Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1337

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11966683 \ AC EXPL 25-2570
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:251 BWArt. 150 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens losgekomen tegels na drie jaar

In deze zaak vordert eiser een verklaring voor recht dat gedaagde tekort is geschoten bij het leggen van een tegelvloer en schadevergoeding voor herstel- en deskundigenkosten. De tegelvloer was in februari 2022 gelegd, en in januari 2025 constateerde eiser dat tegels loskwamen. Eiser baseert zijn vordering op een deskundigenrapport dat stelt dat de tegels te dicht tegen de wand zijn geplaatst, waardoor thermische werking onmogelijk is en tegels loskomen.

Gedaagde betwist de tekortkoming en stelt dat het werk correct is uitgevoerd volgens offerte. Ook wordt de juistheid en totstandkoming van het deskundigenrapport betwist, met name omdat het tijdsverloop van drie jaar niet is meegenomen en gedaagde niet bij het onderzoek aanwezig was, waardoor hoor en wederhoor ontbrak.

De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een tekortkoming die tot schade heeft geleid. Er is onduidelijkheid over de gehanteerde normen, het tijdsverloop en mogelijke andere oorzaken van het loskomen van tegels. Het deskundigenrapport krijgt beperkte waarde vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor en onduidelijkheden in de vraagstelling.

Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiser veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van tekortkoming en schade; eiser veroordeeld tot proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11966683 \ AC EXPL 25-2570
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.P. de Vries,
tegen
1.
[gedaagde sub 1],
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3],
allen wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde c.s] . of afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ,
vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] ,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 november 2025 met producties 1 tot en met 8,
- het proces-verbaal van 19 november 2025 van mondeling antwoord met bijlage (de conclusie van antwoord),
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 18 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[gedaagde sub 1] heeft in februari 2022 een tegelvloer in de badkamer van de heer [A] (hierna: [A] ) gelegd. [eiser] heeft in november 2023 deze woning gekocht. In januari 2025 constateert [eiser] dat er tegels in de badkamer zijn losgekomen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde sub 1] haar werk niet goed gedaan. Hij heeft daarom een deskundige ingeschakeld om het werk te beoordelen. [eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst, een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade en van [gedaagde c.s] . vergoeding van de herstel- en deskundigenkosten (totaal € 2.340,00), te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagde c.s] . zijn het daarmee oneens. Volgens hen heeft [gedaagde sub 1] haar werk goed gedaan en is de vermeende schade geen gevolg van het werk van [gedaagde sub 1] . De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.

