De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter beoordeelde dit verzoek tijdens een zitting met gesloten deuren waarbij ouders, hun advocaat, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig waren.
De moeder heeft het gezag over twee kinderen, de ouders samen over de jongste. De kinderen wonen bij de ouders. Op 13 maart 2026 was reeds een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, maar de uithuisplaatsing was niet uitgevoerd. De ouders erkennen zorgen maar ontkennen onveiligheid en mishandeling, en zijn bereid mee te werken aan hulpverlening.
De GI en Raad hebben zorgen over de thuissituatie, mede op basis van verklaringen van pleegkinderen die mishandeling meldden, maar het lopende politieonderzoek is nog niet afgerond. Een medisch onderzoek bij de kinderen toonde geen letsel. De kinderrechter handhaaft de ondertoezichtstelling, maar trekt de machtiging tot uithuisplaatsing in en wijst het verzoek tot verlenging af, omdat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor een onveilige situatie die uithuisplaatsing rechtvaardigen.
De GI blijft betrokken voor toezicht en hulpverlening in de thuissituatie. De ouders moeten meewerken aan de hulpverlening. Indien het politieonderzoek ernstige zorgen bevestigt, kan de GI nieuwe maatregelen voorstellen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.