Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de man, binnengekomen op 19 juni 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 18 augustus 2025;
- het verzoekschrift tot het treffen van een provisionele voorziening (met bijlagen) van de man van 30 december 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de man tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 9 januari 2026;
- het bericht (met bijlage) van de man van 9 januari 2026;
- het gewijzigd verzoek van de vrouw van 12 januari 2026;
- de bijlagen van de vrouw van 12 januari 2026;
- het bericht (met bijlage) van de vrouw van 19 januari 2026;
- het bericht van de vrouw van 20 januari 2026;
- het bericht (met bijlage) van de man van 20 januari 2026.
- de man en zijn advocaat;
- de vrouw en haar advocaat;
- [A] en een collega, vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2.Waar de procedure over gaat
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 1] .
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2020.
[minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2025 in [geboorteplaats 3] . Tussen de vrouw en [partner 2] is geen sprake van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
3.De verzoeken
- te bepalen dat de vrouw de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling moet nakomen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij dit niet doet;
- subsidiairvoorlopig te bepalen dat de vrouw de door de man in punt 11 van zijn verzoekschrift van 17 juni 2025 verzochte zorgregeling moet nakomen, dan wel een zodanige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank juist vindt, een en ander op straffe van een verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt.
4.De beoordeling
- op 14 maart 2026 van 10.00 uur tot 17.30 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt;
- met ingang van 28 maart 2026 in de oneven weken van vrijdag na de Buitenschoolse Opvang (BSO) tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en brengt;
- de kinderen in de zomervakantie van 2026 week 1, 2 en 5 bij de man en week 3,4 en 6 bij de vrouw verblijven;
- de kinderen met ingang van de zomervakantie van 2027 ieder jaar drie weken aaneensluitend bij de man verblijven en drie weken aaneensluitend bij de vrouw verblijven;
- in de herfstvakantie vier dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man verblijven, waarbij partijen uiterlijk vier weken van te voren onderling afspraken maken over het wisselmoment;
- in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de man en de tweede week bij de vrouw verblijven en dit in de oneven jaren andersom is;
- in de voorjaarsvakantie vier dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man, waarbij partijen uiterlijk vier weken van te voren onderling afspraken maken over het wisselmoment;
- in de even jaren de eerste week van de meivakantie bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit andersom;
- op Moederdag bij de vrouw verblijven;
- op Vaderdag de reguliere zorgregeling geldt;
- als Pasen en/of Pinksteren vallen in het weekend dat de kinderen bij de man verblijven tot Tweede Paasdag en/of Tweede Pinksterdag bij de man verblijven tot 17.00 uur, waarbij de man haalt en brengt;
- tijdens het Suikerfeest de helft van de dag bij de man en de andere helft van de dag bij de vrouw verblijven.
5.De beslissing
- op 14 maart 2026 van 10.00 uur tot 17.30 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt;
- met ingang van 28 maart 2026 in de oneven weken van vrijdag na de Buitenschoolse Opvang (BSO) tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en brengt;
- ;