Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning in Utrecht, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €265.000,- en na bezwaar verlaagd naar €246.000,-. Eiseres stelde dat de waarde te hoog was en voerde onder meer aan dat de gebruiksoppervlakte kleiner was dan vastgesteld, de woning verzakt was, en dat het voorzieningenniveau onvoldoende was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en bouwtekeningen aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen waren vergelijkbaar en recent verkocht, en er was rekening gehouden met verschillen in voorzieningenniveau en doelmatigheid.
De door eiseres aangevoerde gronden, zoals afwijkende gebruiksoppervlakte, staat van onderhoud, en ligging, werden niet voldoende onderbouwd om de waarde verder te verlagen. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar dat de gebruiksoppervlakte volgens de NEN-2580 norm was gemeten en dat de staat van onderhoud en ligging in de waardering waren verwerkt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A. Rademaker op 4 maart 2026.