Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1329

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/16/608427 / JE RK 26-369
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking machtiging tot uithuisplaatsing en handhaving voorlopige ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter beoordeelde dit verzoek tijdens een zitting met gesloten deuren waarbij ouders, hun advocaat, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig waren.

De moeder heeft het gezag over twee kinderen, de ouders samen over de jongste. De kinderen wonen bij de ouders. Op 13 maart 2026 was reeds een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, maar de uithuisplaatsing was niet uitgevoerd. De ouders erkennen zorgen maar ontkennen onveiligheid en mishandeling, en zijn bereid mee te werken aan hulpverlening.

De GI en Raad hebben zorgen over de thuissituatie, mede op basis van verklaringen van pleegkinderen die mishandeling meldden, maar het lopende politieonderzoek is nog niet afgerond. Een medisch onderzoek bij de kinderen toonde geen letsel. De kinderrechter handhaaft de ondertoezichtstelling, maar trekt de machtiging tot uithuisplaatsing in en wijst het verzoek tot verlenging af, omdat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor een onveilige situatie die uithuisplaatsing rechtvaardigen.

De GI blijft betrokken voor toezicht en hulpverlening in de thuissituatie. De ouders moeten meewerken aan de hulpverlening. Indien het politieonderzoek ernstige zorgen bevestigt, kan de GI nieuwe maatregelen voorstellen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt ingetrokken en het verzoek tot verlenging afgewezen, terwijl de voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/608427 / JE RK 26-369
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de Raad,
wonende in Eindhoven,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader ,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat voor beide ouders mr. N. Hos,
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 13 maart 2026;
  • de berichten van de advocaat van de ouders van 19 en 20 maart 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 20 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders bijgestaan door mr. Hos en telefonisch bijgestaan door mevrouw Ghegre, tolk Tigrinya;
- mevrouw [A] , vertegenwoordigster van de Raad;
  • de heer [B] en de heer [C] , vertegenwoordigers van de GI;
  • mevrouw [E] , hulpverleenster van de ouders van Amerpoort.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder en vader hebben samen het gezag over [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van 13 maart 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van de GI tot 13 juni 2026. Ook is in dezelfde beschikking een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een pleeggezin tot 27 maart 2026. De behandeling van het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De kinderrechter moet beoordelen of er op basis van wat er op de zitting is gezegd aanleiding is om de verleende voorlopige ondertoezichtstelling te herroepen en de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in te trekken.
3.2.
De kinderrechter moet daarnaast nog beslissen op het resterende deel van het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van drie maanden, tot 13 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
De ouders willen geen ondertoezichtstelling, maar als de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling niet herroept, dan zullen zij aan de uitvoering van de maatregel meewerken. De ouders vragen om de machtiging tot uithuisplaatsing in te trekken en om het resterende deel van het verzoek over de uithuisplaatsing af te wijzen. De kinderen wonen thuis bij de ouders en dat moet zo blijven. Er zijn zorgen over de kinderen in de thuissituatie maar er is geen sprake van onveiligheid voor hen. De ouders zijn in contact met de GI en de hulpverlening en zullen hun adviezen opvolgen. Ook is er een netwerk betrokken van familie en buren. De ouders zijn geschrokken van het verzoek van de Raad en de gronden waarop de Raad dat verzoek baseert. Zij herkennen zich niet in wat de pleegkinderen hebben verteld over verwaarlozing en mishandeling door de ouders en over dat zij hun biologische kinderen ook op dezelfde zouden behandelen. De ouders hebben wel eens een corrigerende tik gegeven, waarvan zij nu weten dat zij niet hadden mogen doen. De ouders hadden een zware taak aan de opvoeding van de drie pleegkinderen en drie biologische kinderen. Zij hebben een dochter met autisme en de oudste pleegdochter was aan het puberen. In hun ogen hebben zij de kinderen met goede bedoelingen opgevoed. Het wijkteam was betrokken in verband met het autisme van [minderjarige 1] . De hulpverleenster kwam regelmatig over de vloer en die heeft geen zorgen over de kinderen gezien. Ook de school had geen zorgen over de kinderen. De kinderen zijn na de beslissing van 13 maart 2026 door een arts van top tot teen onderzocht en er is geen kindermishandeling vastgesteld.
4.2.
