ECLI:NL:RBMNE:2026:1298

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/16/607120 / KL ZA 26-46
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.M.H. Steenberghe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot wijziging verdeling werkruimtes huisartsenpraktijken wegens gebrek aan spoedeisend belang

Partijen exploiteren elk een eigen huisartsenpraktijk in hetzelfde pand sinds 1 april 2025, na beëindiging van een kostenmaatschap. Eiser vordert een andere, meer gelijkwaardige verdeling van de werkruimtes, omdat gedaagde volgens hem de beste en meeste ruimtes gebruikt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser onvoldoende spoedeisend belang heeft. Het huurrecht behoort nog tot het onverdeelde vermogen van de voormalige maatschap en de verdeling daarvan is onderwerp van een lopende procedure. De huidige situatie is niet ideaal voor eiser, maar er is geen concrete aanwijzing dat de patiëntenzorg in gevaar is.

Daarom wordt de vordering afgewezen en moet eiser de proceskosten van gedaagde betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot wijziging van de verdeling van werkruimtes wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/607120 / KL ZA 26-46
Vonnis in kort geding van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [eiser c.s.] ,
advocaat: mr. L.E. Huard en mr. M. el Morabet,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde c.s.] ,
advocaat: mr. J. Keekstra.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en producties 1 t/m 17,
- de conclusie van antwoord en producties 1 t/m 12,
- de pleitnota van [eiser c.s.] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 1 april 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

Partijen exploiteren vanaf 1 april 2025 ieder een eigen huisartsenpraktijk in het pand aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Vóór 1 april 2025 werkten zij samen in een tussen hen bestaande kostenmaatschap. Zij zijn via [bedrijf] BV ieder voor 50% eigenaar van het pand. Met ingang van 1 april 2025 is de maatschap geëindigd. De financiële afwikkeling en verdeling daarvan zij onderwerpen van een juridische procedure. Voorheen was het personeel van partijen in dienst van de maatschap. Thans is het personeel bij [eiser c.s.] en [gedaagde c.s.] afzonderlijk in dienst. Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de werkruimtes of kamers in het pand. Volgens [eiser c.s.] heeft [gedaagde c.s.] ten onrechte de meeste en de beste ruimtes in gebruik. Hij vindt dat hij recht heeft op een andere, meer gelijkwaardigere, verdeling van de werkruimtes en vordert dat [gedaagde c.s.] gehouden is een andere indeling te accepteren. [eiser c.s.] krijgt in deze procedure ongelijk en [gedaagde c.s.] hoeft niet mee te werken aan een wijziging in de verdeling van de ruimtes.

3.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
3.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is nodig dat eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[eiser c.s.] heeft onvoldoende spoedeisend belang
3.2.
[eiser c.s.] voert aan dat de beschikbare ruimtes op basis van gelijkwaardigheid over beide huisartsenpraktijken verdeeld moeten worden. Hij baseert dat op zijn positie als huurder, als deelgenoot van een nog onverdeelde gemeenschap en op de redelijkheid en billijkheid.
3.3.
Het feit dat [gedaagde c.s.] en [eiser c.s.] ieder voor vijftig procent eigenaar zijn van het pand betekent niet dat hen afzonderlijk de helft van het huurrecht, en het daarmee overeenstemmende gebruik van het pand, toekomt. Het is namelijk de maatschap die het pand huurt. Vanaf de beëindiging van de kostenmaatschap wordt er door [eiser c.s.] en [gedaagde c.s.] geen huur betaald. Dit betekent dat [eiser c.s.] zelf geen rechten kan ontlenen aan een huurovereenkomst met [bedrijf] B.V.
3.4.
Het huur- en het daarmee overeenstemmende gebruiksrecht van het pand behoren nog tot het onverdeelde vermogen van de maatschap. De verdeling van (onder meer) dat recht is onderdeel van geschil. Omdat daarover reeds een procedure loopt, is het niet aan de voorzieningenrechter om vast te stellen op welke wijze dat recht al dan niet tijdelijk verdeeld moet worden. Dat geldt ook voor zover [eiser c.s.] zijn vordering op de redelijkheid en billijkheid heeft gebaseerd. Die grondslag is immers niet is los te zien van de rechtsverhouding die na de beëindiging van de maatschap nog tussen partijen bestaat.
3.5.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de verdeling van de kamers verband houdt met de overname van het personeel door [eiser c.s.] en [gedaagde c.s.] afzonderlijk. In de huidige situatie kunnen [gedaagde c.s.] en [eiser c.s.] ieder hun personeel werkruimtes bieden, zij hebben beiden een deel van de receptie en een eigen spreek en -behandelkamer. Het personeel is na de beëindiging van de maatschap en de afzonderlijke indiensttreding bij [eiser c.s.] of [gedaagde c.s.] niet van werkkamer veranderd. Wat dat betreft is er dus geen sprake van een ongelijkwaardige situatie en zeker niet in een mate die met spoed noopt tot een andere verdeling van de werkruimtes. Wellicht is de huidige situatie voor [eiser c.s.] niet ideaal vanuit praktisch oogpunt omdat hij meer heen en weer moet lopen, zijn voorraadkasten in de kamer van de coassistent staan en het in de toekomst lastig zal blijken nieuw personeel een werkruime te bieden. Maar, een indeling die meer tegemoetkomt aan zijn praktische en toekomstige belangen levert geen dringende noodzaak op tot wijziging van de huidige kamerindeling.
3.6.
[eiser c.s.] heeft ter onderbouwing van zijn belang ook gesteld dat door de huidige kamerindeling de zorg voor zijn patiënten in gevaar is of dreigt te komen. De aannemelijkheid van dit belang heeft [eiser c.s.] onvoldoende met concrete feiten onderbouwd. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat er zich geen incidenten hebben voorgedaan waarbij de patiëntenzorg in gevaar is gekomen of dreigde te komen. [eiser c.s.] heeft er op gewezen dat dat te danken is aan zijn inzet. Dit kan hem niet baten. Ter onderbouwing van zijn belang had hij minstens een concreet voorbeeld moeten geven van een situatie waarin door de verdeling van zijn werkruimtes de zorg voor één of meerdere patiënten in gevaar dreigde te komen, en dat dit gevaar door zijn ingrijpen is afgewend. Een dergelijk voorbeeld heeft hij niet genoemd.
3.7.
Dit betekent dat de door [eiser c.s.] aangevoerde gronden voor de door hem voorgestane wijziging van de indeling van de werkruimtes, hem geen spoedeisend belang opleveren om de huidige indeling te wijzigen.
3.8.
De vordering (zowel de primaire als de subsidiaire) om mee te werken aan de uitvoering van een tijdelijke verdeling van de ruimtes wordt bij gebrek aan spoedeisend belang afgewezen. Uit deze afwijzing volgt logischerwijs dat ook de vordering om de tenuitvoerlegging van het vonnis zelf te bewerkstelligen afgewezen moet worden.
De proceskosten
3.9.
[eiser c.s.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde c.s.] betalen. De proceskosten van [gedaagde c.s.] worden begroot op:
- griffierecht
€ 735,00
- salaris advocaat
€ 1.177,00
(gemiddeld tarief )
- nakosten
€ 189,00
(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€ 2.101,00

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser c.s.] af,
4.2.
veroordeelt [eiser c.s.] in de proceskosten van € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [eiser c.s.] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.H. Steenberghe, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.