ECLI:NL:RBMNE:2026:1321

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
12027473 \ ME VERZ 25-184 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 lid 1 BWArt. 7:628a lid 9 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 7:628 lid 5 BWArt. 7:610b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzegging oproepovereenkomst onrechtmatig; werkgever aansprakelijk voor schade door verkeersongeval

In deze zaak verzocht de werknemer de vernietiging van de opzegging van haar arbeidsovereenkomst door de werkgever. De arbeidsovereenkomst betrof een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, lopende van 19 september 2025 tot 18 april 2026. Op 2 november 2025 raakte de werknemer tijdens het bezorgen van bestellingen met een bedrijfsauto van de weg en kwam in de sloot terecht. De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op 3 november 2025 op via een bericht in een groepsapp.

De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat niet voldaan was aan de wettelijke vereisten, zoals schriftelijke instemming van de werknemer of toestemming van het UWV. Wel werd geoordeeld dat de werkgever vanaf 3 november 2025 geen loon meer verschuldigd was, omdat het een oproepovereenkomst betrof met een zogeheten nul-urenregeling en de periode van zes maanden zonder loondoorbetalingsverplichting nog niet was verstreken.

Verder stelde de werknemer aanspraak te maken op materiële en immateriële schadevergoeding wegens het verkeersongeval tijdens het werk. De werkgever werd aansprakelijk gehouden omdat hij onvoldoende had aangetoond dat hij had voldaan aan zijn zorgplicht, onder meer door het ter beschikking stellen van een auto waarvan de staat niet was aangetoond. De werkgever kon ook niet bewijzen dat het ongeval het gevolg was van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

De kantonrechter kende een materiële schadevergoeding van €407 toe voor verloren eigendommen en een immateriële schadevergoeding van €500 wegens pijn en behandeling. De vordering tot aanzegvergoeding werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was geëindigd. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoedingen en de proceskosten.

Uitkomst: De opzegging van de oproepovereenkomst wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten, maar hoeft geen loon te betalen vanaf de opzegdatum.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12027473 \ ME VERZ 25-184 AW/1583
Beschikking van 23 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. H. den Besten,
tegen
[verweerder], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een opzegging te vernietigen.
1.2.
Op 23 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en de gemachtigde van [verzoeker] hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoeker] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft [verweerder] met een brief van 20 februari 2026 om uitstel verzocht. Dit uitstel is niet verleend.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
In deze zaak verzoekt [verzoeker] om vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] . [verzoeker] is sinds 19 september 2025 in dienst bij [verweerder] als Allrounder op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, tot en met 18 april 2026. Op 2 november 2025 is [verzoeker] tijdens het bezorgen van bestellingen met de bedrijfsauto van de weg geraakt en in de sloot terecht gekomen. Op 3 november 2025 krijgt [verzoeker] van [verweerder] in de groepsapp een bericht dat hij de vestiging (tijdelijk) moet sluiten vanwege economische omstandigheden. Op 17 november 2025 meldt [verzoeker] zich per 2 november 2025 ziek omdat zij lichamelijk en psychisch niet in staat is om te werken. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat de opzegging niet (rechts)geldig is. [verweerder] hoeft vanaf 3 november 2025 geen loon meer aan [verzoeker] te voldoen.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig door [verweerder] is beëindigd en, als dat niet het geval is, of [verweerder] loon aan [verzoeker] verschuldigd is en als dat wel het geval is, of [verweerder] een transitievergoeding en een aanzegvergoeding verschuldigd is. Verder verzoekt [verzoeker] om toekenning van een vergoeding voor materiele en immateriële schade.
De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig opgezegd
3.2.
