ECLI:NL:RBMNE:2026:1347

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
12112716 UV EXPL 26-41 CFd/63200
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand en betaling van achterstallige huur

In deze kortgedingprocedure vordert [eiseres] B.V. de ontruiming van kantoorruimtes en parkeerplaatsen die zij verhuurt aan Stichting [gedaagde], vanwege een huurachterstand van €27.793,08. De gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een spoedeisend belang en dat het zeer waarschijnlijk is dat de vordering in een bodemprocedure wordt toegewezen.

De huurachterstand is ernstig en herhaaldelijk, waarbij eerdere achterstanden pas na vonnissen zijn betaald. Dit rechtvaardigt de beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen, conform de gebruikelijke termijn. Daarnaast wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke handelsrente tot en met 13 februari 2026 en de rente vanaf die datum tot volledige betaling.

Verder wijst de kantonrechter buitengerechtelijke incassokosten toe van €1.052,93, lager dan gevorderd, op basis van redelijke wettelijke tarieven en het BGK-rapport. De proceskosten van €2.353,65 worden eveneens aan de gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van huurachterstand, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12112716 UV EXPL 26-41 CFd/63200
Vonnis in kort geding van 25 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R.G. Goossens,
tegen:
de stichting
Stichting [gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
die niet is verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 maart 2026, met bijlagen.
- de mondelinge behandeling van 11 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] verhuurt kantoorruimtes en parkeerplaatsen (hierna samen: de kantoorruimtes) aan [gedaagde] . Omdat [gedaagde] weer een huurachterstand heeft laten ontstaan, ditmaal van € 27.793,08, wil [eiseres] dat [gedaagde] de kantoorruimtes verlaat en de huurachterstand aan haar betaalt. De vorderingen van [eiseres] worden grotendeels toegewezen.

3.De beoordeling

Tegen Allianceblok is verstek verleend
3.1.
[gedaagde] was niet aanwezig op de mondelinge behandeling (zitting) en heeft ook niet op een andere manier gereageerd. Uit de dagvaarding blijkt dat zij op de juiste manier is opgeroepen voor de zitting. Daarom is tijdens de mondelinge behandeling tegen [gedaagde] verstek verleend. De zaak is dus zonder aanwezigheid of reactie van [gedaagde] behandeld. Dit betekent dat de vorderingen tegen [gedaagde] worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze in strijd zijn met de wet of een geldige reden ervoor ontbreekt.
Juridisch kader
3.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang
3.3.
Een spoedeisend belang is aanwezig als van [eiseres] niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. Dat is hier het geval. De huurprijs wordt al maanden niet (tijdig) betaald. [eiseres] lijdt daardoor vermogensschade.
[gedaagde] moet de kantoorruimtes verlaten
3.4.
[gedaagde] moet de kantoorruimtes ontruimen, want het is zeer waarschijnlijk dat de kantonrechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal beëindigen en de ontruiming zal toewijzen. De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Bovendien heeft [gedaagde] al eerder een achterstand in de betalingen laten ontstaan. Die achterstand is eenmaal vlak vóór de zitting en de andere twee keren pas na een vonnis in kort geding betaald. [eiseres] heeft er belang bij om de kantoorruimtes te kunnen verhuren aan andere huurders die wel op tijd de huur betalen.
3.5.
[eiseres] heeft haar vorderingen dus niet zonder geldige reden ingesteld. De gevorderde ontruiming is ook niet in strijd met de wet.
De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen
3.6.
[eiseres] heeft een ontruimingstermijn van een week gevorderd, maar de kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke ontruimingstermijn van veertien dagen. De ontruimingstermijn wordt daarom gesteld op veertien dagen.
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
3.7.
[eiseres] vordert € 27.793,08 aan huurachterstand over de maanden november 2025 tot en met februari 2026. Deze vordering wordt toegewezen, omdat deze niet in strijd is met de wet en niet zonder een geldige reden is ingesteld.
[gedaagde] moet wettelijke handelsrente betalen
3.8.
[eiseres] vordert daarnaast de wettelijke handelsrente over de huurachterstand. Deze eis is niet in strijd met de wet en niet zonder geldige reden ingesteld. De rente berekend tot 13 februari 2026 bedraagt € 598,16. Dit bedrag wordt toegewezen. De wettelijke handelsrente vanaf 14 februari 2026 wordt ook toegewezen.
[gedaagde] moet € 1.052,93 aan buitengerechtelijke kosten betalen
3.9.
[eiseres] vordert € 4.168,96 als vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst € 1.052,93 toe. [eiseres] en [gedaagde] zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. De kantonrechter wijst een lager bedrag toe dan [eiseres] heeft gevorderd omdat zij de vordering toetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal en daarbij de redelijke wettelijke tarieven gebruikt.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10.
[gedaagde] moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 128,65
- griffierecht € 1.504,00
- salaris gemachtigde € 577,00
- nakosten €
144,00(plus de kosten van betekening zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.353,65
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter, recht doende in kort geding:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de kantoorruimtes en parkeerplaatsen aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, te verlaten, te ontruimen en in oorspronkelijke onbeschadigde en schone staat aan [eiseres] op te leveren en de sleutels gelijktijdig af te geven aan [eiseres] , met het verbod de kantoorruimtes en parkeerplaatsen na de ontruiming opnieuw te betrekken of te gebruiken;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 28.391,24 aan huurachterstand vermeerderd met wettelijke handelsrente tot en met 13 februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 27.793,08, met ingang van 14 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.052,93 aan buitengerechtelijke kosten;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van 2.353,65 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.5.
verklaart dit vonnis tot hier uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op
25 maart 2026.