3.De beoordeling

Achtergrondinformatie
3.1.
[gedaagde sub 1] en [A] hebben eind 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten voor het leggen van een tegelvloer in de badkamer. In de badkamer was er al jarenlang sprake van lekkages. Vóór het uitvoeren van de werkzaamheden heeft [gedaagde sub 1] [A] erop gewezen dat een complete renovatie van de badkamer noodzakelijk is gezien de staat van de badkamer. [A] wilde alleen nieuwe tegels, omdat uit een lekdetectierapport bleek dat de lekkage door slechte kit- en voegranden was veroorzaakt. In februari 2022 bleek er (nog steeds) een lekkage te zijn en heeft [gedaagde sub 1] uit coulance de tegelvloer verwijderd. Er bleek een gescheurde leiding aanwezig te zijn. [gedaagde sub 1] heeft toen de leiding gerepareerd, opnieuw de tegelvloer gelegd, gekit, en korte tijd later een douchebak geïnstalleerd. [gedaagde sub 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [gedaagde sub 1] deze extra werkzaamheden gratis heeft verricht, omdat zij [A] wilden helpen en hij erg dwingend naar hen toe was. Tot de e-mail van [A] op 17 februari 2025, waarin hij aangeeft dat de tegels verkeerd zitten, hebben [gedaagde c.s] . niets meer van hem gehoord. De vof [gedaagde sub 1] is in de tussentijd ontbonden.
[eiser] kan [gedaagde c.s] . aanspreken
3.2.
[gedaagde c.s] . voeren aan dat zij niet met [eiser] van doen gehad hebben, omdat zij een overeenkomst hadden met [A] . De kantonrechter begrijpt hieruit het verweer dat [eiser] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen partij was bij de aannemingsovereenkomst. Dat de relevante rechten en plichten in dit verband van [A] bij de levering van de woning op [eiser] zijn overgegaan, volgt uit artikel 6:251 BW Pro en uit de koopovereenkomst. Om die reden kan [eiser] [gedaagde c.s] . in rechte aanspreken.
De standpunten van partijen
3.3.
[eiser] stelt dat er sprake is van een tekortkoming. Hij baseert die stelling volledig op het rapport van [deskundige] , de deskundige die hij op 10 maart 2025 onderzoek heeft laten doen in zijn badkamer. In dat rapport staat:
“De vloer is aangebracht zonder de mogelijkheid voor thermische werking hierdoor zijn de tegels opgedrukt.”En:
“De plavuizen sluiten strak tegen de wand aan en heeft geen mogelijkheid voor thermische werking. Dit is het gevolg dat de plavuizen los zijn genomen”.
3.4.
[gedaagde c.s] . betwisten dat [gedaagde sub 1] haar werk niet goed heeft gedaan. [gedaagde c.s] . voeren aan dat het werk correct volgens de offerte is uitgevoerd. [gedaagde c.s] . hebben vraagtekens gezet bij de totstandkoming en de juistheid van het rapport van [deskundige] . Zij voeren aan dat het lijkt alsof de deskundige er geen weet van heeft. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde c.s] . daarmee bedoelen dat [deskundige] onvoldoende is geïnformeerd over het tijdsverloop tussen het moment van het leggen van de tegelvloer (februari 2022) en het loskomen van de tegels (januari 2025). Volgens [gedaagde c.s] . is dit van belang, omdat tegels niet zomaar loskomen na er jarenlang zonder problemen te liggen. Volgens hen kan het daarom niet anders zijn dan dat het loskomen van de tegels een andere oorzaak heeft. Voorts verklaart [gedaagde sub 2] niet te weten hoe het kan dat de tegels te dicht tegen de wand zijn gelegd, omdat dat destijds niet zo was. Verder verklaart hij zijn werk (hij was de betreffende tegelzetter) absoluut niet in de foto’s te herkennen en weet hij niet wat er in vier jaar is gebeurd met de tegelvloer. Daarom kan er volgens [gedaagde sub 2] niet geconcludeerd worden dat [gedaagde sub 1] iets fout heeft gedaan wat schade heeft veroorzaakt.
De bewijskracht van het rapport van [deskundige]
3.5.
[eiser] heeft [gedaagde c.s] . geen uitnodiging gestuurd om aanwezig te zijn bij het onderzoek van [deskundige] . Hierdoor heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden ten aanzien van de vraagstelling, het onderzoek en de conclusies.
3.6.
De vraagstelling van het rapport luidt als volgt:
‘1. Kans op lekkage en daaruit volgend de risico’s van welke schade, hoeveel schade en mogelijke kosten van de schade als wij niets doen en de verbouwing door laten gaan.
2. Hoe kunnen we in de toekomst zien of er lekkage is.
3. Over welke termijnen zal schade ontstaan.
4. Advies over hoe het werk wel uitgevoerd moet worden en waar wij op moeten letten bij het vervolg van de bouw.’
De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling aan [eiser] gevraagd hoe deze vraagstelling tot stand is gekomen en wat de bedoeling van het deskundigenonderzoek was. Daarop heeft [eiser] verklaard dat hij telefonisch contact met [deskundige] heeft gehad en hij niet weet waarom de vraagstelling op deze manier is opgenomen door [deskundige] . Daarnaast heeft hij verklaard dat hij geen verbouwingsplannen had. De vraagstelling is in eerste instantie (nummer 1 tot en met 3) gericht op kans op schade (lekkage). Alleen bij nummer 4 is de vraag gericht op een tekortkoming, maar dat lijkt ook gericht op een verbouwing. De totstandkoming van de vraagstelling en de bedoeling van het deskundigenonderzoek is daardoor onduidelijk gebleven.
3.7.
