt alleen buiten het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel. Dat dit niet onder mensenhandel valt, maakt niet dat zulke situaties straffeloos (hoeven te) blijven. In het Wetboek van Strafrecht staan verschillende strafbaarstellingen waar de verschillende onderdelen van intieme terreur eventueel onder kunnen vallen. In dit geval is een deel van de gedragingen ook separaat tenlastegelegd als zware mishandeling (feit 2).
Conclusie
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van mensenhandel en niet meegaan met de door de officier van justitie gevraagde oprekking van de grenzen van de strafbaarstelling van artikel 273f Sr (mensenhandel).
5.3.7.
Zware mishandeling, feit 2
Bij [slachtoffer 1] is een groot aantal littekens geconstateerd. Dat staat niet ter discussie. Aan de orde is de vraag door welke gedragingen deze littekens bij [slachtoffer 1] zijn veroorzaakt. Ook is de vraag aan de orde of de littekens zwaar lichamelijk letsel opleveren. De rechtbank zal hierna op beide vragen een antwoord geven.
Gedragingen
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte de littekens door middel van verschillende geweldshandelingen bij haar heeft toegebracht. Dit zou hij hebben gedaan met gebruik van onder andere een taser en een soldeerbout. De rechtbank ziet voor het toebrengen van littekens door het gebruik van de taser en de soldeerbout steun in andere bewijsmiddelen.
De forensisch arts van de GGD heeft in de eerste plaats geconcludeerd dat de door [slachtoffer 1] gemelde toedracht goed past bij deze littekens. De voorwerpen waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard, zijn bovendien in de woning van de verdachte en [slachtoffer 1] gevonden. Opvallend daarbij is dat zowel de taser als de soldeerbout in de slaapkamer lagen. De soldeerbout lag in het ladekastje tussen de seksspeeltjes. Dit past bij de verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte deze voorwerpen bij haar heeft gebruikt na de seks, in het bijzonder als de seks volgens de verdachte niet goed genoeg was. Ze moest dan ‘boeten’.
Voor het boeten met een taser en een soldeerbout door de verdachte, ziet de rechtbank bovendien steunbewijs in chats tussen [slachtoffer 1] en de verdachte. Zo schrijft [slachtoffer 1] aan de verdachte dat hij haar als boete elke avond een shocker (taser) mag geven. Ook appt ze dat de verdachte zijn naam met de soldeerbout ergens op haar lichaam mag zetten. Bij de politie heeft [slachtoffer 1] verklaard dat de verdachte dit laatste ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dit wordt bevestigd door het rapport van het forensisch onderzoek van de GGD arts. Het litteken dat [slachtoffer 1] aan het schrijven van een deel van de naam met de soldeerbout op haar been heeft overgehouden, is namelijk één van de letsels die in het rapport staan beschreven.
Steunbewijs voor het gebruik van de taser op het lichaam van [slachtoffer 1] , ziet de rechtbank in een teliogesprek dat de verdachte vanuit de PI heeft gevoerd met zijn zus, [getuige] . In dat teliogesprek noemt de verdachte de shocker (taser) zelf in relatie tot het door hem gepleegde geweld.
De verdachte heeft in algemene bewoordingen ook bekend dat hij gewelddadig is geweest naar [slachtoffer 1] toe. De littekens die bij [slachtoffer 1] zijn geconstateerd, heeft [slachtoffer 1] volgens hem echter bij zichzelf toegebracht met behulp van de taser en de soldeerbout.
De rechtbank vindt dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario voor het ontstaan van de littekens niet aannemelijk, zoals hiervoor ook al overwogen in het kader van de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] .
Over het litteken op het rechterbovenbeen, dat volgens [slachtoffer 1] een gevolg is van het schrijven van de naam van de verdachte met een soldeerbout, overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende. Vanaf de voorkant gezien, is (een deel van) de naam van de verdachte van links naar rechts geschreven, zoals verdachte zelf ook op de zitting heeft verklaard. Als [slachtoffer 1] dit bij zichzelf zou hebben gedaan, zou ze vanuit haar positie gezien de letters ondersteboven hebben moeten schrijven. Ook dat ligt niet voor de hand.
In de beschuldiging staan nog andere gedragingen opgenomen dan het gebruik van de taser en de soldeerbout. Voor in ieder geval een deel van die andere gedragingen ziet de rechtbank aanwijzingen in het dossier dat de verdachte die ook heeft gepleegd. Zo zijn er aanwijzingen dat de verdachte [slachtoffer 1] een keer met de boskbeugel heeft geslagen, dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en dat hij haar zo hard heeft gestompt dat ze hierdoor gebroken ribben heeft opgelopen. Ook zijn er aanwijzingen dat de verdachte [slachtoffer 1] verspreid over haar lichaam heeft geprikt met het puntje van een mes en dat hij rubberen balletjes op haar heeft geschoten. Niet bewezen kan echter worden dat bij [slachtoffer 1] door deze gedragingen blijvende littekens zijn ontstaan, terwijl de beschuldiging wel is beperkt tot het toebrengen van littekens (als zwaar lichamelijk letsel). Om die reden zal de rechtbank de verdachte van al deze andere gedragingen moeten vrijspreken.
In de beschuldiging staat ten slotte als gedraging opgenomen dat de verdachte een taser in de vagina van [slachtoffer 1] heeft gebracht en vervolgens een stroomstoot heeft toegediend. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs in het dossier dat de verdachte deze gedraging heeft verricht. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dit ook niet met zoveel woorden. De rechtbank zal de verdachte van deze gedraging dus ook vrijspreken.
Zwaar lichamelijk letsel
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, is een aantal door de Hoge Raad geformuleerde algemene gezichtspunten van belang. Het gaat om de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert.
In dit geval is sprake van een grote hoeveelheid littekens. De rechtbank zal gelet hierop beoordelen of de littekens in hun totaliteit zwaar lichamelijk letsel opleveren.
Het gaat onder meer om een grote hoeveelheid verkleuringen van de huid in langwerpige vormen. Het betreffen brandwonden, veroorzaakt door het bewerken met de soldeerbout. Ook gaat het om een grote hoeveelheid rondvormige huidverkleuringen, veroorzaakt door de taser. De littekens zijn verspreid over een groot deel van het lichaam van [slachtoffer 1] en de inschatting van de rechtbank is dat ze voor een groot deel blijvend zichtbaar zullen zijn.
De grote hoeveelheid littekens, de aard ervan en het grote lichaamsoppervlak waarover ze zijn verspreid, maken dat de littekens zodanig ontsierend zijn, dat de rechtbank deze in hun totaliteit bezien aanmerkt als zwaar lichamelijk letsel. Dat de littekens door het dragen van lange kleding kunnen worden verborgen, maakt dit niet anders. Het slachtoffer zal zelf immers dagelijks met de littekens geconfronteerd blijven worden. Daarbij komt dat met het dragen van meer zomerse kleding en in het bijzonder badkleding, de littekens ook voor anderen goed zichtbaar zullen zijn.
Conclusie
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door – kort gezegd – het verwonden van het lichaam van [slachtoffer 1] met een taser en een soldeerbout.
5.3.8.
Dwang en psychische mishandeling van [slachtoffer 2] , feiten 4 en 5
De geweldshandelingen van de verdachte vonden plaats in de woning waar niet alleen de verdachte en [slachtoffer 1] woonden, maar ook hun zoon [slachtoffer 2] . Vanaf het moment dat [slachtoffer 2] ongeveer 6 jaar oud was, dat was in 2017, heeft hij daar steeds meer van meegekregen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de wijze waarop [slachtoffer 2] aan dat geweld en de thuissituatie als geheel werd blootgesteld zodanig was, dat dit de strafbare gedragingen oplevert die onder feit 4 en feit 5 van de beschuldiging staan. Dat zijn dwang (feit 4) en psychische mishandeling (feit 5).
