ECLI:NL:RBMNE:2026:1343

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11883026 \ UC EXPL 25-7282
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 7:629 BWArt. 6:119 BWArtikel 20 CAO RecreatieArtikel 29 CAO Recreatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens te late klacht over functieniveau en toeslagen

Eiser werkt sinds 2014 als medewerker op een recreatielocatie en vordert loonverhoging en toeslagen conform functieniveau 7 of 8 van de cao Recreatie. Gedaagde betwist dit en stelt dat eiser te laat heeft geklaagd over zijn loon en dat zijn werkzaamheden hooguit onder functieniveau 2 vallen. De kantonrechter oordeelt dat eiser te laat heeft geklaagd, omdat het moment van ingrijpende wijziging in de arbeidsrelatie in 2020 lag, toen eiser de beheerderswoning moest verlaten en zijn werkzaamheden afbouwde.

De kantonrechter constateert dat partijen onvoldoende hebben onderbouwd welke werkzaamheden en uren eiser precies heeft verricht, waardoor het onmogelijk is vast te stellen wat het juiste loon volgens de cao zou zijn. De klachtplicht is geschonden omdat eiser pas na meerdere seizoenen actie ondernam, terwijl eerder overleg mogelijk was geweest om de arbeidsvoorwaarden te bespreken.

De vordering tot aansluiting bij het pensioenfonds Recreatie wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, nu gedaagde heeft toegezegd zich alsnog aan te sluiten. De vorderingen van gedaagde in reconventie, waaronder het betwisten van het bestaan van een seizoencontract en de terugbetaling van kosten voor gas, water en elektra, worden eveneens afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld tot betaling van elkaars proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens te late klacht, en het dienstverband loopt door.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11883026 \ UC EXPL 25-7282
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.L. Lisowski en mr. Z.L. Lou,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Th.H.P. van den Kieboom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging van eis in conventie
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. [eiser] was aanwezig met zijn vriendin [A] , bijgestaan door zijn gemachtigden. Namens [gedaagde] was de heer [B] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verder waren drie bewoners van chalets aanwezig. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht. Partijen hebben ook op elkaar kunnen reageren. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat er een vonnis zal komen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] werkt sinds 2014 op [locatie] als [functie] . Vanaf 2014 tot 1 mei 2020 woonde hij met zijn vriendin in de beheerderswoning op de [locatie] . [eiser] heeft altijd hetzelfde loon van € 2.488,33 bruto per maand ontvangen. [eiser] vindt dat zijn werkzaamheden op de [locatie] primair onder functieniveau 8 en subsidiair onder functieniveau 7 van de cao Recreatie vallen en hij vordert het loon dat daarbij hoort, inclusief overuren, toeslagen en vergoedingen volgens de cao. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Zij voert aan dat [eiser] veel te laat over het niet kloppen van zijn loon heeft geklaagd, dat zijn werkzaamheden hooguit onder functieniveau 2 van de cao vallen en dat [eiser] ruim voldoende betaald heeft gekregen omdat hij maar de helft van het jaar werkte en het hele jaar betaald kreeg. [gedaagde] heeft ook een (voorwaardelijke) tegeneis ingesteld. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] te laat heeft geklaagd. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen en de onvoorwaardelijke tegeneis van [gedaagde] wordt ook afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat de vorderingen in reconventie samenhangen met de vorderingen in conventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
De achtergrond van de arbeidsovereenkomst die ter discussie staat
3.2.
Voor een goed begrip van de vorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld is het belangrijk de achtergrond te schetsen van de arbeidsovereenkomst(en) die partijen zijn aangegaan. De kantonrechter heeft uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd het volgende begrepen.
3.3.
In november 2012 is [eiser] in de autowasstraat van [B] gaan werken. In oktober 2014 is [eiser] als [functie] gaan werken voor [gedaagde] op [locatie] op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst (hierna: de arbeidsovereenkomst). Het loon dat [eiser] van [gedaagde] (en daarvoor [B] ) ontvangt is sinds september 2013 nooit verhoogd. Partijen zijn het erover eens dat de cao Recreatie (hierna: de cao) op de lopende arbeidsovereenkomst van toepassing is. Die cao is gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst steeds algemeen verbindend verklaard.