De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig opgezegd. De wijzen waarop een arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd, zijn in de wet geregeld. Ingevolge artikel 7:671 lid 1 BW Pro kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij - kort gezegd - toestemming voor die opzegging is verleend door het UWV (sub a), de opzegging geschiedt in de proeftijd (sub b), er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet (sub c), of een van de in dat artikellid genoemde uitzonderingsgevallen (sub d t/m h) zich voordoet. Vaststaat dat [verzoeker] niet met de opzegging heeft ingestemd, dat het UWV geen toestemming heeft verleend en dat de opzegging niet heeft plaatsgevonden in een proeftijd. Van een ontslag op staande voet is geen sprake. Nu evenmin sprake is van een van de in artikel 7:671 lid 1 sub Pro d t/m h BW genoemde uitzonderingsgevallen, betekent dit dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals door [verweerder] per whatsapp op 3 november 2025 is gedaan, niet rechtsgeldig is.
3.3.
Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging niet rechtsgeldig is.
[verzoeker] heeft vanaf 3 november 2025 geen recht op loon
3.4.
[verzoeker] is met ingang van 19 september 2025 bij [verweerder] in dienst getreden als allround medewerker op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd. De overeenkomst loopt tot en met 18 april 2026. Feitelijk was er volgens [verzoeker] echter sprake van een stilzwijgende overeengekomen vaste arbeidsomvang van minimaal 18 uur per week. Er was volgens [verzoeker] geen sprake van een oproepovereenkomst, maar van een part-time dienstverband.
3.5.
Van een oproepovereenkomst als bedoeld in dit artikel 7:628a BW is ingevolge artikel 7:628a lid 9, aanhef en onder a, BW sprake indien de omvang van de arbeid niet is vastgelegd als één aantal uren per tijdseenheid van ten hoogste een maand. De tussen [verzoeker] en [verweerder] gesloten arbeidsovereenkomst voldoet aan de in artikel 7:628a lid 9 BW gestelde voorwaarden aan een oproepovereenkomst. De arbeid is immers niet vastgelegd als één aantal uren per tijdseenheid van ten hoogste één maand. In artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst staat namelijk dat de medewerker in dienst treedt voor Nul (0) uren per week. De arbeidsovereenkomst is verder ook uitgevoerd als een oproepovereenkomst. [verzoeker] stelt weliswaar dat zij voorafgaand aan het ongeval voor 3 x 6 uur per week bij [verweerder] werkzaamheden verrichtte, maar dat wordt door [verweerder] betwist en blijkt ook nergens uit. Uit de loonstrook van september 2025 volgt slechts dat [verzoeker] op twee dagen heeft gewerkt voor in totaal 8 uren en in oktober 2025 is geen loon uitgekeerd. Op de loonstrook van oktober 2025 staan 0 gewerkte uren. Ter zitting heeft [verweerder] weliswaar erkend dat [verzoeker] 13,5 uur in oktober 2025 heeft gewerkt, maar ook daarmee komt niet vast te staan dat [verzoeker] 3 x 6 uur per week heeft gewerkt. Uit de door [verzoeker] overgelegde roosters kan evenmin worden afgeleid dat [verzoeker] structureel heeft gewerkt. Ter zitting is vastgesteld dat [verzoeker] op zaterdag 11 oktober 2025 moest werken van 18.00 uur tot 22.00 uur, op donderdag 16 oktober van 16.30 uur tot 22.00 uur en op zondag 26 oktober 2025 van 17.00 uur tot 21.00 uur. Hieruit volgt niet dat [verzoeker] structureel werkzaam was, ook niet voor de door [verzoeker] gestelde 3x6 uur per week. Daar komt bij dat op de arbeidsovereenkomst zelf is vermeld: ‘oproepovereenkomst voor bepaalde tijd’.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er naar het oordeel van de kantonrechter, anders dan [verzoeker] meent, sprake van een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a lid 9 BW.
3.7.