Dwang (feit 4)
Dwang als bedoeld in artikel 284 Sr Pro is het door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid iemand wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Daarvan kan slechts sprake zijn indien een verdachte door het gebruik van zo’n middel opzettelijk heeft veroorzaakt dat een slachtoffer tegen zijn of haar wil iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld. Het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ omvat in beginsel elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen tot het betreffende gevolg en die niet beantwoordt aan een van de andere in het betreffende artikel genoemde dwangmiddelen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen onder meer vast dat de verdachte en [slachtoffer 1] ruzie maakten op de slaapkamer van [slachtoffer 2] , waarbij [slachtoffer 1] ook werd geslagen door de verdachte. Dit gebeurde vlak voordat [slachtoffer 2] naar bed ging. Hij was dan aanwezig op zijn kamer. Dat betekent dat [slachtoffer 2] zich niet aan de situatie kon onttrekken.
De rechtbank oordeelt dat de verdachte op deze manier opzettelijk een situatie heeft veroorzaakt, oftewel enige feitelijkheid, die maakte dat [slachtoffer 2] heeft moeten zien dat zijn moeder door de verdachte werd geslagen. Juridisch gezegd heeft de verdachte [slachtoffer 2] door die feitelijkheid wederrechtelijk gedwongen iets te doen. Dat levert dwang op.
In de beschuldiging staan nog meer handelingen die [slachtoffer 2] door wederrechtelijke dwang van de verdachte zou hebben moeten doen of dulden. Genoemd worden het niet mogen eten of drinken in huis, het leven in een huis zonder stroom en het verbieden om naar bed te gaan. De feitelijkheden waarmee de verdachte [slachtoffer 2] in die situatie zou hebben gebracht zijn het verbieden om eten of drinken te pakken, het uitzetten van de stroom in de woning en het tegen [slachtoffer 2] zeggen dat hij beneden moest blijven als hij eigenlijk naar boven wilde gaan om te gaan slapen.
Uit het dossier volgt onvoldoende duidelijk in welke context deze feitelijkheden plaatsvonden en met welke frequentie of duur. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat deze feitelijkheden er in de kern op waren gericht om [slachtoffer 2] op een wederrechtelijke manier ergens toe te dwingen.
De rechtbank zal de verdachte daarom van deze onderdelen van de beschuldiging vrijspreken.
Psychische mishandeling (feit 5)
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de manier waarop [slachtoffer 2] aan het geweld en overige handelingen van de verdachte werd blootgesteld, ook mishandeling oplevert.
In de rechtspraak is aanvaard dat mishandeling onder omstandigheden ook kan bestaan uit emotionele of psychische mishandeling van een kind. De in het vierde lid van artikel 300 Sr Pro genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid biedt namelijk aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor psychische of emotionele mishandeling (voor een overzicht van de rechtspraak in deze zin, maar met een andersluidende conclusie, zie: ECLI:NL:PHR:2026:238).
Of van zulke psychische of emotionele mishandeling sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Eén van de omstandigheden die in dit geval een belangrijke rol speelt, is de jonge leeftijd van [slachtoffer 2] . Ook de lange periode waarin hij aan de mishandelingen van zijn moeder, [slachtoffer 1] , door de verdachte is blootgesteld, is belangrijk. [slachtoffer 2] was ongeveer 6 jaar toen de mishandelingen in zijn bijzijn begonnen en dit heeft geduurd tot aan zijn 14e jaar. De verdachte heeft [slachtoffer 1] in het bijzijn van [slachtoffer 2] in ieder geval geslagen en geschopt. Dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het een soort gewoonte voor hem is geworden, zegt iets over de frequentie waarmee dit gebeurde. Vastgesteld kan dan ook worden dat hij langdurig getuige is geweest van stelselmatig huiselijk geweld.
De verdachte heeft zelf ook verklaard dat [slachtoffer 2] vaak tussen de ruzies van hem en [slachtoffer 1] door heeft gelopen en dat hij ook wist dat [slachtoffer 2] op zulke momenten thuis was.
Voor het vaststellen van psychische mishandeling vindt de rechtbank in dit geval niet nodig dat door een deskundige is vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Als algemeen bekend kan worden verondersteld dat het onveilig is om op te groeien in een gezin waar langdurig en stelselmatig geweld wordt toegepast. Ook kan als algemeen bekend worden verondersteld dat zo’n onveilige gezinssituatie schadelijk is voor de psychische gezondheid van een kind.
De rechtbank concludeert dat is bewezen dat [slachtoffer 2] werd gedwongen om te kijken naar hoe de verdachte zijn moeder, [slachtoffer 1] , mishandelde. Naar het oordeel van de rechtbank is dit psychische mishandeling.
In de beschuldiging zijn nog meer handelingen opgenomen die volgens de officier van justitie als psychische mishandeling kunnen worden aangemerkt. Die handelingen bestaan uit het aanmoedigen door de verdachte van [slachtoffer 2] , om zijn moeder zelf ook op een gewelddadige manier aan te vallen, en het aanmoedigen van [slachtoffer 2] om hem, de verdachte, te vertellen als zij zich niet aan de regels hield.
Dat [slachtoffer 2] op aanmoediging van de verdachte zijn moeder ook zelf zou hebben aangevallen, is een zware beschuldiging. Deze handeling vraagt, anders dan het getuige zijn van mishandelingen, een uitdrukkelijke actie van [slachtoffer 2] zelf. Om vast te stellen dat dit zo is gegaan, is meer nodig dan de verklaring van [slachtoffer 1] alleen, maar meer dan die verklaring is er niet. De rechtbank oordeelt dan ook dat deze handeling niet kan worden bewezen.
Dat [slachtoffer 2] aan de verdachte moest vertellen als zijn moeder zich niet aan de regels hield, is mogelijk wel eens gebeurd als het ging over het rookgedrag van [slachtoffer 1] . Niet gebleken is echter dat de verdachte [slachtoffer 2] stelselmatig aanmoedigde om op die manier op zijn moeder, [slachtoffer 1] , te letten. De rechtbank oordeelt dan ook dat in deze context niet van psychische mishandeling kan worden gesproken.
Van deze onderdelen van de beschuldiging zal de rechtbank de verdachte dus vrijspreken.
5.3.9.
Het bezit van diverse wapens (feiten 3 en 6)
De verdachte bekent dat hij de voorwerpen in zijn bezit heeft gehad die in de beschuldiging van de feiten 3 en 6 staan. Het gaat om twee airsoftwapens (model M4 en model M37f), twee gasdrukpistolen (vuurwapen Walther en vuurwapen Glock), de taser, de boksbeugel en het vlindermes. De advocaten hebben ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom voor deze feiten alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Deze bewijsmiddelen staan net als de andere bewijsmiddelen in bijlage II.
5.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 2
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 te Oudewater, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere littekens, heeft toegebracht door
- een taser op het lichaam van die [slachtoffer 1] te zetten en met voornoemde taser een stroomstoot te geven en
- het lichaam van die [slachtoffer 1] met een soldeerbout te branden;
Feit 3
op 4 februari 2025 te Oudewater, een wapen van categorie I onder 7°, te weten
meerdere airsoftwapens, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, voorhanden heeft gehad;
Feit 4
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 te Oudewater, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door enige feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten
- het aankijken hoe zijn moeder, [slachtoffer 1] werd geslagen,
door
- rond bedtijd naar de slaapkamer van die [slachtoffer 2] te gaan en die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2]
te dwingen mee te komen en die [slachtoffer 1] daar te mishandelen;
Feit 5
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 te Oudewater, zijn kind, [slachtoffer 2] , psychisch heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2] te dwingen te kijken naar hoe hij, de verdachte, [slachtoffer 1] mishandelde;
Feit 6
op 31 januari 2025 te Oudewater,
- meerdere wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool
en
- een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te
weten een taser, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot
personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden
toegebracht, en
- een wapen, van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en
- een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

6.Kwalificatie en strafbaarheid

6.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2
zware mishandeling, meermalen gepleegd
Feit 3
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Feiten 4 en 5
eendaadse samenloop van
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen
en
mishandeling, begaan tegen zijn kind
Feit 6
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd
6.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten zijn strafbaar en de verdachte is daarvoor ook strafbaar.