3.4.
De werkzaamheden van [eiser] bestonden uit het ontvangen van de campinggasten, het schoonhouden van de toiletten, wasruimte en receptie op de [locatie] en het maaien van het gras. De [locatie] was open van 1 april tot 1 oktober. Daarnaast hield [eiser] een administratie bij voor de [locatie] en hij beheerde de campingkas. De schoonmaakwerkzaamheden werden mede uitgevoerd door vriendin van [eiser] , die daarvoor ook betaald kreeg. [eiser] en zijn vriendin konden vanaf oktober 2014 tot 1 mei 2020 wonen in de beheerderswoning. Daarvoor hebben [eiser] en zijn vriendin nooit een tegenprestatie betaald. De [locatie] is onderdeel van een groter terrein waarop in 2014 ongeveer vijftig chalets stonden die in de loop der jaren zijn afgebroken en geleidelijk worden vervangen door bungalows. In 2023 stonden er nog eens stuk of vijftien chalets. Vanaf 2020 woont de neef van [B] in de beheerderswoning op het terrein en hij beheert de verhuur van de bungalows. Sommige chalets hadden gasflessen nodig voor warmte en warm water. Deze gasflessen bezorgde [eiser] .
3.5.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen tot 2020 enige discussie hebben gehad over wat over en weer werd verwacht qua werkzaamheden en beloning. De kantonrechter begrijpt daaruit dat men over en weer tevreden was over de gang van zaken. Het salaris dat [eiser] en zijn vriendin verdienden werd betaald vanuit de opbrengsten van de [locatie] . Omdat [eiser] vaak het geld contant van de campinggasten ontving vroeg [B] hem om die gelden af te dragen. Pas als dat was gebeurd kon het salaris worden betaald. Het salaris werd daarom met enige regelmaat onregelmatig betaald.
3.6.
De samenwerking tussen partijen is onder druk komen te staan in 2020. Vanwege de COVID beperkingen heeft [B] besloten dat de [locatie] zou worden gesloten. Er kwam toen nauwelijks geld binnen, terwijl het salaris van [eiser] en zijn vriendin moest worden doorbetaald. De vriendin van [eiser] heeft zich op 22 oktober 2020 ziekgemeld. [eiser] en zijn vriendin hadden eind 2019 een woning gekocht op korte afstand van de [locatie] . Daarvoor hadden ze een huurwoning die zij onderverhuurden en waaruit zij dus extra inkomsten ontvingen. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij de nieuwe woning als belegging had gekocht en eigenlijk gewoon in de beheerderswoning had willen blijven wonen, zoals daarvoor ook het geval was. Maar, [B] heeft [eiser] eind 2019 gevraagd de beheerderswoning uiterlijk in mei 2020 te verlaten. Hij heeft toen ook gevraagd over een aantal jaren een bijdrage te betalen voor gas, water en licht. Totaal een bedrag van € 13.000 (€ 200 per maand). Dat wilde [eiser] niet. Vanaf dat moment is er, zo begrijpt de kantonrechter onvrede tussen partijen ontstaan.
3.7.
[eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij daarna minder is gaan doen voor de [locatie] , hij had ook geen tijd om alles te doen wat van hem werd verwacht. Daarvoor deed hij de werkzaamheden volgens hem namelijk gedeeltelijk met zijn vriendin die, zo begrijpt de kantonrechter, tot 2022 ziek is gebleven en toen uit dienst is gegaan. [gedaagde] heeft dit bestreden, volgens haar deed de vriendin van [eiser] vrijwel niets en heeft zij alleen een dienstverband aangeboden gekregen om [eiser] en zijn vriendin in staat te stellen een huis te kopen. Op de mondelinge behandeling en ook in de stukken heeft [B] uitgelegd dat hij op een gegeven moment al het schoonmaakwerk deed en het gras maaide op de [locatie] . Dat is bevestigd door getuigen die voorafgaand aan de mondelinge behandeling een schriftelijke getuigenverklaring hebben afgelegd en dit tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd. Per 31 maart 2024 (1 dag voor het campingseizoen zou beginnen) heeft [eiser] zich ziekgemeld. Niet gesteld of gebleken is dat partijen hebben gewerkt aan re-integratie van [eiser] in zijn werk. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit niet het geval is geweest omdat [gedaagde] in deze procedure stelt dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2023 van rechtswege is geëindigd, omdat volgens haar sprake is van een seizoencontract.
