Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1313

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/832
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdige betaling griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een gewijzigde betalingsregeling van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB had het maandbedrag per november 2025 verhoogd naar € 425,50, waartegen verzoekster bezwaar maakte en beroep instelde.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat het griffierecht van € 54,- niet binnen de gestelde termijn was betaald, ondanks een aangetekende aanmaning. Er waren geen omstandigheden die het niet betalen konden verontschuldigen.

Daarnaast bleek uit de correspondentie dat verzoekster geen spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening, omdat alleen een financieel belang was gesteld zonder onomkeerbare gevolgen. Verzoekster reageerde niet op verzoeken om dit belang te onderbouwen.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en wees het af zonder inhoudelijke beoordeling of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/832

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Nijssen),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de SVB de betalingsregeling die eerder met verzoekster is getroffen gewijzigd. De SVB heeft besloten dat het maandbedrag per november 2025 wijzigt naar € 425,50. Verzoekster heeft hier tegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 januari 2026 heeft de SVB het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 26/828.
3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 29 januari 2026 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de deze brief op 31 januari 2026 om 9:37 uur is bezorgd en dat is getekend voor ontvangst.
6. Verzoekster heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn voldaan. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet zou moeten worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is geweest, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat vooralsnog niet is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu louter een financieel belang is gesteld en niet is gebleken van onomkeerbare (financiële) gevolgen. De griffier heeft verzoekster tweemaal, bij brieven van 29 januari 2026 en 12 maart 2026, in de gelegenheid gesteld om haar gestelde spoedeisend belang te onderbouwen, maar verzoekster heeft niet op deze brieven gereageerd. De conclusie is daarom dat er op dit moment geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
De griffier is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.