7.Straf en maatregelen

7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte als maatregelen wordt opgelegd:
  • terbeschikkingselling (tbs) met voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering en de psychiater en psycholoog van het NIFP;
  • een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de hele gemeente [gemeente] als vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr) voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 1 week hechtenis bij de eerste keer dat de verdachte de maatregel niet naleeft, 2 weken hechtenis bij de tweede keer dat de verdachte de maatregel niet naleeft en zo voort, met een maximum van 6 maanden hechtenis.
De officier van justitie eist dat deze maatregelen direct na de uitspraak van het vonnis gaan gelden (dadelijk uitvoerbaar zijn).
7.2.
Standpunt van de verdediging
In geval van een bewezenverklaring verzoeken de advocaten bij de oplegging van een straf en/of maatregel rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, zijn overige persoonlijke omstandigheden en zijn proceshouding. De advocaten voeren verder aan dat het tbs kader niet aan de orde is. Indien de rechtbank wel de maatregel tbs met voorwaarden wil opleggen, verzoekt de verdediging de klinische opname niet als voorwaarde op te nemen. Als de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer 1] wil opleggen, verzoeken de advocaten als uitzondering op te nemen dat wel is toegestaan dat de verdachte via een advocaat / mediator contact heeft met [slachtoffer 1] over de afwikkeling van beëindiging van hun relatie en over het vaststellen van een omgangsregeling met hun zoon. Vanwege de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 2] , is een contactverbod met hem volgens de advocaten onnodig. Tegen een locatieverbod heeft de verdachte geen bezwaar.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte de maatregel tbs met voorwaarden op, zoals door de reclassering is geadviseerd, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , behalve met toestemming van de gezinsvoogd, en een locatieverbod voor het grondgebied van de gehele gemeente [gemeente] . De maatregel tbs met voorwaarden en het contact- en locatieverbod zijn dadelijk uitvoerbaar en gaan dus direct gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf en maatregelen komt.
De bewezenverklaarde feiten
De bewezenverklaarde feiten vormen het eerste uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf en/of maatregel. Zoals hiervoor is gebleken, is de rechtbank tot een andere bewezenverklaring gekomen dan de officier van justitie. Voor de zware beschuldiging van mensenhandel ziet de rechtbank onvoldoende bewijs. Daarom zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Er zijn echter andere zware strafbare feiten overgebleven die de rechtbank wel bewezen heeft verklaard. Die andere zware strafbare feiten rechtvaardigen ook een stevige reactie, waaronder een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer 1] , dwang en psychische mishandeling van zijn zoon [slachtoffer 2] en het bezit van meerdere wapens, waarvan hij in ieder geval de taser ook heeft gebruikt bij de zware mishandeling van [slachtoffer 1] . In de kern kan ook worden gezegd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zware vorm van huiselijk geweld, waarvan niet alleen zijn ex-partner [slachtoffer 1] , maar ook zijn zoon [slachtoffer 2] slachtoffer is geworden.
Die zware vorm van huiselijk geweld vond met name in de weekenden plaats. Er werd dan drugs gebruikt door zowel de verdachte als [slachtoffer 1] en van die drugs kwam geweld, zo heeft de verdachte zelf verklaard. Er moest dan ook goede seks zijn van de verdachte. Als die goede seks niet kwam, moest [slachtoffer 1] daarvoor boeten. Als boetedoening heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] vele malen letterlijk bewerkt met een soldeerbout. Ook heeft hij haar veelvuldig stroomstoten gegeven met een taser. De rechtbank ziet dit als buitensporig gedrag. Door dit buitensporige gedrag heeft de verdachte [slachtoffer 1] jarenlang veel pijn toegebracht en vernederd. [slachtoffer 1] heeft daardoor ook jarenlang met gevoelens van angst in haar eigen huis gewoond.
Alhoewel de rechtbank heeft geoordeeld dat de maatstaf van mensenhandel in deze zaak niet kan worden gehaald, komt uit het dossier wel een beeld naar voren van een vrouw die zich door het geweld van de verdachte gedurende meerdere jaren binnen haar relatie onderdrukt heeft gevoeld. Ze voelde zich zo onveilig bij de verdachte, dat ze continu op haar hoede was. Soms ging ze op de gang slapen, zodat ze een goede vluchtmogelijkheid had als de verdachte haar weer zou willen aanvallen. Ook vluchtte ze soms naar buiten om aan het geweld van de verdachte te ontkomen. Door hard te schreeuwen sloeg ze alarm bij de buren.
Dit alles is zeer schadelijk voor [slachtoffer 1] geweest, zo is in haar schriftelijke slachtofferverklaring te lezen. Niet alleen heeft ze aan de mishandelingen zwaar lichamelijk letsel overgehouden, in de vorm van vele littekens over haar hele lichaam, maar ook mentaal heeft het veel met haar gedaan. Haar basisgevoel van haar veiligheid en haar eigen waarde is ze kwijtgeraakt. Ze voelt zich niet meer de persoon die ze was. Ook heeft ze een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Ze heeft last van terugkerende nachtmerries, herbelevingen en paniekaanvallen.
De zoon van de verdachte, [slachtoffer 2] , was vaak bij de mishandelingen aanwezig. Als hij niet in dezelfde ruimte was, hoorde hij wel dat er hevige ruzies gaande waren tussen zijn ouders. Dat hij zich regelmatig terugtrok op zijn kamer of ervoor zorgde dat hij juist weg was in het weekend, is veelzeggend voor de impact die het op hem moet hebben gehad. Het is schrijnend om te zien en te lezen dat [slachtoffer 2] , logischerwijs, klem is komen te zitten in deze situatie. Hij zit in een loyaliteitsconflict. Verder rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij een verkeerd voorbeeld heeft gegeven aan [slachtoffer 2] en nauwelijks erbij stil heeft gestaan hoe de hele situatie voor [slachtoffer 2] moet zijn geweest. Het kan niet anders dan dat in de door de verdachte gecreëerde situatie [slachtoffer 2] zware deuken heeft opgelopen in zijn ontwikkeling naar volwassenheid.
Zoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken
Alhoewel het moeilijk is om een zaak te vinden die soortgelijk is aan deze, heeft de rechtbank wel gekeken naar straffen die zijn opgelegd in zaken die hiermee zoveel mogelijk gelijkenissen vertonen. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen
.
Het zwaartepunt in deze zaak wordt gevormd door de zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), staat in de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden genoemd. Dit is een lage straf, afgezet tegen de in de wet geformuleerde maximale gevangenisstraf voor dit feit van 8 jaar. In uitspraken over huiselijk geweld is ook te zien dat rechtbanken aanzienlijk zwaarder straffen dan dit oriëntatiepunt.
De verdachte
Strafblad
Uit het meest recente strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de verdachte blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De veroordelingen die op zijn strafblad staan zijn vooral voor vermogensfeiten en zijn van lang geleden. Deze veroordelingen zijn dus niet van invloed op de strafoplegging.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
Over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn meerdere rapporten opgemaakt. Een psychiater van het NIFP heeft op 30 juli 2025 over de verdachte gerapporteerd. Een psycholoog van het NIFP heeft op 1 september 2025 over de verdachte gerapporteerd.
Op basis van deze rapporten, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater spreekt over een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, borderline, antisociale trekken en een stoornis in het gebruik van een amfetamineachtig middel (speed), ernstig, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. De psycholoog spreekt over een borderline persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van amfetamine. Dat zijn psychische stoornissen die volgens de deskundigen invloed hebben gehad op het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten, behalve op het wapenbezit. Daarom wordt geadviseerd om de strafbare feiten, voor zover bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, het wapenbezit daarvan weer uitgezonderd.
