ECLI:NL:RBMNE:2026:1310

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/16/453107 / FL RK 18-94
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitstel definitieve omgangsregeling en doorverwijzing naar hulpverlening in belang van minderjarige kinderen

De rechtbank Midden-Nederland behandelt een zaak over de omgangsregeling tussen een vader en zijn twee minderjarige dochters, waarbij de moeder het gezag heeft. Eerder was een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader één keer per drie weken twee uur omgang had met de oudste dochter onder begeleiding van de grootmoeder. De Raad voor de Kinderbescherming voerde onderzoek uit naar de beste omgangsregeling.

Tijdens de zitting op 3 februari 2026 spraken de ouders hun bereidheid uit om hulp te zoeken om hun communicatie en vertrouwen te verbeteren. De rechtbank achtte de situatie spoedeisend en verwees de ouders direct door naar het Uniform Hulpaanbod, met een traject van Solo Parallel Ouderschap, begeleide omgang en kindercoaching. De hulpverlening moet zorgen voor een constructieve communicatie, het verminderen van de strijd tussen ouders en het bevorderen van onbelaste omgang tussen vader en kinderen.

De rechtbank besloot de definitieve beslissing over de omgangsregeling nog negen maanden uit te stellen in afwachting van een rapportage van de hulpverlenende instantie. Totdat professionele begeleiding start, blijft de voorlopige regeling van kracht. De rechtbank verwacht dat binnen drie maanden na start van de professionele begeleiding minimaal één keer per drie weken een halve dag onbegeleide omgang tussen vader en oudste dochter zal plaatsvinden.

De hulpverlener zal rapporteren over het verloop en de uitkomst van het traject aan de rechtbank en de Raad. Afhankelijk van het resultaat kunnen partijen aangeven of een nadere zitting nodig is. Bij een niet geheel positief resultaat zal de Raad beoordelen of schriftelijk advies noodzakelijk is. De beschikking is openbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de definitieve omgangsregeling uit en verwijst ouders door naar professionele hulpverlening, waarbij de voorlopige regeling blijft gelden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Almere
zaaknummer: C/16/453107 / FL RK 18-94
Uniform hulpaanbod
Beschikking van 4 maart 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.G. Nagel,
en
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S.G.B.M. Schönhage.

1.De procedure

1.1.
Bij beschikking van 2 oktober 2024 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige 1] één keer in de drie weken twee uur omgang heeft met de vader, op een openbare plek onder begeleiding van oma (moederzijde). Verder heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om onderzoek te doen naar de vraag welke omgangsregeling met de vader in het belang is van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De beslissing over de definitieve omgangsregeling is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek.
1.2.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het rapport van de Raad, binnengekomen op 13 augustus 2025;
  • het bericht van de vader van 25 augustus 2025;
  • het bericht van de moeder van 28 augustus 2025;
  • het bericht (met bijlage) van de moeder van 30 januari 2026.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [A] , namens de Raad.
1.4.
De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (de dochters van de ouders) gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. [minderjarige 1] heeft een brief aan de rechter geschreven, waarin zij haar mening heeft gegeven. [minderjarige 2] heeft aan de rechter laten weten dat zij geen gebruik wil maken van de mogelijkheid om haar mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Voor de vaststaande feiten en het voorafgaande procesverloop verwijst de rechtbank naar de beschikkingen van: 29 mei 2018, 2 maart 2020, 27 mei 2021 en 2 oktober 2024.
2.2.
De verzoeken in deze procedure hebben betrekking op de minderjarige kinderen van de ouders:
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] .
De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen.