De inhoud en de omvang van de arbeidsovereenkomst
3.8.
[eiser] vordert achterstallig loon en vergoedingen over de periode vanaf april 2019 tot nu. De kantonrechter heeft gedurende de drie uur durende mondelinge behandeling geprobeerd concreet en feitelijk te achterhalen wat [eiser] in deze periode precies deed, maar het is niet gelukt dat goed vast te stellen. Partijen bleven namelijk hangen in hun kwalificatie van het beschreven werk en hebben niet onderbouwd wat het exacte werk nu precies inhield en hoeveel uren daarmee gemoeid waren. Dat maakt het voor de kantonrechter vooralsnog onmogelijk te bepalen wat [eiser] had moeten verdienen volgens de cao en hoe zich dat verhoudt tot wat hem feitelijk is uitbetaald. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
3.8.1.
Niet ter discussie staat dat [eiser] tijdens het campingseizoen meer dan de overeengekomen 40 uur werkte en ook recht had op toeslagen voor zon- en feestdagen. Maar, in de CAO staat dat overuren en toeslagen kunnen worden gecompenseerd met vrije tijd. [1] Volgens [gedaagde] is waar [eiser] recht op had aan overuren en toeslagen ruimschoots gecompenseerd met het aantal uren dat [eiser] niets heeft hoeven doen in de periode oktober tot april. Om te controleren of dit klopt is belangrijk dat een urenregistratie/urenoverzicht beschikbaar is waaruit afgeleid kan worden hoeveel uren wanneer zijn gemaakt.
3.8.2.
[eiser] stelt dat van hem ook buiten het campingseizoen werkzaamheden werden verwacht en verwijst hiervoor naar e-mails van [B] [2] . [gedaagde] stelt dat de betreffende mails zijn gestuurd in de tijd nadat de [locatie] vanwege de COVID beperkingen gesloten was en [eiser] ook in het seizoen 2020 geen werkzaamheden verricht had, maar ook dat [eiser] ondanks de verzoeken geen werkzaamheden heeft verricht buiten het seizoen. [eiser] heeft desgevraagd niet uit kunnen leggen welke werkzaamheden hij precies buiten het seizoen heeft verricht en hoeveel tijd daarmee gemoeid was. De stelling dat de boekhouding veel tijd vergde is niet aannemelijk gemaakt. Wat [eiser] aan stukken heeft overgelegd kan niet veel tijd hebben gevraagd.
De concrete vorderingen van partijen en wat de kantonrechter daar van vindt
3.9.
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond en de summiere kennis van de inhoud en omvang van de arbeidsovereenkomst moet de kantonrechter de vorderingen van partijen beoordelen. [eiser] vordert in conventie dat zijn werkzaamheden onder functieniveau 8 van de cao vallen en vordert het daarbij behorende achterstallig loon vanaf april 2019 (€ 93.737,33 bruto), het loon vanaf 1 september 2025 van € 4.370,27 bruto per maand, overuren, overurentoeslag, zondagtoeslag, feestdagentoeslag, vakantietoeslag en vakantie-uren. Subsidiair vordert hij dat zijn werkzaamheden onder functieniveau 7 van de cao vallen en het daarbij behorende loon en vergoedingen. Daarnaast vordert hij nog een consignatievergoding van € 40.351,50 en verlofspaaruren. Ook vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] zich moet aansluiten bij het pensionfonds van de cao en een eventueel verschil in inkomstenbelasting door de te late betalingen moet vergoeden. Tot slot vordert hij nog wettelijke verhoging, wettelijke rente en bruto-netto specificaties.