Dat de verdachte kampt met verschillende stoornissen, was al langer bij hem bekend. Hij heeft daarvoor ook eerder hulp gezocht. Omdat die eerdere vrijwillige hulptrajecten zijn mislukt, volgens de deskundigen door een gebrek aan openheid en motivatie, wordt geadviseerd om aan de verdachte nu een behandeling op te leggen binnen een strafrechtelijk kader. Hoewel de verdachte zegt dat hij gemotiveerd is dit keer wel vrijwillig aan behandeling mee te werken, zijn het probleembesef en ziekte-inzicht volgens de deskundigen nog steeds beperkt en neigt hij tot externalisatie. Dat verkleint de kans op succesvolle behandeling zonder duidelijke voorwaarden. De deskundigen bevelen daarom aan om aan de verdachte de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen. Een tbs met voorwaarden biedt volgens de deskundigen een stevigere stok achter de deur dan een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en vergroot de kans dat betrokkene zich aan de behandeling houdt.
De reclassering heeft vervolgens op 27 november 2025 een rapport opgemaakt en daarin advies gegeven over de voorwaarden die aan de maatregel tbs met voorwaarden kunnen worden verbonden. De reclassering heeft onder meer geadviseerd om als voorwaarde een klinische opname op te nemen, voordat de verdachte begint aan de voorwaarde die bestaat uit een ambulante behandeling. Het gebrek aan ziekte-inzicht en probleembesef heeft de reclassering als belangrijke reden hiervoor gegeven. Daarnaast heeft de reclassering - kort gezegd - geadviseerd dat de verdachte moet meewerken aan een time-out, dat hij niet naar het buitenland mag, dat hij geen drugs- en alcohol mag gebruiken en dat hij moet meewerken aan dagbesteding.
De psychiater en psycholoog hebben zich in hun latere rapporten van 17 december 2025 en 30 december 2025 bij dit advies aangesloten. Als extra motivatie voor de klinische opname hebben de deskundigen genoemd dat de kans groot wordt geschat dat de verdachte zich in een ambulante setting sociaal wenselijk zal opstellen, maar dat hij uit zicht onveranderd zijn leven en interacties met anderen zal voortzetten. Dit is extra zorgelijk gelet op de kwetsbare situatie van zijn zoon en de nieuwe relatie in zicht.
Andere persoonlijke omstandigheden
De advocaten hebben nog aangevoerd dat de verdachte zich zeer correct gedraagt in de PI en wordt gezien als een voorbeeld-gedetineerde. Ook hebben zij aangevoerd dat de verdachte in wezen een heel kwetsbaar instabiel persoon is. Hij is beschadigd in zijn jeugd en zijn stoornissen vinden daarin ook hun oorsprong.
Oplegging straf en maatregelen
Een gevangenisstraf is noodzakelijk, omdat sprake is van ernstige geweldsdelicten die de fysieke en geestelijke gezondheid van in ieder geval het slachtoffer [slachtoffer 1] ernstig heeft aangetast. Het opleggen van een ander soort straf is dan niet passend.
De rechtbank vindt strafverzwarend dat de verdachte de gewelddadige feiten gedurende een lange periode heeft gepleegd. De mishandelingen hebben zeker 8 jaar geduurd en [slachtoffer 2] is daar ook 8 jaar lang getuige van geweest. De buitensporigheid van het door de verdachte gepleegde geweld, vindt de rechtbank ook strafverzwarend. Een huiselijk geweld zaak is altijd ernstig, maar de extreem nare vorm van huiselijk geweld (intieme terreur) die in dit geval heeft plaatsgevonden, gaat het voorstellingsvermogen van velen te boven.
Een gevangenisstraf van 3 jaar zou onder deze omstandigheden passend zijn.
De rechtbank heeft echter ook gezien dat de deskundigen hebben geadviseerd om de strafbare feiten, voor zover bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, het wapenbezit daarvan uitgezonderd. De rechtbank neemt dit advies over. Dit is een strafverlagende omstandigheid.
In de overige door de advocaten aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor strafverlaging.
De rechtbank komt gelet op al het voorgaande tot de oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt hiervan afgetrokken. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank er ook rekening mee dat zij aan de verdachte nog een maatregel oplegt.
Terbeschikkingstelling met voorwaarden
De rechtbank oordeelt dat het nodig is om aan de verdachte naast de gevangenisstraf een tbs met voorwaarden op te leggen. Aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
De zware mishandeling van [slachtoffer 1] en de psychische mishandeling van [slachtoffer 2] zijn misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van 4 jaar of meer is gesteld. Voor die feiten kan tbs worden opgelegd. In de wet staat dat tbs met voorwaarden ook mogelijk is bij zulke feiten.
Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals blijkt uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog. Er is volgens de conclusie in die rapporten ook een gevaar voor herhaling van gewelddadig delictgedrag, omdat sprake is van meerdere risicofactoren en slechts een beperkt aantal beschermende factoren. De verdachte beschikt over beperkte steun en stabiliteit. Het risico op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt matig tot hoog geschat waarbij de verwachting is dat dit zich vooral in de intieme relaties voor zal doen en meer op de langere termijn. Het risico wordt versterkt door drugsgebruik, impulsiviteit en gebrekkig probleeminzicht. Daarom eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.
Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan de volgende samengevatte voorwaarden: hij mag geen strafbaar feit plegen, hij moet meewerken aan reclasseringstoezicht, hij moet meewerken aan een time-out, als de reclassering dit nodig vindt, hij mag niet naar het buitenland, hij moet meewerken aan een klinische opname, hij moet aansluitend meewerken aan ambulante behandeling, hij mag geen drugs en alcohol gebruiken en hij moet meewerken aan dagbesteding. Alhoewel de verdachte liever had gezien dat er geen klinische opname als voorwaarde was opgenomen en de advocaten ook hebben bepleit om deze voorwaarde te laten vallen, heeft de verdachte verklaard dat hij wel bereid is deze voorwaarden na te leven. De rechtbank acht deze voorwaarde noodzakelijk, gelet op de motivering die de deskundigen daarvoor hebben gegeven.
Vanwege het herhalingsgevaar is het ook noodzakelijk dat de voorwaarden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat
.Daarom bepaalt de rechtbank dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank legt de tbs op omdat de verdachte met de zware mishandeling van [slachtoffer 1] en de psychische mishandeling van [slachtoffer 2] misdrijven heeft gepleegd die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Als de tbs met voorwaarden wordt omgezet in een tbs met dwangverpleging, kan de dwangverpleging daarom langer duren dan vier jaar.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
De rechtbank legt aan de verdachte een contactverbod en een gebiedsverbod op. Dit is nodig om het plegen van nieuwe strafbare feiten door de verdachte te voorkomen. Deze vrijheidsbeperkende maatregelen duren 5 jaar en houden het volgende in:
  • een gebiedsverbod voor het grondgebied van de gehele gemeente [gemeente] ;
  • een contactverbod met [slachtoffer 1] , geboren op [1974] in [geboorteplaats] , behoudens via een advocaat / mediator over de afwikkeling van beëindiging van hun relatie en over het vaststellen van een omgangsregeling met hun zoon;
  • een contactverbod met [slachtoffer 2] , geboren op [2011] , behoudens met toestemming van de gezinsvoogd.
De rechtbank acht ook het contactverbod met [slachtoffer 2] noodzakelijk om het plegen van nieuwe strafbare feiten door de verdachte te voorkomen en om [slachtoffer 2] voldoende te beschermen. De ondertoezichtstelling van [slachtoffer 2] alleen is hiervoor onvoldoende. Met de uitzondering die de rechtbank op het contactverbod heeft gemaakt, bestaat er voor de verdachte toch een mogelijkheid om de ontwikkelingen van zijn zoon te volgen.
Iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, kan hij in hechtenis worden genomen voor een periode van twee weken. In totaal kan dit maximaal zes maanden duren. Ook als deze hechtenis wordt opgelegd, blijft het contact- en locatieverbod gelden.
Het is belangrijk dat het contact- en locatieverbod meteen na de uitspraak gaat gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank houdt er immers ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan of zich belastend gedraagt jegens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] .

8.Beslag

Onder de verdachte zijn gedurende het onderzoek meerdere voorwerpen in beslag genomen. Over één van die voorwerpen, een boksbeugel, omschreven als een slagwapen met goednummer PL0900-2025036760-3477564, moet de rechtbank nog een beslissing nemen.
8.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om het slagwapen te onttrekken aan het verkeer.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaten laten de beslissing over het slagwapen aan de rechtbank over.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist dat het slagwapen met nummer PL0900-2025036760-3477564 moet worden onttrokken aan het verkeer. Dit betekent dat dit voorwerp wordt vernietigd. De rechtbank neemt deze beslissing omdat het in strijd zou zijn met de wet als dit voorwerp weer in de samenleving terecht zou komen.
Onttrekking aan het verkeer is mogelijk, omdat de verdachte feit 6, het voorhanden hebben van diverse wapens, met betrekking tot onder andere dit slagwapen, de boksbeugel, heeft gepleegd.
Op de beslaglijst met voorwerpen waarover de rechtbank nog een beslissing moet nemen staat ook een telefoon van het merk Samsung met goednummer PL0900-20250367600-3477444. De officier van justitie heeft op de zitting toegezegd dat zij deze telefoon zal teruggeven aan de verdachte. De rechtbank merkt dit aan als een last tot teruggave van de officier van justitie, zodat een beslagbeslissing van de rechtbank over dit voorwerp niet meer nodig is.

9.Vordering benadeelde partij

9.1.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 en 2)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 materiële en voor de feiten 1 en 2 immateriële schade moet vergoeden die hij met deze strafbare feiten bij haar heeft veroorzaakt, met de wettelijke rente. De materiële schade bedraagt € 38.747,23 en de immateriële schade bedraagt € 35.000,00. Ook heeft [slachtoffer 1] gevorderd dat de rechtbank hiervoor de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte oplegt.
9.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 1] in zijn geheel kan worden toegewezen, op de wijze zoals verzocht.
9.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaten stellen zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat zij vrijspraak hebben bepleit van de feiten waardoor [slachtoffer 1] de schade zouden opgelopen.
Subsidiair stellen zij zich voor de materiële schade op het standpunt dat de beoordeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dat deel van haar vordering.
Voor de gevorderde immateriële schade stellen zij zich subsidiair op het standpunt dat dit bedrag sterk moet worden gematigd.
9.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade (feit 1)
De rechtbank stelt vast dat de gevorderde materiële schade een gevolg zou zijn van feit 1, de mensenhandel. De verdachte wordt vrijgesproken van dit feit. De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering.
Immateriële schade (feit 2)
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit, de langdurige zware mishandeling, geestelijk letsel heeft opgelopen. Zoals in de strafmotivering al verwoord, is zij haar basisgevoel van haar veiligheid en haar eigen waarde kwijtgeraakt. Ze voelt zich niet meer de persoon die ze was. Ook heeft ze een post traumatische stressstoornis opgelopen. Ze heeft last van terugkerende nachtmerries, herbelevingen en paniekaanvallen.
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd, maar zij zal de aard van het lichamelijk letsel ook als grondslag betrekken. Vergoeding van immateriële schade is namelijk op grond van art. 6:106 sub b BW Pro ook mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarvan is in deze zaak zonder meer sprake. De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft immers een grote hoeveelheid littekens opgelopen door de zware mishandeling door de verdachte, feit 2.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
In deze zaak plaatst de rechtbank het lichamelijk letsel van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de categorie middelzware littekenvorming van de Rotterdamse schaal. Het geestelijk letsel van de benadeelde partij [slachtoffer 1] plaatst de rechtbank in de categorie posttraumatische stressstoornis, ook de middelzware vorm. Beide categorieën hanteren een bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,-. De rechtbank neemt de in deze categorieën genoemde bandbreedte tot uitgangspunt. Gelet op de context waarbinnen het geweld heeft plaatsgevonden, een eerder beschreven ernstige vorm van huiselijk geweld, ziet de rechtbank aanleiding om de immateriële schade te begroten op een bedrag dat bovenin de hiervoor genoemde bandbreedte zit, namelijk op een bedrag van € 15.000,-.
De rechtbank wijst daarnaast de wettelijke rente toe. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden. Daarom zal de rechtbank de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van die periode, dus op 17 januari 2021.
De rechtbank legt aan de verdachte ten slotte de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De schadevergoedingsmaatregel ziet op het toegewezen schadebedrag met de wettelijke rente.
Als de verdachte niet betaalt, kan de staat hem in totaal maximaal 100 dagen gijzelen. Dat verandert niets aan de betalingsverplichting van de verdachte.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op € 0.
9.5.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 4 en 5)
De benadeelde partij [slachtoffer 2] , [slachtoffer 2] , heeft zich weliswaar als benadeelde partij gesteld en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van door de verdachte gepleegde strafbare feiten, maar hij heeft geen concreet bedrag aan schade gevorderd. Dat geldt zowel voor de geleden materiële schade als voor de geleden immateriële schade. De vordering is niet bedoeld om op dit moment een schadebedrag te laten begroten door de rechtbank. De vordering is ingediend met als doel om de verjaring te stuiten, zodat [slachtoffer 2] de mogelijkheid houdt om in de toekomst alsnog eventuele schade te vorderen in een civielrechtelijke procedure. De bijzonder curator van [slachtoffer 2] heeft als toelichting op deze vordering op de zitting nog gemeld dat de schade van [slachtoffer 2] op dit moment nog onvoldoende bepaalbaar is.
9.6.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
9.7.
Standpunt van de verdediging
De advocaten hebben de beslissing op de vordering van [slachtoffer 2] aan de rechtbank overgelaten.
9.8.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft 2 feiten bewezenverklaard waarvan [slachtoffer 2] slachtoffer is geworden, namelijk dwang van [slachtoffer 2] (feit 4) en psychische mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 5). De rechtbank stelt echter vast dat de schade die [slachtoffer 2] ten gevolge van deze feiten mogelijk heeft opgelopen, op dit moment nog onvoldoende bepaalbaar is. De rechtbank zal [slachtoffer 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Daarmee behoudt hij de mogelijkheid om in de toekomst een vordering tot schadevergoeding in te dienen bij de civiele rechter.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In de omstandigheid dat de verdachte de vader is van [slachtoffer 2] ziet de rechtbank echter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat houdt in dat de verdachte en [slachtoffer 2] ieder hun eigen kosten dragen.

10.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregelen en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 55, 57, 284, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.De beslissing

De rechtbank:
beslissingen op voorvragen
- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
vrijspraak
- verklaart feit 1 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 heeft gepleegd, zoals hierboven in hoofdstuk 5 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in hoofdstuk 6 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregelen
gevangenisstraf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, van de gevangenisstraf wordt afgetrokken;

tbs met voorwaarden

- beveelt dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de volgende voorwaarden:
 De verdachte verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan.
Geen strafbaar feit plegen
 De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
 De verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
 De verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen.
 De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
 De verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
 De verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
 De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
 De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
 De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
Meewerken aan time-out
 Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar.
