ECLI:NL:RBMNE:2026:135
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit fictieve dienstverbanden en drugshandel
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en witwassen. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode van 4 maart 2022 tot en met 12 juni 2024.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde inkomsten heeft genoten uit fictieve dienstverbanden bij drie bedrijven zonder daadwerkelijke werkzaamheden en zonder bedrijfsactiviteiten. Daarnaast werd een contant geldbedrag van €9.724,25 aangetroffen in zijn woning, dat volgens de rechtbank afkomstig was uit de handel in harddrugs. Een bedrag van €28.000,- dat door de zus van de veroordeelde was overgeboekt, werd buiten beschouwing gelaten omdat niet was vastgesteld dat dit bedrag uit een misdrijf afkomstig was.
De rechtbank berekende het wederrechtelijk verkregen voordeel op €86.316,25 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Er werden geen aftrekbare kosten vastgesteld. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 863 dagen. De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht €86.316,25 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.