Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1314

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4920
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.7 OmgevingswetArtikel 22.7 van het omgevingsplan gemeente Utrechtse Heuvelrug
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom wegens welstandsexces woning in Utrechtse Heuvelrug

De zaak betreft een handhavingstraject van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug tegen eiseres vanwege een welstandsexces aan een woning die enkele jaren leegstond en verpauperd was. Na een controle in juli 2020 en een advies van de welstandscommissie startte het college een handhavingstraject en legde eiseres in juni 2022 een last onder dwangsom op om het welstandsexces te beëindigen.

Omdat eiseres niet binnen de gestelde termijn aan de last voldeed, werd in februari 2024 een nieuwe last onder dwangsom opgelegd met een hogere dwangsom. Eiseres maakte bezwaar tegen deze last, maar het college handhaafde het besluit. De begunstigingstermijn werd meerdere malen verlengd tot januari 2025, waarna de woning was gerenoveerd en aan de last was voldaan.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was de last op te leggen, ondanks dat het welstandsadvies drieënhalf jaar oud was, omdat het uiterlijk van de woning niet wezenlijk was veranderd. De aangevoerde bijzondere omstandigheden zoals financieringsmoeilijkheden en familieomstandigheden rechtvaardigden geen afzien van handhaving. Ook was het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn zorgvuldig en in het belang van eiseres genomen.

De rechtbank wijst het beroep af omdat eiseres geen actueel belang heeft bij een oordeel over het exacte moment van voldoen aan de last. De last onder dwangsom is geëxpireerd en er zijn geen dwangsommen verbeurd. Het college hoeft de last niet in te trekken, maar kan dat op verzoek alsnog doen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom wegens welstandsexces.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4920

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Gideonse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: V. Scholten).