Voorts blijkt uit het rapport op geen enkele manier dat [deskundige] van het tijdsverloop van drie jaar op de hoogte is gesteld. Dat [deskundige] in het onderzoek en bij de conclusies heeft meegewogen dat de tegels meerdere jaren goed zijn blijven liggen blijkt daardoor niet. Evenmin kan worden vastgesteld of [deskundige] mogelijk alternatieve oorzaken heeft onderzocht. Dit zijn zaken die [gedaagde c.s] ., als zij wel waren uitgenodigd bij het onderzoek, had kunnen aankaarten. Waarbij niet onaannemelijk is dat dit van invloed was geweest op het onderzoek en de conclusies van het rapport. Omdat [eiser] [gedaagde c.s] . niet heeft uitgenodigd, komt het voor zijn risico dat de deskundige niet op dit verweer van [gedaagde c.s] . heeft kunnen reageren. Dat [gedaagde sub 2] had aangegeven niet bereid te zijn tot herstelwerkzaamheden maakt niet dat hij niet de gelegenheid had moeten krijgen om bij het onderzoek aanwezig te zijn. Om die reden wordt er beperkte waarde toegekend aan de conclusies uit het rapport. Daar komt bij dat op basis van de conclusies van het rapport ook niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een tekortkoming.
Er is geen sprake van een tekortkoming
3.8.
De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht en schadevergoeding zijn gebaseerd op artikel 6:74 BW Pro. Daarin is bepaald dat als een partij tekortschiet in de nakoming van een overeenkomst die partij de schade die de ander daardoor heeft geleden moet vergoeden. Op grond van de aannemingsovereenkomst was [gedaagde sub 1] verplicht goed en deugdelijk werk te leveren. Dit betekent dat de tegelvloer moet voldoen aan de eisen van vakmanschap en de gebruikelijke normen. Er is sprake van een tekortkoming indien de tegelvloer daaraan niet voldoet.
3.9.
Op [eiser] rust op grond van artikel 150 Rv Pro de stelplicht en bewijslast van de tekortkoming. [eiser] heeft, gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagde c.s] ., onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een tekortkoming die heeft geleid tot de vermeende schade.
3.10.
Ten eerste is niet gesteld of gebleken wat de eisen aan een deugdelijke tegelvloer zijn en welke normen daarbij gehanteerd moeten worden. Ook blijkt niet uit het deskundigenrapport hoeveel ruimte er in dit specifieke geval tussen de tegels en de wand zit. Het is daardoor onduidelijk op grond van welke normen en metingen de conclusie is getrokken dat de tegels te dicht op de wand zijn gemonteerd en dat dat kwalificeert als een tekortkoming. Daarbij komt dat [gedaagde sub 2] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij niet weet hoe het kan dat de tegels te dicht tegen de wand zijn gelegd, omdat dat destijds niet zo was, dat hij zijn werk niet herkent en dat hij niet weet of er in de tussentijd nog andere werkzaamheden zijn verricht in de badkamer. De foto’s uit het deskundigenrapport zijn van maart 2025. Door [eiser] zijn geen foto’s in het geding gebracht van de badkamer net na de werkzaamheden, zodat onduidelijk blijft hoe het werk van [gedaagde sub 1] er na de werkzaamheden in januari 2022 uitzag en of dit overeenkomt met elkaar.
3.11.
Ook als ervan uit wordt gegaan dat er tegels te dicht op de wand waren gemonteerd, is het de vraag of die enkele omstandigheid kan leiden tot het loskomen van de tegels na verloop van drie jaren. Volgens [gedaagde c.s] . kan dat niet zomaar. Er moet volgens hen (ook) een andere oorzaak of oorzaken zijn. [eiser] heeft daarvoor geen verklaring gegeven. Dit blijkt ook niet uit het deskundigenrapport. Omdat [gedaagde c.s] . niet betrokken zijn bij het deskundigenonderzoek heeft de deskundige geen andere oorzaken onderzocht en vastgesteld of uitgesloten.
3.12.
Voorts heeft de deskundige een schematisch overzicht van de tegelvloer gemaakt (zie afbeelding). De kruizen markeren de losse tegels en het blauwe vak (rechtsboven) is de douchebak. Door [eiser] is geen verklaring gegeven hoe het kan dat maar zes tegels (van de in totaal 24 tegels) zijn losgekomen en dat van die zes tegels er maar twee direct aan de wand grenzen. Verder blijkt uit het overzicht dat het grootste deel van de losgekomen tegels zich onder en rondom de douchebak bevinden. Dit duidt ook op mogelijk andere oorzaken, omdat dit de plek is waar de afvoer zich bevindt. Er zijn ook geen vochtmetingen uitgevoerd die meer duidelijkheid geven. Daarbij is relevant dat [gedaagde c.s] . onweersproken hebben aangevoerd dat [gedaagde sub 1] [A] voor de werkzaamheden in 2021 meermalen heeft gewaarschuwd dat een complete badkamerrenovatie noodzakelijk was gezien de staat van de badkamer en dat het enkel leggen van nieuwe tegels de problemen niet zou oplossen.
3.13.
Het voorgaande betekent dat onvoldoende is vast komen te staan dat het loskomen van de tegels een gevolg is van een tekortkoming in het werk van [gedaagde sub 1] en dat dit heeft geleid tot de vermeende schade. Dit leidt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde c.s] . vergoeden
3.14.
[gedaagde sub 2] procedeert in persoon en is op 19 november 2025 en op 18 maart 2026 naar de rechtbank gekomen om verweer te voeren. In dat geval wordt een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten per zitting toegekend. De kantonrechter volgt deze aanbeveling en zal [eiser] veroordelen tot het betalen van € 100,00 aan proceskosten van [gedaagde c.s] ..
Uitvoerbaar bij voorraad
3.15.
De proceskostenveroordeling wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde c.s] . begroot op € 100,00 aan noodzakelijke reis-, verblijf-en verletkosten,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
64510