3.10.
In reconventie vordert [gedaagde] voor zover het schenden van de klachtplicht niet opgaat een verklaring voor recht dat de functie van [eiser] moet worden ingedeeld op functieniveau 2 en [gedaagde] alleen loon hoeft te betalen over maximaal 6 maanden per seizoen op basis van 8 uur per dag 7 dagen per week. Onvoorwaardelijk vordert [gedaagde] een verklaring voor recht:
- dat zij over het jaar 2020 geen toeslagen of vergoedingen verschuldigd is;
- dat [eiser] 8 uur per dag werkzaam is geweest in seizoen 2021, 2022 en 2023 en dat de vergoedingen die worden gevorderd volledig in tijd zijn gecompenseerd of de redelijkheid en billijkheid zich verzet tegen toewijzing vanwege jarenlang gebruik van gratis woonruimte;
- dat het laatste half jaar contract is geëindigd op 1 oktober 2023 en dat al hetgeen daarna is betaald moet worden terugbetaald;
- dat [eiser] € 13.000 netto met wettelijke rente moet terugbetalen.
[eiser] heeft te laat geklaagd
3.11.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] tegen de vordering van [eiser] is dat [eiser] te laat heeft geklaagd dat hij op een verkeerd functieniveau is ingeschaald en niet de overwerkvergoedingen en toeslagen heeft ontvangen die hem toekwamen. De klachtplicht [3] houdt voor dit geval in dat [eiser] geen beroep meer kan doen op een gebrek in een prestatie die [gedaagde] aan hem verschuldigd is, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt heeft geklaagd. Het standpunt van [eiser] is dat hij toen hij als beheerder begon een salaris kreeg dat conform zijn functieniveau was, maar dat hij, door het uitblijven van salarisverhogingen, gaandeweg te weinig is gaan verdienen. Toen hij daarop door zijn advocaten is geattendeerd heeft hij meteen actie ondernomen. Volgens [eiser] heeft hij dus tijdig geklaagd, namelijk vanaf het moment dat hem duidelijk werd dat hij onderbetaald werd.
3.12.
De kantonrechter heeft uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd opgemaakt dat [eiser] tot eind 2019 de vrije hand heeft gehad in de wijze waarop de [locatie] werd gerund en hoeveel tijd hij daaraan besteedde. Dit is veranderd toen [B] in 2019 de regie wat meer naar zich toe heeft getrokken en [eiser] vanaf het campingseizoen 2020 niet meer op de [locatie] woonde. Dat jaar was de [locatie] ook dicht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de aanvang van het campingseizoen 2020 moet worden gezien als het moment waarop de arbeidsovereenkomst ingrijpend werd gewijzigd. [eiser] kon niet langer in de beheerderswoning wonen en zijn partner werd later dat jaar ziek. [eiser] moest gaan wonen in de woning die hij had aangeschaft al beleggingsobject en die hij wilde gaan verhuren. Bovendien vorderde [gedaagde] een vergoeding van de kosten van gas, water en elektra voor het gebruik van de beheerderswoning. Die wijziging van beloning en rolvervulling had voor partijen aanleiding moeten zijn met elkaar van gedachten wisselen over hoe hiermee, ook qua beloning, om te gaan, maar daarvoor hebben partijen beiden niet gekozen. [eiser] heeft er namelijk voor gekozen zijn werkzaamheden af te bouwen en heeft vanuit frustratie/drukmiddel de opbrengst van de [locatie] achtergehouden. [gedaagde] heeft er niet voor gekozen achter de opbrengst van de [locatie] aan te gaan, maar heeft die bij [eiser] gelaten en is op enig moment gestopt met het betalen van loon. [B] heeft bovendien de werkzaamheden opgepakt die [eiser] liet liggen. Op enig moment is de stille strijd die partijen zo hebben gevoerd tot een uitbarsting gekomen toen [eiser] inmiddels aan inkomsten van de campinggasten ongeveer € 70.000 onder zich had en zijn salaris, dat daaruit moest worden betaald, al enige tijd niet was voldaan. Toen [eiser] zijn rechtsbijstandsverzekering benaderde en hij op die manier bij zijn advocaten uitkwam is de verhouding tussen partijen gejuridiseerd. Dat heeft geleid tot een kort geding waarin de kantonrechter op 11 april 2024 vonnis heeft gewezen en waarvan [eiser] in hoger beroep is gegaan. Het hof heeft op 15 april 2025 uitspraak gedaan en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van achterstallig loon. Niet duidelijk is geworden of [gedaagde] aan deze veroordeling heeft voldaan.