Niet naar het buitenland
 De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Opname in een zorginstelling
 De verdachte laat zich opnemen in een klinische instelling, te weten een Forensisch Psychiatrisch Kliniek (FPK) of Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo snel als mogelijk aansluitend op de detentie. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling
 De verdachte laat zich behandelen door een nader te noemen instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Drugsverbod
 De verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod
 De verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Dagbesteding
 De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
  • geeft aan de reclassering de opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
  • beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
- legt de verdachte voor de feiten 2, 4 en 5 op de
maatregel tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar, welkemaatregel inhoudt dat de verdachte:
1. zich niet bevindt in het grondgebied van de gehele gemeente [gemeente] ;
2. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [1974] in [geboorteplaats] , behoudens via een advocaat / mediator over de afwikkeling van beëindiging van hun relatie en over het vaststellen van een omgangsregeling met hun zoon;
2b. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 2] , geboren op [2011] , behoudens met toestemming van de gezinsvoogd;
  • bepaalt dat de verdachte 2 weken vervangende hechtenis moet ondergaan voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van 6 maanden;
  • beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
beslag (feit 6)
- onttrekt voor feit 6 aan het verkeer: een slagwapen met goednummer PL0900-2025036760-3477564;
vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2)
  • wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor materiële schade van feit 1;
  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] ook voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade voor feit 2 niet-ontvankelijk in de vordering;
  • legt aan de verdachte voor feit 2
  • bepaalt dat als volledig verhaal niet mogelijk blijkt, de verdachte kan worden
  • veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten om dit vonnis ten uitvoer te leggen;
benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 4 en 5)
  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feiten 4 en 5);
  • bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • compenseert de door de verdachte en de banadeelde partij gemaakte proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. J.F. Haeck en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Raedts als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Mr. Haeck is niet in de gelegenheid om dit vonnis mee te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 4 februari
2025 te Oudewater, in elk geval in Nederland,
een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] ,
(telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door
dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing,
fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke
omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een
kwetsbare positie,
(telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of
opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en/of
(telken) die [slachtoffer 1] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te
stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die
omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan
verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich
daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of
diensten (sub 4°) en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die
[slachtoffer 1] , (sub 6°),
bestaande uit:
- het (voortdurend) onder controle en/of onder toezicht houden van die
[slachtoffer 1] en/of
- het (voortdurend) onder druk zetten van die [slachtoffer 1] en/of contact houden
met die [slachtoffer 1] en/of het onder druk zetten van Die [slachtoffer 1] om veelvuldig (en
voortdurend) contact te houden met verdachte en/of haar locatie te
delen en/of
- het (voortdurend) instructies geven aan die [slachtoffer 1] wat zij die dag en dat
uur moest doen en/of
- het isoleren van die [slachtoffer 1] door haar alle contact met familie, vrienden,
kennissen en collega’s te laten verbreken en haar te verbieden contact te
hebben met bijvoorbeeld de buren en/of
- het ontzeggen van het contact met haar (vier) kinderen en/of haar
toestemming geven die kinderen te zien indien zij voor een goed
weekend heeft gezorgd en/of vervolgens die weekenden nooit goed
genoeg vinden en/of
- het afpakken en opbergen van (onder andere) de bankpas(sen) en/of
het rijbewijs en/of de ID-kaart en/of geld van die [slachtoffer 1] en/of
- het beheren van de bankrekening van die [slachtoffer 1] en/of
- die [slachtoffer 1] te dwingen wakker te blijven en/of
- die [slachtoffer 1] te dwingen op de grond en/of in de gang te slapen en/of
- die [slachtoffer 1] te verbieden om te eten en/of te drinken en/of
- die [slachtoffer 1] in de tuin, buiten de woning, te sluiten (in de regen en/of
zonder schoenen) en/of
- de spullen van die [slachtoffer 1] te vernielen en/of
- het veelvuldig zich op agressieve en/of boze en/of schreeuwende of
anderszins dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon of
wijze uiten tegen die [slachtoffer 1] en/of
- het dreigen die [slachtoffer 1] af te maken en/of
- het vast binden van die [slachtoffer 1] (met tiewraps) en/of
- het veelvuldig (met kracht) mishandelen van die [slachtoffer 1] door met een taser
op het been en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te zetten en/of
met voornoemde taser een stroomstoot te geven en/of door met een
mes in het lichaam van die [slachtoffer 1] te prikken en/of door haar te slaan en/of
te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of
hierbij een boksbeugel te gebruiken en/of het schieten van rubberen
balletjes op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] met
een soldeerbout branden en/of slaan, althans bewerken en/of de keel
van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of dicht geknepen te houden en daarbij
de woorden toe te voegen: 'ga dood, ga dood', althans woorden van
gelijke aard en/of strekking en/of
- het veelvuldig bedreigen van die [slachtoffer 1] met voormelde (en andere)
mishandelingen en/of marteling en/of met de dood en/of
- deze mishandelingen en/of bedreigingen uit te voeren in onder andere
de slaapkamer van hun zoon, [slachtoffer 2] , rond bedtijd, waardoor die [slachtoffer 1]
haar zoon niet meer durfde in te stoppen,
- het mishandelen van die [slachtoffer 1] door een taser in de vagina van die [slachtoffer 1] te
brengen en/of te houden en/of een stroomstoot te geven terwijl die taser
in de vagina van die [slachtoffer 1] zit en/of
- het verplichten van die [slachtoffer 1] tot het terugbetalen van vakanties en het
aangaan andere financiële verplichten en/of
- het ‘valselijk’ voorhouden van rustige weekends terwijl die nooit zullen
gaan plaatsvinden,
waardoor die [slachtoffer 1] in een situatie is gebracht van gedwongen
dienstverlening en/of dienstbaarheid en/of van slavernij en met slavernij
te vergelijken praktijken (= uitbuiting zoals bedoeld in artikel 273f lid 2
Sr) bestaande uit:
- het ondergaan lijfstraffen en/of
- het ondergaan van seksuele activiteiten en/of als deze seksuele niet
naar wens waren , het ondergaan van 'straf', inhoudende voornoemde
lijfstraffen en/of mishandelingen en/of martelingen en/of
- het (volledig) beschikbaar moeten stellen van haar rekening en/of het
afstand doen van haar vermogen/aandeel in de woning
en/of
ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;
Feit 2
in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 te Oudewater, in
elk geval in Nederland,
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere littekens, heeft
toegebracht door
- meermaals (met kracht) op het lijf van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen, en daardoor de
ribben van die [slachtoffer 1] te breken,
- een taser op het been en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te zetten en/of met
voornoemde taser een stroomstoot te geven en/of
- een taser in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen en/of te houden en/of een stroomstoot te
geven terwijl die taser in de vagina van die [slachtoffer 1] zit en/of
- met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 1] te prikken en/of
- die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam
en/of hierbij een boksbeugel te gebruiken en/of
- het schieten van rubberen balletjes op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- het lichaam van die [slachtoffer 1] met een soldeerbout branden en/of slaan, althans bewerken
en/of
- de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of dicht geknepen te houden;
Feit 3
op of omstreeks 4 februari 2025 te Oudewater, in elk geval in
Nederland, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een of
meerdere gasdrukwapen(s) en/of een airsoftwapen, zijnde een voorwerp
dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis
vertoonde met een bestaand vuurwapen, voorhanden heeft gehad;
Feit 4
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 te Oudewater, in
elk geval in Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer 2] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige
andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten [slachtoffer 1] ,
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten
- het aankijken hoe zijn moeder, [slachtoffer 1] werd geslagen en/of getaserd en/of getrapt,
althans mishandeld, en/of
- het niet mogen eten en/of drinken in huis en/of
- het uitzetten van de stroom en daardoor die [slachtoffer 2] te laten leven in een huis zonder stroom op momenten dat die [slachtoffer 2] dit wel nodig had
en/of
- het verbieden om naar bed te gaan en/of te gaan slapen,
door
- rond bedtijd naar de slaapkamer van die [slachtoffer 2] te gaan en/of die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2]
te dwingen mee tekomen en/of die [slachtoffer 1] daar te mishandelen en/of
- die [slachtoffer 2] te verbieden eten of drinken te pakken in huis en wanneer hij dat wel
probeerde de koelkast/deur van de kast dicht te gooien en/of
- de stroom in de woning waar die [slachtoffer 2] verbleef, uit te zetten zodat die [slachtoffer 2]
naar beneden kwam om mee te praten over de ruzie tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer 1]
en/of
- tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij beneden moest blijven en als hij naar boven wilde
komen eerst te praten over wat die [slachtoffer 1] fout had gedaan en hoe ze dat zouden oplossen;
Feit 5
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 februari 2025 te Oudewater,
in elk geval in Nederland,
zijn kind, [slachtoffer 2] ,
(psychisch) heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2] te dwingen te kijken naar hoe hij, verdachte, [slachtoffer 1] mishandelde en/of
- die [slachtoffer 2] aan te moedigen/op te jutten zijn moeder, [slachtoffer 1] , aan te vallen/geweld te
gebruiken op het moment dat die [slachtoffer 2] al gefrustreerd was en/of
- die [slachtoffer 2] aan te moedigen aan hem, verdachte, te vertellen als zijn moeder, [slachtoffer 1] ,
zich niet aan zijn regels hield;
Feit 6
op of omstreeks 31 januari 2025 te Oudewater, in elk geval in
Nederland,
- een of meerdere wapens, te weten drie, van categorie I, onder 7° van de
Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en
Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van
personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze
voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool
en/of
- een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te
weten een taser,
zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot
personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden
toegebracht, en/of
- een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en
munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft
gedragen
- een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te
weten een stiletto/valmes/vlindermes,
voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Feit 2, zware mishandeling
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 4 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Hoe ziet jullie thuissituatie eruit?
