Eiser ontving op 19 april 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Zeist. Na bezwaar en een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland. De kern van het geschil betrof de opgelegde kosten van €62,30 bovenop de parkeerbelasting.
De rechtbank oordeelde dat het voertuig van eiser op 10 april 2024 zonder betaling van parkeerbelasting was geparkeerd, wat niet werd betwist. De discussie richtte zich op de vraag of de kostenraming, met name de overheadkosten die 50% van de personeelskosten bedroegen, deugdelijk was onderbouwd. De heffingsambtenaar kon niet aannemelijk maken dat deze kostenraming correct was, omdat geen nadere toelichting of onderbouwing werd gegeven.
De rechtbank stelde vast dat de bewijslast voor de deugdelijkheid van de kostenraming bij de heffingsambtenaar ligt. De enkele stelling dat 50% een algemeen aanvaard uitgangspunt is, volstond niet. Daarom werd de naheffingsaanslag verminderd tot enkel het bedrag van de parkeerbelasting. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 16 februari 2026 en is verzonden aan partijen. De rechtbank wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.