Uit deze gang van zaken concludeert de kantonrechter dat het seizoen 2020 het moment was waarop partijen over en weer hadden moeten klagen over de wijze waarop zij invulling gaven aan de arbeidsverhouding. Omdat [eiser] dat pas drie campingseisoenen later heeft gedaan, slaagt het beroep van [gedaagde] op schenden van de klachtplicht.
3.13.
[eiser] heeft aangevoerd dat dit lange wachten voorkwam uit angst om zijn baan te verliezen en dat dit hem daarom niet mag worden aangerekend. Maar dit vindt de kantonrechter niet aannemelijk. Ter onderbouwing van de gestelde angst voor baanverlies heeft [eiser] een geluidsopname van een gesprek overgelegd dat hij in het geheim heeft opgenomen op 10 september 2023 [4] . Uit dit gesprek blijkt dat [B] naar een oplossing zocht voor de ontstane werkverhoudingen en daarbij redelijk dwingend was in wat hij verwachtte en dat, als [eiser] dat anders zag, ieder zijn eigen weg zou moeten gaan, maar de houding van [eiser] was ook niet die van iemand die zich alles liet welgevallen. Zo voelde [eiser] kennelijk de vrijheid grote geldbedragen onder zich te houden, de werkzaamheden die van hem werden verwacht niet te verrichten en niet in te gaan op het verzoek van [gedaagde] om de kosten van verbruik van gas, water en licht te vergoeden en de afspraken die daarover volgens [gedaagde] zijn gemaakt ter discussie te stellen.
3.14.
Door het schenden van de klachtplicht ondervindt [gedaagde] nadeel. Als [eiser] eerder aanspraak had gemaakt op achterstallig loon en vergoedingen, dan hadden partijen om de tafel kunnen gaan zitten en betere afspraken kunnen maken. Dan had ook eerder aan de hand van de feitelijke gang van zaken en een op te maken urenregistratie kunnen worden vastgesteld wat een redelijke inschaling was en of al dan niet conform was beloond omdat [eiser] niet het volledige kalenderjaar hetzelfde aantal uren werkte. Met terugwerkende kracht vaststellen wat rechtens was in de periode voordat [eiser] zich in maart 2024 ziek meldde stuit op bewijsproblemen die [eiser] had kunnen voorkomen en die [gedaagde] onnodig duperen.
3.15.
De conclusie is dan ook dat [eiser] zijn recht op betaling van overuren, toeslagen en vergoedingen heeft verwerkt door niet tijdig te klagen over zijn beloning. In het midden kan dus blijven of [eiser] überhaupt recht had de gevorderde bedragen.
[gedaagde] moet zich aansluiten bij het pensioenfonds recreatie, maar [eiser] heeft geen belang bij een verklaring voor recht op dit punt
3.16.
De vordering van [eiser] met betrekking tot de verklaring voor recht dat [gedaagde] zich moet aansluiten bij het pensionfonds van de cao wordt afgewezen wegens een gebrek aan belang om de volgende reden.
3.16.1.
[B] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [gedaagde] een bouwbedrijf is en dat hij dacht dat zij niet onder het pensioenfonds Recreatie zou vallen. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegezegd dat zij zich alsnog zal aanmelden voor het pensioenfonds Recreatie. De kantonrechter heeft geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] die toezegging niet gestand zal doen.
3.16.2.