Inleiding

1.1.
Deze zaak is begonnen met een controle door de toezichthouder van het college op 27 juli 2020 van de woning aan de [adres] in [plaats] (de woning). De woning stond toen al enkele jaren leeg. De toezichthouder heeft zijn bevindingen opgenomen in een controlerapport. Zijn conclusie is dat de woning niet vervallen, maar wel verpauperd was. Door de ligging aan één van de hoofdverkeersaders van het dorp heeft dat volgens de toezichthouder een negatieve invloed op de beleving van de ruimtelijke kwaliteit.
1.2.
In een advies aan het college van 3 september 2020 geeft de welstandscommissie aan dat volgens haar is voldaan aan de beoordelingscriteria die voor een welstandexces zijn opgenomen in de Nota Ruimte Kwaliteit (de welstandsnota).
1.3.
De bevindingen van de toezichthouder en het advies van de welstandcommissie waren voor het college aanleiding om een handhavingstraject tegen de rechtsvoorgangers van eiseres op te starten. Nadat eiseres eigenaar was geworden van de woning, heeft het college met het besluit van 2 juni 2022 haar op straffe van een dwangsom van € 3.000,- per week met een maximum van € 9.000,- gelast het welstandsexces te beëindigen (de eerste last onder dwangsom). Dit kon eiseres doen door glas in de vensters te plaatsen, de kozijnen en boeidelen te verven en de door vocht beschadigde gevels te herstellen.
1.4.
Omdat de overtreding door eiseres niet binnen de aan haar gestelde termijn werd beëindigd, heeft het college met het besluit van 6 februari 2024 nogmaals een last onder dwangsom aan eiseres opgelegd (de last onder dwangsom). Eiseres kon de overtreding nog steeds op dezelfde wijze beëindigen. De hoogte van de dwangsom is in de last onder dwangsom € 6.000,- per week met een maximum van € 18.000,-.
1.5.
Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom en heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres heeft het college de last onder dwangsom met een aanvulling van de motivering in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Het college heeft de begunstigingstermijn waarbinnen eiseres aan de last moest voldoen een aantal keer verlengd. Uiteindelijk tot 1 januari 2025. Tijdens de controle die de toezichthouder van het college op 7 januari 2025 heeft verricht bleek dat eiseres had voldaan aan de last. Met de brief 14 januari 2025 heeft het college dit schriftelijk aan eiseres bevestigd (de eindbrief).
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [A] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van een overtreding?
2. Het college is alleen bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom als sprake is van een overtreding. Eiseres voert aan dat op het moment dat de last onder dwangsom aan haar werd opgelegd geen sprake was van een welstandexces. Het advies van de welstandscommissie dat het college aan de last onder dwangsom ten grondslag heeft gelegd was op dat moment gedateerd.
3. Het uiterlijk van de woning mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Of hiervan sprake is moet het college beoordelen volgens de criteria van de welstandnota. [1] In de welstandsnota is bepaald dat het college bij het toepassen van deze zogenoemde excessenregeling het criterium hanteert dat sprake is van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vervolgens worden in de welstandsnota een aantal criteria genoemd wanneer aan dit criterium wordt voldaan. Volgens de welstandscommissie was bij de woning in ieder geval aan drie van die criteria voldaan. Er was sprake van ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouwwerk, het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving (dichtgetimmerde delen) en inferieur materiaalgebruik (geïmproviseerde reparaties en vervangingen onderdelen).
4. De rechtbank stelt vast dat het advies van de welstandscommissie op het moment dat het college het besluit nam om aan eiseres de last onder dwangsom op te leggen drie-en-een-half jaar oud was. Met het college is de rechtbank van oordeel dat – ondanks dat ondertussen enige tijd was verstreken – dit advies aan de last onder dwangsom ten grondslag kon worden gelegd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het uiterlijk van de woning op het moment dat de last onder dwangsom aan haar werd opgelegd zodanig was veranderd dat niet meer aan de in het welstandsadvies opgenomen criteria voor een welstandsexces werd voldaan. De foto’s van andere panden die door eiseres zijn overgelegd – aan de hand waarvan zij op de zitting aan de orde heeft gesteld wanneer bij verschillende situaties wel of geen sprake is van een welstandsexces – maken dit oordeel niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college zich op het standpunt stellen dat sprake was van een overtreding en was het college bevoegd aan eiseres de last onder dwangsom op te leggen.
Beginselplicht tot handhaving
5. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is
gediend met handhaving. [2] Bij de vraag of het college van handhavend optreden mocht afzien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. In dat kader toetst de rechtbank of het besluit dat het college heeft genomen geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Is sprake van een bijzonder geval op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden?