A: Ik woon samen met mijn partner [verdachte] aan de [adres] in [woonplaats] . [2]
V: Wat zijn de incidenten geweest waarover je wil verklaren?
A: Afgelopen weekend heeft [verdachte] een taser op mijn been gezet.
V: Wat gebeurde er toen die op je been werd gezegd. Wat hoorde je of zag je?
A: Nou gewoon een stroomstoot. [3]
De afgelopen 3 jaar is het elk weekend wel zo of soms erger.
Het taseren gebeurde regelmatig.
V: Wat nog meer:
A:
De soldeerbout. Die heeft hij op mijn armen en benen gedaan. Hij heeft geprobeerd zijn naam ermee te zetten ook. Het is niet echt gelukt. Niet alles is blijven staan als litteken zeg maar. [4]
A:
Hij liet de soldeerbout eerst opwarmen en dan is dat ding warm en dan gaat hij mij bewerken. [5]
Ik heb heel veel littekens van het taseren. Dit geeft brandpuntjes. De soldeerbout gaf me veel littekens. [6]
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 21 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: En over welke periode hebben we het nu?
A: De weekenden dat ik het goed moest doen, dat is echt al heel lang geleden. Ik denk dat het zeker wel een jaar of zeven, acht geleden is. [7]
Zijn reactie erop, dat het fout ging, werd steeds extremer. Hij ging met de taser mijn hele lichaam van boven naar beneden af. [8]
Met de soldeerbout is hij op mijn armen begonnen en op een gegeven moment is hij gewoon van beneden, van m’n onderbeen via m’n bovenbeen naar m’n rug gegaan. Er zitten overal strepen op. [9]
Je ziet gewoon overal littekens zitten. Gelukkig kan ik mijn rug niet zien. Het zit niet alleen op mijn rug natuurlijk. [10]
Een letselrapport Forensische Geneeskunde van de GGD van 4 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een letselonderzoek van [slachtoffer 1] van 4 februari 2025.
Verwachting blijvende schade: ja [11]
Toelichting: littekens blijven zichtbaar.
Samenvatting gemelde toedracht:
Betrokkene geeft aan mishandeld te zijn met een soldeerbout op
verschillende tijdstippen.
Betrokkene geeft aan getaserd te zijn op verschillende tijdstippen.
Betrokkene geeft aan beschoten te zijn met bb gun.
Betrokkene geeft aan dat verdachte haar met een mes prikte over
heel haar lichaam.
De gemelde toedracht past goed bij het letsel. [12]
Een selectie van de beschrijving van de letsels:
- Beschrijving letsel rug: litteken
Op rug ter hoogte van rechterschouderblad meerdere scherpbegrensde
langwerpige ovale bruinrode huidverkleuringen. Ze liggen in een
diagonale lijn van midden rechterschouderblad tot op rechter
schouder. De onderste huidverkleuring heeft een lengte van ongeveer
5cm en breedte van 0,5 cm. De randen hebben een donkere
verkleuring. De andere huidverkleuringen variëren van ongeveer 1
cm tot 2 cm.
Betrokkene geeft aan dat ze met een warme soldeerbout is mishandeld. [13]
- Beschrijving letsel rug: litteken
Op rechterzijde onderrug bijna op rechterflank 2 boven elkaar
liggende matig tot scherp begrensde wat ovale bleke huidverkleuring
met een dunne roodroze rand. De onderste heeft een diameter van
ongeveer 0,2 cm en de bovenste ongeveer 0,3 cm. De afstand tussen
beide kernen is ongeveer 0,5 cm.
Op de flank op ongeveer dezelfde hoogte als de hierboven genoemde
huidverkleuring een ovale redelijk scherp begrensde bleke
huidverkleuring met een breedte van ongeveer 0,5 cm en een hoogte
van ongeveer 0,2 cm.
Betrokkene geeft aan getaserd te zijn. [14]
- Beschrijving letsel romp: litteken
Op linkerflank, enkele cm boven heuphoogte, twee tegen elkaar
liggende ronde bleke huidverkleuringen met een dunne roodroze rand.
De huidverkleuringen hebben een diameter van ongeveer 0,2 cm en
de kernen liggen ongeveer 0,5 cm uit elkaar.
Betrokkene geeft aan getaserd te zijn. [15]
- Beschrijving letsel rechterarm: litteken
Op buitenzijde rechterarm op overgang bovenarm/ onderarm een in
de lengte van de arm langwerpige matig begrensde huidverkleuring
van ongeveer 5,0 cm. Op de bovenarm is deze matig begrensd en
ongeveer 2,5 cm in lengte en ongeveer 0,2 cm breed en bruinrood
van kleur. Op de onderarm is deze ongeveer 2,5 cm in lengte en
ongeveer 0,4 cm breed. Centraal is er een roze verkleuring en heeft
het een donkerroodroze grillig gevormde rand.
Betrokkene geeft aan mishandeld te zijn met een warme soldeerbout. [16]
- Beschrijving letsel linkerarm: litteken
Op buitenzijde linkerbovenarm op ongeveer 1/3 van
schouder/elleboog 2 ronde bleke redelijk scherp begrensde
huidverkleuringen. De randen zijn rood van kleur. De
huidverkleuringen hebben een diameter van ongeveer 0.3 cm en de
kernen liggen ongeveer 0,5 cm uit elkaar.
Betrokkene zegt getaserd te zijn. [17]
- Beschrijving letsel linkerbeen: litteken
Op binnenzijde linkeronderbeen op ongeveer 1/2 van knie/enkel een
diagonaal lopende lichtkleurige wat gebogen huidverkleuring met
bruinrode randen van ongeveer 6 cm in lengte.
Betrokkene zegt mishandeld te zijn met een warme soldeerbout. [18]
- Beschrijving letsel linkerbeen: litteken
Op voorzijde linkerbovenbeen zijn er 2 boven elkaar liggende ronde
lichtkleurige huidverkleuringen zichtbaar met een diameter van
ongeveer 0,3 cm. De ronde huidafwijkingen liggen ongeveer 1,0 cm
uit elkaar.
