3.3.3.Bewijsoverwegingen
3.3.3.1.
Ten aanzien van feit 1
Vastgestelde feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken het volgende vast.
Op 5 juli 2025 heeft in Zeist een incident plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer 2] (hierna: aangever). De verdachte loopt die dag van achteren op aangever af die op een bankje zat te praten met een andere man. Aangever staat op als hij ziet dat de verdachte hem nadert, draait zich om en komt daardoor tegenover de verdachte te staan. De verdachte trekt op dat moment een machete uit zijn trainingspak/trui en maakt direct met kracht een zwaaiende beweging met de machete in de richting van het hoofd, de hals en/of het bovenlichaam van aangever. Aangever deinst achteruit en kan daardoor nog net de machete ontwijken.
Dat het de verdachte is geweest die met een machete deze zwaaiende beweging heeft gemaakt, wordt niet betwist door de verdediging. De rechtbank moet de vraag beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
Vrijspraak poging tot moord (geen voorbedachten rade)
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, wat vereist is voor een bewezenverklaring van de poging tot moord.
Voor een bewezenverklaring van 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De verdachte wist op de dag en het moment van het incident dat aangever op een bankje in de buurt zat en is daarom naar hem toegegaan terwijl hij een machete bij zich had. De verdachte heeft verklaard dat hij boos was op aangever, omdat aangever enkele weken daarvoor zonder toestemming zijn huis zou zijn binnengetreden. Hoewel in het doelgericht naar aangever toegaan en het meenemen van de machete aanwijzingen zouden kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan om aangever te doden, vindt de rechtbank niet bewezen dat de verdachte voorafgaand aan het incident daadwerkelijk het plan of voornemen had om aangever van het leven te beroven met de machete. De rechtbank hecht daarbij geen doorslaggevende betekenis aan het feit dat de verdachte bij de politie eenmalig heeft gezegd dat hij aangever ‘wilde afmaken’. De verdachte heeft namelijk voor het overige zowel bij de politie als op zitting, telkens verklaard dat hij ‘een punt wilde maken’ of ‘een duidelijke streep wilde trekken’, maar hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat daarmee het doden van aangever wordt bedoeld. Bij de rechter commissaris zegt verdachte hier kort na het incident bijvoorbeeld over:
“Ik wilde een punt maken, zodat hij, als hij het nog een keer doet, dit kan gebeuren.”Daarnaast weegt de rechtbank bij dit oordeel mee dat de verdachte meerdere malen heeft verklaard dat het ook niet zijn bedoeling was om aangever (dodelijk) te raken.
Uit het dossier en de verklaringen van de verdachte volgt dat er enige tijd heeft gezeten tussen het moment waarop hij kennis kreeg van de aanwezigheid van aangever op het bankje, en het moment waarop hij met zijn machete op aangever afliep. Het enkele tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken, is echter op zichzelf onvoldoende om voorbedachten rade aan te nemen.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom gedeeltelijk vrij van feit 1 primair, voor zover de tenlastelegging ziet op de voorbedachten rade, en dus de poging tot moord.
Bewezenverklaring poging tot doodslag
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het handelen van de verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] .
De rechtbank ziet geen aanwijzingen die erop duiden dat de verdachte de intentie had om aangever te doden. ‘Vol opzet’ kan dan ook niet worden bewezen.
Wel kan bewezen worden dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden volgt dat de verdachte en aangever op enig moment tegenover elkaar staan, op een korte afstand van elkaar, met enkel het bankje tussen hen in. De verdachte heft de machete (van zo’n 70 centimeter lang) vervolgens in de lucht en maakt een snelle zijwaarts zwaaiende beweging in de richting van het hoofd, de hals en/of het bovenlichaam van aangever. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt dat deze beweging ook met kracht wordt gemaakt. Enkel omdat aangever achteruit deinst, gaat de machete rakelings langs het bovenlichaam van aangever.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met dit handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zou raken met de machete en hem daarbij dodelijk zou kunnen verwonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd, de hals en het bovenlichaam kwetsbare lichaamsdelen zijn waarin zich vitale organen en slagaders bevinden. Als een van die delen met kracht geraakt wordt door een (zoals door de politie is vastgesteld) scherpe machete, levert dat een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel op. Het op korte afstand en met kracht een zijwaarts zwaaiende beweging maken met een scherpe machete, gericht op die lichaamsdelen, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.3.2.
Ten aanzien van feit 2 (bedreiging [slachtoffer 1] )
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen bedreigende berichten heeft gestuurd naar [slachtoffer 1] (hierna: aangeefster), zoals die in de tenlastelegging zijn omschreven. In deze berichten dreigt de verdachte expliciet aangeefster te vermoorden, ernstig te mishandelen en te verkrachten. De verdachte heeft op de zitting ook bekend dat hij deze berichten heeft gestuurd.
De rechtbank is van oordeel dat deze berichten, in samenhang bezien en onder de omstandigheden waaronder deze zijn verstuurd, naar hun aard geschikt zijn om bij aangeefster de redelijke vrees te doen ontstaan dat de verdachte zijn dreigementen daadwerkelijk zou uitvoeren.
Dat, zoals door de verdediging wordt gesteld, deze berichten een reactie waren op tegenberichten van aangeefster en dus in die context moeten worden bezien, is niet onderbouwd of aannemelijk geworden en vindt bovendien geen steun in het dossier. Daar komt bij dat, zelfs als sprake zou zijn geweest van tegenberichten, dit niet afdoet aan het bedreigende karakter van de berichten die de verdachte zelf heeft gestuurd. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde bedreiging.
3.3.3.3.
Ten aanzien van feit 3 (stalking [slachtoffer 1] )
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, naast de in 3.3.3.2. genoemde (dreigende) berichten, ook spraakberichten en voicemails heeft gestuurd naar aangeefster. De politie heeft op 7 juni 2025 een stopgesprek gevoerd met de verdachte. Vanaf dat moment moest het voor de verdachte in ieder geval duidelijk zijn geweest dat aangeefster geen contact meer wilde en dat hij geen contact meer mocht opnemen met haar. De verdachte heeft echter in de periode daarna nog steeds contact opgenomen met aangeefster en veelvuldig (spraak)berichten en voicemails gestuurd. Hieruit volgt de wederrechtelijkheid en stelselmatigheid van zijn gedragingen. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van deze gedragingen, de omstandigheden waaronder zij hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van aangeefster - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft, door berichten met een dergelijke inhoud en in een dergelijke frequentie te sturen, het oogmerk gehad aangeefster te dwingen zijn berichten te dulden en haar vrees aan te jagen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde belaging. Nu op basis van het dossier vastgesteld kan worden dat het laatste bericht van de verdachte van 1 juli 2025 is geweest, zal de rechtbank de belaging tot die datum bewezen verklaren.