Het pensioenfonds Recreatie is verplicht een verplicht verzekerde pensioen uit te keren, ook als zijn werkgever zich (nog) niet uit eigen beweging heeft aangemeld.
De vorderingen in conventie worden dus afgewezen
3.17.
De conclusie is dan ook dat alle vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
2.310,00
(2 punten × € 1.155,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.454,00
3.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
De voorwaardelijke vorderingen
3.20.
Omdat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen is de voorwaarde voor de voorwaardelijke reconventie niet vervuld en hoeft de kantonrechter deze voorwaardelijke vorderingen niet te beoordelen. Gelet op de formulering van de vordering onder punt IV en V van de vordering in reconventie gaat de kantonrechter ervan uit dat deze vorderingen hoewel er het woord “onherroepelijk” boven staan ook voorwaardelijk zijn ingesteld. De verklaring voor recht onder punt IV ziet er namelijk alleen op dat [gedaagde] geen vergoeding verschuldigd is voor toeslagen, overwerk, vakantiedagen, vakantietoeslag, rente en verhogingen in 2020, maar aan een beoordeling hiervan wordt alleen toegekomen als de vordering in conventie zou zijn toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde verklaring onder punt V dat [eiser] steeds 8 uur per dag werkzaam is geweest in het campingseizoen en overwerk en toeslagen niet verschuldigd is. [gedaagde] heeft ook geen belang bij deze vorderingen nu de vorderingen in conventie worden afgewezen.
Tussen partijen bestaat nog steeds een arbeidsovereenkomst
3.21.
[gedaagde] vordert verder in reconventie een verklaring voor recht dat het laatste halfjaar contract van [eiser] van rechtswege is geëindigd op 1 oktober 2023. Daarin gaat de kantonrechter niet mee. [eiser] kreeg gedurende 12 maanden van het jaar zijn loon. Zijn werkzaamheden verrichtte hij in het campingseizoen van april tot oktober. Nergens blijkt echter uit dat er steeds sprake was van halfjaarscontracten. Het dienstverband van [eiser] is een dienstverband voor onbepaalde tijd. Hij is in 2012 bij [B] in dienst gekomen en in 2014 bij [gedaagde] . Gedurende al die jaren liep het dienstverband door en kreeg [eiser] maandelijks betaald. Het dienstverband van [eiser] loopt dan ook nog steeds door. Op grond van de wet en de cao heeft [eiser] recht op zijn loon tijdens ziekte. [5]
[eiser] hoeft geen kosten voor gas water en elektra te betalen
3.22.
[gedaagde] heeft gesteld dat partijen hadden afgesproken dat [eiser] toen hij in de beheerderswoning woonde een bedrag van € 300,- voor gas, water en elektra aan [gedaagde] zou betalen. [eiser] betwist deze afspraak. [gedaagde] heeft geen bewijs van deze afspraak overgelegd en ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit deze afspraak tussen partijen kan worden afgeleid. Het enige bewijs dat deze afspraak is gemaakt is het verzoek een betaling op dit punt te doen toen [gedaagde] [eiser] verzocht om de woning te verlaten. Daaruit kan echter geen afspraak (gebaseerd op wilsovereenstemming) worden afgeleid. Omdat onvoldoende is onderbouwd dat partijen een afspraak hebben gemaakt over deze kosten en [eiser] deze afspraak heeft betwist wordt deze vordering afgewezen.
De vorderingen in reconventie worden afgewezen
3.23.
De conclusie is dan ook dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie wordt afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.24.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.155,00
(2 punten × factor 0,5 × € 1.155,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.299,00
3.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.454,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart de onder 4.2. en 4.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
4.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.299,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8.
verklaart de onder 4.6. en 4.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
wh 1031

Voetnoten

1.Artikel 20 CAO Pro Recreatie
2.Productie 2 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (e-mail van 11 april 2021) en productie 8 bij de dagvaarding (e-mail van 18 september 2022)
3.Artikel 6:89 van Pro het burgerlijk wetboek (hierna: BW)
4.Productie 10 bij de dagvaarding
5.Zie artikel 29 van Pro de cao en artikel 7:629 BW Pro