In deze zaak verhuurt eiseres een bedrijfsruimte aan gedaagden, die een huurachterstand van ruim €64.000 hebben en niet zijn gestart met de exploitatie van het gehuurde zoals overeengekomen. Eerder was een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin gedaagden zich verplichtte uiterlijk 1 december 2025 te openen, wat niet is gebeurd.
De kantonrechter oordeelt dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij ontruiming en betaling van de huurachterstand. Gedaagden betoogt betalingsonmacht en overmacht, maar deze verweren worden verworpen omdat zij in de risicosfeer van gedaagden liggen en geen perspectief op betaling is geboden.
De contractuele boete wegens niet-opening wordt toegewezen en gemaximeerd op €390.000. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen omdat de boete in de plaats treedt van schadevergoeding. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen aan eiseres.
De kantonrechter veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot ontruiming binnen veertien dagen, betaling van de huurachterstand, boete, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.