Betrokkene zegt getaserd te zijn. [19]
- Beschrijving letsel rechterbeen: litteken
Op voorzijde rechterbovenbeen meerdere in breedte variërende
roodbruine huidverkleuringen.
Betrokkene zegt mishandeld te zijn met een warme soldeerbout, waarbij de verdachte heeft geprobeerd zijn naam te schrijven. [20]
- Beschrijving letsel rechterbeen: litteken
Op buitenzijde rechter bovenbeen 3 boven elkaar liggende vertikale
bruinrode huidverkleuringen. de bovenste is ongeveer 2,0 cm lang en
0,3 cm breed. De middelste i ongeveer 1,5 cm lang en 0,2 cm breed.
Aan de bovenkant loopt een 0,1 cm brede bruinrode diagonale
huidverkleuring van ongeveer 1,0 cm. De onderste is wat minder
goed zichtbaar, ongeveer 1,0 cm lang en 0,2 cm breed.
Betrokkene zegt mishandeld te zijn met een warme soldeerbout. [21]
Een proces-verbaal forensisch onderzoek personen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 4 februari 2025 heb ik slachtoffer [slachtoffer 1] fotografisch vastgelegd. Ik zag op de voorzijde van het rechter bovenbeen rode verkleuringen van de huid. Ik zag dat de verkleuringen in de vorm van letters waren. Ik herkende de letters 'A' en 'S’! (foto 15 en 16). De letter B
was niet zichtbaar. [22]
Een proces-verbaal van politie, doorzoeking woning [adres] in [woonplaats] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, was op 4 februari 2025 ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik heb de woning betreden en doorzocht.
Locaties aangetroffen goederen:
- taser/stroomwapen aangetroffen op het bed in slaapkamer; [23]
  • soldeerbout aangetroffen in bovenste lade van het nachtkastje aan linkerzijde van
  • het tweepersoons bed.
Een proces-verbaal van politie, digitaal onderzoek – Samsung A14 […] – goednummer 3477444, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 4 februari 2025 werd [verdachte] in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangehouden. Na de aanhouding van [verdachte] werd onder andere zijn telefoon, een Samsung Galaxy A14, in beslag genomen. Er werd een gedaan naar de chatgesprekken tussen [verdachte] (de verdachte) en [slachtoffer 1] . [25]
Liefie 1 (= [slachtoffer 1] )
12 april 2021, 13:28:26 uur: Schat ik wil ervoor boeten van mij mag je me elke avond als herinnering een keer de shocker geven en anders weet ik het ook niet xxxxx. [26]
Liefie 1
18 juli 2024, 13:49:34 uur: Zet je naam met de soldeer ergens op mijn lichaam en (drie emoji’s van hartjes). [27]
Een proces-verbaal van politie, Teliotap [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 februari 2025 werd verdachte [verdachte] geplaatst in de penitentiaire inrichting te [plaats] . De communicatie van het TULP nummer [telefoonnummer] werd vastgelegd. [28] De gebruiker van het genoemde nummer is zeer waarschijnlijk: [verdachte] . [29]
Datum en tijd: 21-02-2025 07:49:24 uur
Sessienummer: 80
Beller (verdachte [verdachte] ) belt [A]
00:01:04
[verdachte] : Weet je nog die ene brief die jij mij toen had geschreven, toen [B] die shocker aan mij had verkocht?
00:01:20
[verdachte] : Je had toen toch een brief naar mij toen geschreven, dat geweld niet werkt en al die dingen?
[verdachte] : Ja, nou ja, die hebben ze dus ook gevonden. Die heb ik gisteren voor mijn neus gekregen. [30]
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 6 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Voorgaande jaren bestonden de ruzies tussen [slachtoffer 1] en mij alleen maar uit discussie. Het was trekken en douwen. De laatste jaren gaat het tegen elkaar opgroeien. Op een moment klapt de bom. [31]
Ik greep haar een keer bij de keel. [32]
V: U verklaarde zelf ook wel eens te ontploffen. Is zo’n ontploffing fysiek bij jou?
A: Als ze triggert, vliegen we elkaar aan. [33]
V: Wij lezen in de aangifte dat [slachtoffer 1] verklaart dat zij moet boeten voor dingen en dat je haar daarom mishandelt.
A: Ze doet mij geestelijk pijn, niet lichamelijk, dus dat is dan hetzelfde. Voor mij is het gewoon als je mijn weekend verpest moet je dit goed maken. [34]
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 10 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wat had anders gemoeten?
A: [slachtoffer 1] en ik hadden gewoon nooit in een ruzie tegenover elkaar moeten staan. Maar drugs haalt het slechtste in je naar boven.
V: In welke zin brengen die drugs ellende?
A: Qua geweld denk ik. [35]
V: Wat was het effect als jullie teveel drugs namen?
A: Dan ontstond er ruzie
.En dan vielen er klappen. Links en rechts. Zij en ik deelden de klappen uit. [36]
V: Wat voor geweld gebruikte je tegen [slachtoffer 1] ?
A: Trekken, duwen, haar ribben gebroken, wat nog meer. Misschien één keer, denk ik, een blauw. [37] Die boksbeugel heb ik één keer in een vechtpartij tussen ons gebruikt. [38]
Feit 3, het bezit van meerdere gasdrukwapens (opsomming bewijsmiddelen)
Een proces-verbaal van politie, doorzoeking woning [adres] in [woonplaats] [39]
Een proces-verbaal van politie, voor-categorisering wapens [40]
De bekennende verklaring van de verdachte op de zitting
Feiten 4 en 5, dwang en psychische mishandeling van [slachtoffer 2]
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 4 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb samen met [verdachte] een zoon [slachtoffer 2] . [41]
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 20 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 2] is in 2011 geboren. [42] Toen [slachtoffer 2] een jaar of 6 was, is er een moment gekomen dat hij hem er een keer bewust tussen heeft gezet. Toen is er een periode geweest dat hij ging ruzie maken vlak voordat [slachtoffer 2] naar bed moest. En zo is [slachtoffer 2] er stukje bij beetje elke keer tussen komen te staan. [43]
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 1 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vooral de laatste jaren heeft [slachtoffer 2] veel van de ruzies meegekregen. Als ik [slachtoffer 2] naar bed wilde brengen, liet hij echt duidelijk merken dat we ruzie hadden. Ik stond dan op zijn kamer dus en toen kreeg ik de boete, dat was dan meer wel slaan, ook met een boksbeugel, en dan kreeg ik dat op [slachtoffer 2] ’s kamer, waar [slachtoffer 2] bij zat. [44]
Hij heeft me ook wel eens laten boeten in de woonkamer. Dan moesten [slachtoffer 2] en ik allebei op de bank gaan zitten. En dan pakte hij vaak de boksbeugel erbij en dat sloeg hij mij op mijn benen of mijn arm. [45]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 25 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vanaf 6, 7 jaar wordt het een soort gewoonte dat mijn ouders ruzie hebben. Ik zag soms, nou ja soms, dat ze elkaar slaan. [46] Ik heb wel eens gehad dat ik beneden kwam, dat m’n vader een klap uitdeelde. Het gebeurde sinds m’n zevende.
V: Wat is een klap?
A: Een schop tegen het been, of een klap hier (wijst op arm). [47]
V: Wat voor klap was dat:
A: Die klap op de arm was met een vuist. Of een schop, op het onderbeen. [48]
De verklaring van de verdachte op de zitting van 3 maart 2026:
Het klopt dat [slachtoffer 2] vaak tussen de ruzies van mij en [slachtoffer 1] door heeft gelopen. Ik wist dan wel dat hij thuis was. Het klopt dat we hem het slechtste voorbeeld hebben gegeven.
Feit 6, het bezit van diverse wapens (opsomming bewijsmiddelen)
Een proces-verbaal van politie, doorzoeking woning [adres] in [woonplaats] . [49]
Een proces-verbaal van politie, voor-categorisering wapens [50]
De bekennende verklaring van de verdachte op de zitting