Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1315

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/8019
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 lid 5 GemeentewetArt. 234 lid 6 GemeentewetBesluit gemeentelijke parkeerbelastingenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende onderbouwing kostenraming

Eiser ontving op 19 april 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Zeist. Na bezwaar en een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland. De kern van het geschil betrof de opgelegde kosten van €62,30 bovenop de parkeerbelasting.

De rechtbank oordeelde dat het voertuig van eiser op 10 april 2024 zonder betaling van parkeerbelasting was geparkeerd, wat niet werd betwist. De discussie richtte zich op de vraag of de kostenraming, met name de overheadkosten die 50% van de personeelskosten bedroegen, deugdelijk was onderbouwd. De heffingsambtenaar kon niet aannemelijk maken dat deze kostenraming correct was, omdat geen nadere toelichting of onderbouwing werd gegeven.

De rechtbank stelde vast dat de bewijslast voor de deugdelijkheid van de kostenraming bij de heffingsambtenaar ligt. De enkele stelling dat 50% een algemeen aanvaard uitgangspunt is, volstond niet. Daarom werd de naheffingsaanslag verminderd tot enkel het bedrag van de parkeerbelasting. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 16 februari 2026 en is verzonden aan partijen. De rechtbank wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt verminderd tot enkel het bedrag van de parkeerbelasting wegens onvoldoende onderbouwing van de kostenraming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8019

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: H. de Jager)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist, verweerder

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft op 19 april 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt.
1.2
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 8 november 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 16 februari 2026. De gemachtigde van eiser is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.5
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot enkel het bedrag van de parkeerbelasting;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.600,- aan proceskosten aan eiser.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Het voertuig van eiser met het kenteken [kenteken] stond op 10 april 2024 om 12:31 geparkeerd aan de Slotlaan in Zeist zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil.
4. In geschil is of bij de naheffingsaanslag terecht een bedrag van € 62.30,- aan kosten is opgelegd.
5. In het besluit Kosten van de naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2024 is de volgende raming/kostenonderbouwing voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen:
Artikel 1. Kostenberekening
Loonkosten op basis van 1,80 fte € 154.326
Overhead € 77.163
Verwerkingkosten vast en variabel € 72.000
Afschrijving en rente € 0
Totale kosten € 303.488
Geraamd aantal naheffingen op aaneengesloten parkeerperioden 5.200
Kosten naheffingsaanslag: € 303.488 / 5.200 = € 58,36
Afronding naar beneden op het dichtstbijzijnde
veelvoud van 10 eurocent € 58,30
6. In de wet is geregeld dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht waarbij de kosten onderdeel zijn van de naheffingsaanslag. [1] Dat bedrag dient te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. [2] Het betreft hier het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). Artikel 2 van Pro het Besluit luidt als volgt:
1) De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
2) Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
7. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de hoogte van de overheadkosten deugdelijk te onderbouwen. De heffingsambtenaar dient inzichtelijk te maken hoe hij tot het hanteren van het wettelijke maximum van 50% van de personeelskosten aan overheadkosten is gekomen en op basis waarvan dit gerechtvaardigd is. Zolang deze onderbouwing ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de hoogte van de in rekening gebrachte overheadkosten in overeenstemming is met het bepaalde in het
Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
8. De heffingsambtenaar stelt in de uitspraak op bezwaar dat het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen zich niet verzet tegen het toepassen van een percentage van 50%. Dit percentage is een algemeen aanvaard uitgangspunt.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De bewijslast met betrekking tot de deugdelijkheid van de kostenraming rust op de heffingsambtenaar. [3] Eiser heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar met de overgelegde raming niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kostenraming deugdelijk is. Zonder verdere toelichting of onderbouwing, die uiteindelijk ook ter zitting niet is gegeven, blijft onduidelijk waaruit de door de gemeente geraamde overheadkosten bestaan. De enkele stelling van de heffingsambtenaar dat het percentage van 50% een algemeen aanvaard uitgangspunt is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing. De beroepsgrond slaagt.
10. Nu de heffingsambtenaar geen inzicht heeft gegeven in de onderbouwing van de raming, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd met het bedrag van de kosten. De overige gronden van eiser behoeven geen behandeling meer.
11. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Eiser heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt. Daarnaast heeft eiser recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,-. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe. [4] De vergoeding bedraagt in totaal
€ 1.600,-.
12. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet
2.Artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet
3.Hoge Raad 28 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3893, r.o. 3.3.
4.Dit volgt uit het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.