3.De beoordeling

Nog geen definitieve beslissing over de omgangsregeling
3.1.
De rechtbank zal nu nog geen definitieve beslissing over de omgangsregeling nemen, maar de beslissing nog negen maanden uitstellen in afwachting van de rapportage van de hulpverlener. Hierna zal de rechtbank deze beslissing uitleggen.
3.2.
Op de zitting hebben de ouders besloten om hulp te vragen. De rechtbank heeft daar vertrouwen in, omdat ze tijdens de mondelinge behandeling hebben toegezegd aan hulpverlening mee te werken. De ouders willen hulp om te werken aan: hun communicatie en het onderlinge vertrouwen.
3.3.
De rechtbank vindt de situatie van de ouders zodanig spoedeisend dat zij zijn verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. Dit betekent dat er snel contact is met de hulpverlening. Op de zitting heeft de rechtbank direct doorverwezen naar: Solo Parallel Ouderschap, begeleide omgang door een professional en coaching voor de kinderen. De rechtbank heeft met deze hulpverlening voor ogen dat:
  • het onderlinge vertrouwen bij de ouders gaat groeien;
  • de ouders leren om op een voor hen constructieve wijze met elkaar te communiceren over de kinderen;
  • de kinderen niet meer belast worden met de strijd tussen hun ouders;
  • [minderjarige 1] op een fijne en onbelaste manier contact kan hebben met haar vader;
  • er een kindercoach wordt ingeschakeld voor [minderjarige 1] , zodat zij met een onafhankelijk persoon kan praten;
  • er (indien nodig) ook een kindercoach voor [minderjarige 2] wordt ingeschakeld. Tijdens de zitting heeft de moeder verteld dat [minderjarige 2] inmiddels gesprekken heeft met een psycholoog. Het is niet de bedoeling dat zij wordt overladen met dezelfde soort hulpverlening. Er moet daarom eerst worden gekeken of er (naast of in plaats van de psycholoog) een kindercoach nodig is.
3.4.
Op de zitting is met partijen besproken dat de hulpverlenende instantie na de intake eerst zelf zal beoordelen welk hulpverleningstraject het meest passend is. Dit kan een ander traject zijn dan hierboven is genoemd. De ouders zullen dan het advies van de hulpverlenende instantie opvolgen.
3.5.
De hulpverlening zal een rapportage aan de rechtbank sturen over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. De ouders stemmen daarmee in.
3.6.
Zoals ook ter zitting is besproken zal de rechtbank de beslissing over de omgangsregeling aanhouden voor de duur van
negen maandenin afwachting van een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening.
3.7.
De rechtbank heeft een scan van het proces-verbaal met gegevens van de ouders gestuurd naar de centrale intake/toegang die het gaat doorsturen naar de organisatie die hulp gaat verlenen. De centrale intake/toegang zal de rechtbank berichten welke organisatie is ingeschakeld. Op dit moment is nog niet bij de rechtbank bekend welke instantie de hulp gaat verlenen. De rechtbank zal daarom een kopie van deze beschikking sturen aan de centrale intake/ toegang met het verzoek deze door te sturen naar de in te schakelen hulpverlenende instanties. De rechtbank zal ook een kopie van deze beschikking sturen aan de Raad.
3.8.
De rechtbank verzoekt de hulpverlenende instantie om uiterlijk op de datum zoals vermeld onder de beslissing, of zoveel eerder als mogelijk is, aan de rechtbank en aan de Raad te sturen: de rapportage over het verloop en de uitkomst van het Solo Parallel Ouderschap, de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en de coaching voor de kinderen. De uitkomst van de hulpverlening kan zijn: positief resultaat, niet geheel positief resultaat of negatief resultaat.
3.9.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, hebben de advocaten twee weken de tijd om te laten weten of behandeling ter zitting nog nodig is of dat de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
3.10.
Als de hulpverlening niet heeft geleid tot een (geheel) positief resultaat, zal de Raad beoordelen of een schriftelijk advies nodig is of dat een mondeling advies op zitting voldoende is. Als de Raad een schriftelijk advies nodig vindt, verzoekt de rechtbank de Raad om schriftelijk te adviseren en te doen wat daarvoor nodig is.
Voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1]
3.11.
Het is de bedoeling Cumulus Home (of een andere hulpverlenende instantie) de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] gaat begeleiden. Totdat dit traject is opgestart zal de voorlopige zorgregeling die is opgenomen in de beschikking van 2 oktober 2024 blijven gelden. Dit betekent dat er in ieder geval één keer per drie weken omgang blijft zijn tussen de vader en [minderjarige 1] op een openbare plek, onder begeleiding van oma (moederzijde).
3.12.
Het doel van de begeleide omgang is om toe te werken naar onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Hierbij is het van belang dat het tempo van [minderjarige 1] wordt gevolgd. De professionele omgangsbegeleider zal daarom kijken hoe [minderjarige 1] op het contact met haar vader reageert en op basis daarvan de omgang uitbreiden. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat er binnen drie maanden (vanaf het moment dat professionele omgangsbegeleider betrokken is) minimaal één keer per drie weken een halve dag onbegeleide omgang gaat zijn tussen de vader en [minderjarige 1] .

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de omgangsregeling uit de beschikking van 2 oktober 2024 van kracht blijft, totdat Cumulus Home of een andere hulpverlenende instantie betrokken raakt om de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] te begeleiden. Vanaf het moment dat er een professionele omgangsbegeleider betrokken is moet er binnen drie maanden toegewerkt worden naar minimaal één keer per drie weken een halve dag onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 1] ;
4.2.
houdt de definitieve beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen aan;
4.3.
verzoekt de hulpverlener(s)
uiterlijk op 3 december 2026of zoveel eerder als mogelijk, de rapportage over het verloop en de uitkomst van het traject Solo Parallel Ouderschap, begeleide omgang en kindercoaching aan de rechtbank te sturen;
4.4.
verzoekt de Raad bij een niet helemaal positief resultaat te beoordelen of een schriftelijk advies noodzakelijk is en de rechtbank daarover
uiterlijk binnen twee wekente informeren, als de Raad een schriftelijk advies nodig vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad een schriftelijk advies bij de rechtbank in te dienen
uiterlijk binnen twee maanden;
4.5.
stelt partijen bij een positief resultaat in de gelegenheid om
uiterlijk binnen twee wekente reageren op de rapportage van de hulpverlener(s) en daarbij aan te geven of zij een nadere zitting nodig vinden.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. van Bloemendaal, (kinder)rechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A. Beverwijk. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.