Dat er sprake is van een oproepovereenkomst maakt niet dat [verweerder] geen loon meer verschuldigd is. Op grond van artikel 7:628 lid 1 BW Pro is een werkgever verplicht om het loon te voldoen, ook indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht. Omdat [verzoeker] en [verweerder] geen vaste arbeidsomvang zijn overeengekomen, heeft [verzoeker] zich beroepen op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Daarin staat dat, indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de bedongen arbeid een omvang heeft gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. [verzoeker] heeft evenwel slechts 6 weken gewerkt voor [verweerder] waardoor aan het rechtsvermoeden van artikel 7:610 BW Pro geen werking toekomt. Daar komt bij dat er in de arbeidsovereenkomst een bepaling is opgenomen inhoudende dat gedurende de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst geen verplichting tot loonbetaling bestaat als er niet wordt gewerkt. Een dergelijke bepaling kan ingevolge artikel 7:628 lid 5 BW Pro worden overeengekomen. Op 3 november 2025 was de overeengekomen zes maanden waarin geen loon verschuldigd is als er niet wordt gewerkt, niet verstreken. Er bestaat daarom, gelet op het voorgaande, vanaf 3 november 2025 geen loondoorbetalingsverplichting voor [verweerder] . Dat [verzoeker] ziek is (geworden) in de periode dat zij niet meer is opgeroepen maakt in dit geval evenmin dat zij recht heeft op loon.
Materiële en immateriële schadevergoeding en verklaring voor recht meer materiele schadevergoeding
3.8.
[verzoeker] stelt dat zij op 2 november 2025 bestellingen met de bedrijfsauto bij klanten moest afleveren. Tijdens het bezorgen van de bestellingen is zij van de weg geraakt en in de sloot terecht gekomen. [verzoeker] maakt aanspraak op materiële en immateriële schadevergoeding.
3.9.
Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW Pro is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in artikel 7:658 lid 1 genoemde Pro verplichtingen nagekomen is of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
3.10.
De werkgever heeft een zorgplicht voor de veiligheid en deugdelijkheid van een aan de werknemer ter beschikking gesteld voertuig en dient ook aandacht te hebben voor onderricht, instructies en voorschriften die de veiligheid van de werknemer in het wegverkeer kunnen bevorderen (HR 12-12-2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129). Maar, zoals de Hoge Raad overwoog, wanneer
“het gaat om gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer, zal de omvang van de zorgplicht van de werkgever slechts beperkt kunnen zijn. De werkgever heeft immers in de regel geen zeggenschap over de inrichting en daarmee samenhangende verkeersveiligheid van de openbare weg en daarnaast kan een groot aantal andere factoren bijdragen aan het ontstaan van verkeersongevallen, zonder dat de werkgever daarop door het treffen van maatregelen of het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen, afgezien van de veiligheid van het voertuig dat hij eventueel aan de werknemer ter beschikking heeft gesteld en het geven van onderricht, instructies en voorschriften die de veiligheid van de werknemer kunnen bevorderen.”
3.11.
[verweerder] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de hiervoor omschreven (beperkte) zorgplicht is nagekomen. Daarvoor is het volgende van belang.
Allereerst betrof de aan [verzoeker] beschikbaar gestelde auto een privéauto van de zwager van [verweerder] . Ook als, zoals [verweerder] stelt, die auto een geldige APK en nieuwe remblokken had, volgt daaruit nog niet dat de auto ten tijde van het ongeval in goede staat verkeerde. [verweerder] heeft dat niet onderbouwd, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer er voor het laatst onderhoud aan de auto was verricht en was vastgesteld of voor de veiligheid essentiële onderdelen van de auto nog voldeden. [verzoeker] daartegen stelt dat de auto gebreken vertoonde. De auto kon niet in zijn 5 gezet worden en als je dat deed en de versnellingspook losliet dan schoot die terug naar z’n vrij, aldus [verzoeker] . De koplampen vielen ook uit en de auto was volgens [verzoeker] aan het trekken. [verzoeker] heeft een verklaring van haar broer en haar vriend in het geding gebracht waarin zij verklaren dat zij na het ongeval met [verweerder] hebben gesproken en dat hij heeft aangegeven dat hij heeft gemerkt dat de auto slipte, maar dat hij daar zelf geen last van had. [verweerder] is ook tegenstrijdig over de herkomst van de auto omdat hij eerst heeft aangegeven dat hij de auto van zijn schoonvader had geleend en later dat hij de auto zo had gekocht. Na het ongeval heeft [verweerder] verder geen technisch onderzoek aan de auto verricht waarmee hij had kunnen aantonen dat de auto wel in orde was. [verzoeker] is verder een jonge bestuurder en [verweerder] heeft aangegeven dat het die dag hard regende. Gelet daarop had het op de weg van [verweerder] gelegen om [verzoeker] indringend te instrueren. Dat [verweerder] dat heeft gedaan, is niet gebleken.