6. Eiseres voert aan dat er bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. Volgens eiseres was de last onder dwangsom onevenredig bezwarend, omdat het college wist dat de renovatie van de woning werd doorkruist door financieringsmoeilijkheden en familieomstandigheden bij eiseres. Het college was bekend met de renovatieplannen van eiseres waarvoor zij op 29 december 2023 bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning had ingediend. Ook is het eiseres niet gebleken dat omwonenden bij het college een verzoek tot handhaving hadden ingediend.
7. De rechtbank is van oordeel dat wat door eiseres wordt aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. De rechtbank begrijpt dat financieringsmoeilijkheden en familieomstandigheden impact hebben op eiseres. Maar de enkele stelling dat hiervan sprake was, is onvoldoende om aan te nemen dat deze een zodanige bijzondere omstandigheid opleverde dat het college had moeten afzien van het opleggen van de last onder dwangsom. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de dwangsom van de eerste last onder dwangsom al was verbeurd. Met de last onder dwangsom wilde het college aan eiseres juist een prikkel geven om daadwerkelijk te starten met de door haar voorgenomen renovatiewerkzaamheden. Het college mag hiertoe ambtshalve besluiten, een verzoek om handhaving van een omwonende is daarvoor geen vereiste.
Heeft het college het laatste besluit om de begunstigingstermijn te verlengen onzorgvuldig genomen?
8. Eiseres voert verder aan dat het college het besluit van 26 augustus 2024 waarmee de begunstigingstermijn voor een laatste keer werd verlengd niet zorgvuldig heeft voorbereid. Volgens eiseres kent dit besluit geen deugdelijke motivering, is het college hierbij uitgegaan van een onjuist toetsingskader en ontbreekt daarin een goede belangenafweging.
9. Op de zitting hebben partijen toegelicht dat eiseres nadat de last onder dwangsom aan haar was opgelegd fasegewijs aan de slag is gegaan met het renoveren van de woning. Volgens het college liet eiseres hiermee zien dat zij zich inzette om de overtreding ongedaan te maken. Om te voorkomen dat er ondanks deze inzet van eiseres toch dwangsommen zouden verbeuren, heeft het college de begunstigingstermijn in het belang van eiseres herhaaldelijk verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank was hierbij geen sprake van onzorgvuldig genomen besluiten en heeft het college deze juist in het belang van eiseres genomen. Door deze verlengingen van de begunstigingstermijn had eiseres meer tijd om aan de last te voldoen. Dit heeft er toe geleid dat eiseres voor het aflopen van de (verlengde) begunstigingstermijn de overtreding ongedaan heeft kunnen maken en er dus geen dwangsommen zijn verbeurd. Dit heeft het college met de eindbrief aan eiseres bevestigd.
10. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij met deze beroepsgrond de rechtbank vraagt een oordeel te geven over op welk moment er als gevolg van de door haar uitgevoerde werkzaamheden geen sprake meer was van een welstandsexces.
11. Het is de taak van de bestuursrechter om een geschil te beslechten. Het is dan ook vaste rechtspraak dat de bestuursrechter alleen gehouden is om een beroep(grond) tegen een besluit van een bestuursorgaan inhoudelijk te beoordelen, als de indiener van het beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres tijdig aan de aan haar opgelegde last heeft voldaan en er daardoor geen dwangsommen zijn verbeurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen juridisch belang bij de beoordeling van de vraag op welk exacte moment zij aan de last had voldaan. De rechtbank is niet gehouden hier een oordeel over te geven vanwege de principiële betekenis daarvan voor eiseres. Bovendien kan de rechtbank op basis van het dossier ook niet vaststellen op welk moment eiseres geheel aan de last had voldaan. Er zijn geen tussentijdse foto’s of ander bewijsmateriaal in het dossier aanwezig waaruit dit zou kunnen blijken. De rechtbank zal deze vraag van eiseres daarom niet inhoudelijk beantwoorden.
Had het college de last onder dwangsom moeten intrekken?
12. Ten slotte voert eiseres aan dat het college de last onder dwangsom had moeten intrekken, omdat aan de last is voldaan en er geen reële dreiging meer is van een welstandsexces nu de woning is gerenoveerd.
13. Dat aan de last is voldaan, is geen reden om de last onder dwangsom in te trekken. De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom is geëxpireerd. Dit heeft het college met de eindbrief ook aan eiseres bevestigd. Omdat de last onder dwangsom is uitgewerkt, zullen er op grond daarvan geen dwangsommen meer verbeuren. De last onder dwangsom en het bestreden besluit hebben geen werking naar de toekomst. Als het college in de toekomst tot de beoordeling zou komen dat opnieuw sprake is van een welstandsexces, zal zij een nieuw handhavingstraject moeten opstarten en zo nodig daarover nieuwe besluiten moeten nemen.
14. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure geen oordeel kan geven over de wens van eiseres dat het college de last onder dwangsom intrekt. Eiseres kan hiertoe een verzoek indienen bij het college. Op de zitting heeft het college aangegeven dat hij zo’n verzoek zal toewijzen.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit en daarmee ook de last onder dwangsom in stand laat. Omdat partijen het erover eens zijn dat er geen dwangsommen zijn verbeurd en omdat de last inmiddels is geëxpireerd, heeft dit verder geen gevolgen voor eiseres.
16. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 22.7 van het omgevingsplan gemeente Utrechtse Heuvelrug.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.