De GI is sinds 13 maart 2026 betrokken. De jeugdbeschermer is op de dag van de uitspraak, vrijdag, en de maandag erna op bezoek geweest bij de kinderen en ouders thuis. In het weekend is de hulpverlening van Amerpoort langs geweest. De GI heeft zorgen over hoe het gaat met de kinderen in de thuissituatie gelet op de informatie van de Raad en wat tijdens de huisbezoeken is gezien. Als voorbeeld noemt de GI dat [minderjarige 1] veel achter een scherm zat. Echter de school en de hulpverlening herkennen deze zorgen niet. De GI heeft in overleg met de Raad besloten om de kinderen niet daadwerkelijk uit huis te plaatsen. Er loopt nog een politieonderzoek naar kindermishandeling. Dat wil de GI afwachten. De GI vindt het belangrijk dat er dagelijks hulpverlening is in de thuissituatie waarbij er wordt gekeken naar hoe het met de kinderen, met name [minderjarige 1] , gaat en wordt gekeken naar de hechting tussen de ouders en de kinderen. De GI wil een hulpverleningsinstantie inzetten die kennis heeft van de Eritrese cultuur, zodat er cultuur-sensitief aangesloten kan worden bij de ouders. Eerder kwamen de ouders afspraken niet na en hebben zij de hulpverlening niet binnengelaten. Zij moeten dit nu wel doen. Ook zal de GI contact houden met de school van de kinderen. Binnen drie maanden moet er duidelijkheid zijn over de situatie. De GI wil dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegewezen voor het geval dat zij het nodig vindt om daarvan gebruik te maken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter laat de beslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in stand. Dit omdat de kinderrechter vindt dat die beslissing op de juiste gronden is gegeven.
5.2.
De kinderrechter trekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een pleeggezin over de periode van 13 maart 2026 tot 27 maart 2026, zoals beslist in de beschikking van 13 maart 2026, in. Verder wijst de kinderrechter het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor drie maanden af.
De kinderrechter legt deze beslissing uit.
5.3.
Er zijn zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de thuissituatie. De pleegkinderen die eerder in het gezin verbleven, hebben verteld dat zij zijn verwaarloosd en fysiek zijn mishandeld door de ouders. Ook hebben de pleegkinderen verteld dat de ouders dit gedrag ook vertonen tegenover [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het politieonderzoek hiernaar is nog niet afgerond en de Raad en de GI beschikken nog niet over informatie uit dit onderzoek. Het belangrijk om in afwachting van die informatie toezicht te houden op de kinderen. De ouders hebben namelijk eerder hulpverlening onvoldoende geaccepteerd. Er was hulpverlening ingezet nadat de pleegkinderen eerst uit huis waren geplaatst en twee pleegkinderen daarna weer terug waren geplaatst in het gezin. De ouders kwamen toen de afspraken niet na en hebben de hulpverlening niet altijd binnengelaten, waardoor er geen goed zicht is ontstaan op hoe het met de kinderen gaat. Het is dan ook nodig dat de GI betrokken blijft om goed te kijken hoe het met de kinderen gaat, om de juiste hulp in het gezin in te zetten en om de ouders te helpen om de situatie te verbeteren.
5.4.
De voorlopige ondertoezichtstelling loopt tot 13 juni 2026 en in die periode gaat de Raad onderzoek doen. De Raad zal tijdens het onderzoek praten met de ouders, de kinderen voor zover dat kan, de school en de hulpverlening. Daarna zal de Raad adviseren of de ouders verder zonder toezicht voor de kinderen kunnen zorgen of dat het nodig is dat de GI blijft meekijken hoe het met de kinderen gaat en de ouders ondersteunt in de opvoeding.
5.5.
De kinderrechter vindt een uithuisplaatsing van de kinderen op dit moment niet noodzakelijk. Want in de eerste plaats is de machtiging tot uithuisplaatsing die op 13 maart 2026 is verleend, niet ingezet. De kinderen wonen gewoon nog bij de ouders. Dat betekent dat er op dit moment geen sprake is van een zeer onveilige situatie van de kinderen bij de ouders thuis. De Raad en de politie doen wel onderzoek naar wat de pleegkinderen hebben verteld over verwaarlozing en kindermishandeling, maar het is nog onbekend welke informatie daaruit zal komen. Verder is het op dit moment voor de kinderrechter nog onduidelijk welk letsel het oudste pleegkind in het gezin heeft opgelopen en door wie dat is veroorzaakt. Bovendien heeft een arts een top tot teen onderzoek gedaan bij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en geen letsel bij hen geconstateerd. Gelet hierop ziet de kinderrechter onvoldoende gronden voor een uithuisplaatsing. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de GI goed toezicht kan houden op hoe het met de kinderen gaat en de nodige hulp in de thuissituatie in kan zetten. Het is goed dat een professional kijkt hoe de kinderen zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen en de ouders daarbij adviezen geeft. Dat hebben deze kinderen nodig. De ouders hebben gezegd dat zij zullen meewerken aan de hulpverlening.
Als uit het politieonderzoek blijkt dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen thuis, dan kan de GI beslissen om de nodige maatregelen in te zetten of te verzoeken aan de kinderrechter.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
trekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een pleeggezin over de periode van 13 maart 2026 tot 27 maart 2026, zoals verleend in de beschikking van 13 maart 2026, in;
6.2.
wijst het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor drie maanden af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Ö. Duran als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.