3.12.
De conclusie is dan ook dat ervan moet worden uitgegaan dat [verweerder] in zijn zorgplicht is tekortgeschoten. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de stelplicht en bewijslast over de zorgplicht komt de onduidelijkheid over de staat van de auto voor risico van [verweerder] . [verweerder] beroept zich nog op opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] , maar dat beroep faalt. Volgens [verweerder] kan het ongeluk zijn veroorzaakt door het rijgedrag van [verzoeker] . Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro is de werkgever niet aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt indien hij aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer/medewerker. Op de werkgever rusten derhalve de stelplicht en bewijslast van de bewuste roekeloosheid. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat strenge eisen worden gesteld aan het slagen van het beroep op opzet of bewuste roekeloosheid. Vereist is dat komt vast te staan dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval van het roekeloze karakter van zijn gedraging bewust is (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2235, en HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB61756).
3.13.
Het staat vast dat het hier om een eenzijdig ongeval ging, waarbij [verzoeker] in de sloot terecht is gekomen. Dit wijst op zichzelf nog niet op opzet of bewuste roekeloosheid. [verweerder] stelt dat het ongeval te maken heeft met het rijgedrag van [verzoeker] , maar heeft dit niet onderbouwd. Dit blijkt verder ook nergens uit. [verweerder] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat bij [verzoeker] sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid.
3.14.
[verzoeker] heeft haar materiële schade voldoende onderbouwd. Volgens [verzoeker] zijn haar airpods, tas en powerbank ter waarde van € 407,00 netto bij het ongeval verloren gegaan. [verweerder] heeft dat, nadat hij is gewezen op de bij verzoekschrift overgelegde foto’s, onvoldoende betwist. Dit betekent dat een bedrag van € 407,00 netto voor toewijzing in aanmerking komt.
3.15.
[verzoeker] vordert verder te verklaren voor recht dat [verweerder] ook aansprakelijk is voor alle materiële schade buiten de airpods, tas en powerbank. Dit deel van de vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat naast deze spullen er nog meer schade is geleden.
3.16.
[verzoeker] vordert verder een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding. [verzoeker] heeft zich daarbij gebaseerd op de ANWB-smartengeldgids. Volgens [verzoeker] heeft zij pijn en is zij nog steeds onder behandeling.
3.17.
Bij de vaststelling van de omvang van immateriële schadevergoeding moet de kantonrechter acht slaan op alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het letsel en, in het verlengde hiervan, de aard, ernst en duur van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. Daarnaast moet de rechter ook letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
3.18.
De kantonrechter neemt in aanmerking dat de gezondheidssituatie van [verzoeker] tot aan het ongeval goed was. Verder weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] na het ongeval meerdere fysiobehandelingen heeft moeten ondergaan. Met inachtneming van deze omstandigheden en gezien de aard, duur en ernst van het letsel, acht de kantonrechter een bedrag van € 500,00 netto een billijke vergoeding. Daarom zal dit bedrag worden toegewezen.
Geen aanzegvergoeding omdat de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd
3.19.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat aan de arbeidsovereenkomst geen einde is gekomen door opzegging en de arbeidsovereenkomst, dus nog steeds doorloopt, wordt aan de vordering van [verzoeker] tot betaling van de aanzegvergoeding niet toegekomen.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
3.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.099,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
4.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 407,00 netto aan materiële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2025 tot de dag van algehele voldoening,
4.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 500,00 netto aan immateriële schadevergoeding,
4.4.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.099,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.